|

|
De
Italiaan Franco Uncini op 9 maart 1955 geboren,
begon in 1974 aan een veelbelovende loopbaan. Daarbij werd hij
gesteund door z'n rijke vader, die helemaal bezeten was van
snelheidssporten. Uncini senior bezat in Pescara een fabriek
waar elektronische orgels gemaakt worden (JEN Organs) en werd de
hoofdsponsor van z'n zoon. Hij sponsorde ook nog zoon Enrico in
de F3 autoracerij. Deze werd later monteur van Franco. Gelijk in
z'n eerste jaar werd Franco juniorkampioen van Italië. Ducati
nam hem het volgende jaar onder contract. Franco reed negen
races en won daarvan zeven en werd eenmaal tweede. Giacomo
Agostini won in datzelfde jaar de halveliter wereldtitel voor
Yamaha en naderde het einde van zijn carrière, terwijl Franco
zich gereed maakte voor z'n eerste internationale seizoen in
1976. Franco werd ingelijfd in het Diemme-team en in z'n eerste
GP werd hij 14e met een 350 Yamaha op de Salzburgring. Hij
verbaasde iedereen bij de Italiaanse GP in Mugello, want daar
werd hij tweede. Reeds toen al raakte iedereen onder de indruk
van z'n koelbloedigheid en z'n buitengewone talent. Het duurde
niet lang of hij versloeg Ago, bij races op Misano in augustus
1976 liet de 21-jarige coureur Ago twee keer achter zich. Voor
het toen zo succesvolle Harley-Davidson-team leek Uncini een
geschikte rijder om tweede man te worden achter dubbel
wereldkampioen Walter Villa. In zijn tweede jaar als prof kreeg
Franco dus al de beschikking over fabrieksmotoren en toonde zich
de meerdere van Villa en zijn vriend Mario Lega, maar werd geen
wereldkampioen. De Harley’s waren erg snel, maar de
frames waren daar niet tegen bestand. Vaak moesten Uncini en
Villa door onbenulligheden uitvallen. Hoewel Uncini twee
GP's won (Imola en Brno) tegen Mario Lega op Morbidelli maar
één, ging de titel toch naar de Italiaan Lega. Franco’s
teamgenoot, Walter Villa, won er overigens drie, maar die werd
slechts derde in de eindstand.
In 1978 vond Franco Uncini onderdak bij Venemotos. Aan
dat jaar denkt Franco met weinig plezier terug, want de Kawa's
van Ballington en Hansford en de Yamaha van Roberts in de
kwartliter klasse waren veel te snel voor hem. Door een slechte
verstandhouding gingen Uncini en Venemotos voortijdig uit
elkaar. Ook het contact met de Belgische motorhandelaar Serge
Lago was van korte duur. In de eerste GP van werd Franco met een
RG 500 vierde in Venezuela. Toen Lago niet toestond dat er aan
de Suzuki in Italië gesleuteld werd, ging de Italiaan zijn
eigen weg. Zijn welgestelde vader kocht twee Suzuki's, een
transporter en een motorhome en nam twee monteurs in dienst. Met
een vijfde plaats in de eindstand werd Franco de beste privé-rijder.
Natuurlijk meldde zich eind 1979 Roberto Gallina bij Franco toen
Virginio Ferrari het Nava-Olio-Fiat-team verliet. Uncini liet
Gallina weten uiterlijk oktober mee te delen of hij kon rekenen
op een contract met Suzuki, anders zou hijzelf op zoek gaan naar
sponsors. Toen Franco op die datum nog niets van Gallina gehoord
had ondertekende hij een contract bij Nolan, waardoor een opname
in het Nava-team onmogelijk werd. Zelfs in zijn stoutste dromen
rekende Uncini er niet op gelijk in de eerste Grand Prix tweede
te worden achter Kenny Roberts en dat hij verder weer de schrik
van fabrieksploegen zou zijn. Hoewel hij met zijn gewicht van 55
kilo beter geschikt leek voor de lichtste klassen wilde Franco
Uncini voor altijd in de zwaarste klasse blijven: "Daarin
rijden de beste coureurs, zijn de beste motoren, de beste
banden, beste remmen en krijg je ook de meeste publiciteit. Wat
kan ik nog meer wensen?" vond hij. Hij werd evenals in 1979
beste privé-rijder en kaapte in 1981 de fabrieks-Suzuki's van
de gestopte Wil Hartog, voor Jack zijn neus weg. Die brachten
hem dat jaar nog niet veel succes, maar in 1982 meer dan genoeg.
Vijf overwinningen brachten hem de wereldtitel, na halverwege
het seizoen aan Suzuki gevraagd te hebben om Jack
fabrieksmachines te geven om hem te steunen. In
1983 overleefde hij een ongelofelijk ongeluk tijdens de TT van
Assen, waarbij Wayne Gardner tegen zijn hoofd reed, nadat Uncini
was gevallen en trachtte weg te komen van de baan. Zijn helm vloog af en
hij moest in het ziekenhuis, waar men een klein jaar later
helaas tevergeefs voor Jack's leven vocht, een levensreddende
operatie ondergaan. Na zijn kampioensjaar konden de
Suzuki's het niet meer bijbenen tegen de Honda's en Yamaha's en
reed Franco geen goeie resultaten meer, wat hem in 1985 deed
besluiten te stoppen.

| Eindstand |
klasse |
jaar |
merk
motor |
punten |
aantal
winst |
| 21e |
250cc |
1976 |
Yamaha |
6 |
-
|
| 10e |
350cc |
1976 |
Yamaha |
27 |
(1x
2e) (1x 3e)
|
| 2e |
250cc |
1977 |
Harley-Davidson |
72 |
2x
|
| 20e |
350cc |
1977 |
Harley-Davidson |
11 |
-
|
| 8e |
250cc |
1978 |
Yamaha |
42 |
(1x
2e) (2x 3e)
|
| 12e |
350cc |
1978 |
Yamaha |
19 |
(1x
2e)
|
| 5e |
500cc |
1979 |
Suzuki |
51 |
(1x
3e)
|
| 4e |
500cc |
1980 |
Suzuki |
50 |
(1x
2e) (2x 3e)
|
| 13e |
500cc |
1981 |
Suzuki |
12 |
-
|
| 1e |
500cc |
1982 |
Suzuki |
103 |
5x
|
| 9e |
500cc |
1983 |
Suzuki |
31 |
-
|
| 15e |
500cc |
1984 |
Suzuki |
13 |
-
|
| 15e |
500cc |
1985 |
Suzuki |
8 |
-
|
|