|
 |
|
Dick
Mann winnaar 200 mijls race 1970. |
1970
- 1971: Het begin van het Superbike tijdperk
Het Japanse tijdperk deed vanaf 1970
zijn intrede pas echt. Eind zestiger jaren, hadden de Japanse en Britse
motorfietsfabrikanten hun assortiment flink uitgebreid. Er waren vele
nieuwe modellen op de markt gebracht en dan vooral in de 750cc modellen,
die zowel twee, drie en zelfs viercilindermotoren tot hun beschikking
hadden. Het probleem voor deze fabrikanten was, voor zover dat het racen
betrof, de bestaande regels van de A.M.A. m.b.t. motoren tot 500cc met
zgn. kopklepmotoren. Zoals de naam al laat vermoeden, bevinden de
kleppen bij kopklepmotoren (OHV -
OverHead Valve) zich boven de verbrandingskamer, in het dak van de
cilinderkop. Het OHV-design laat een vlottere inlaat van het
brandstofmengsel toe, plus een snellere en meer complete uitlaat. Die
verhoogde verbrandingsefficiëntie maakt op zijn beurt een hogere
drukverhouding mogelijk. Op die manier kan men een grotere
vermogensafgifte bereiken en de opbouw van koolstoffen tegengaan. Het
OHV-ontwerp zorgt ook voor een uitstekend thermisch evenwicht, dat
bijdraagt tot een beperkte cilindervervorming, een lager olieverbruik en
een langere levensduur voor de motor.
AMA besloot om deze regeling te
wijzigen die serieus racen mogelijk ging maken. Voortaan, tot groot
plezier van het merendeel van de wereldmotorfabrikanten, mocht men elke
machine gebruiken, die een motorvermogen tot 750cc had, ongeacht het
type kleppen. Deze regelverandering heeft waarschijnlijk de grootste
invloed ooit gehad op de motorsport, aangezien het dus de weg vrijmaakte
om vrijwel elk groot type motorfiets op de markt in de Verenigde Staten
te lanceren. Het eerste gevolg, op dat moment, was de inbreng van de
machtigste machine in die tijd, de Honda CB 750. Buiten twee grote
snelheidsspecialisten - Ralph Bryans en Tommy Robb, vroegere Grand-Prix
coureurs, resp. uit Schotland en Ierland - en een Engelsman, Bill Smith,
besloot Honda om vertrouwen in een zesendertig jarige coureur te hebben,
Dick Mann, die reeds vijftien keer deelgenomen had aan de race van
Daytona. In 1970 startte er ook wat de coureurs betreft een nieuwe fase.
De A.M.A. en de F.I.M. (Federation Internationale de Motocyclisme)
kwamen overeen, dat zij onderling rijders zouden gaan uitwisselen. Dit
was tot 1970 door bepaalde reglementen aan beide zijden niet mogelijk
geweest. Een van de eerste coureurs die van deze mogelijkheid gebruik
maakte, was de wereldkampioen van 1969 in de 250 cc, Kel(vin) Carruthers,
die met zijn hele familie de oceaan overstak om in Amerika wat dollars
te gaan verdienen met racen. De Engelse fabrieken probeerden ook om het
verloren terrein goed te maken, door met vernieuwd materiaal aan de 200
Mijlen mee te doen. De nieuwe regelverandering werkte ook ten het gunste
van het Britse BSA en Triumph. Gedistribueerd, in de V.S., door ‘Birmingham
Small Arms Company’, dachten deze twee merken alle noodzakelijke
ingrediënten terug te hebben om een nieuwe winnaar te krijgen. Eerst
bouwden zij, een beperkt aantal, volledige nieuwe racemachines die op
hun nieuwe 3-cilinder 750cc wegfiets was gebaseerd, in een rode (BSA) en
in een blauwe versie (Triumph). In het BSA-team zaten Jim Rice en David
Aldana. Voor de zekerheid overtuigde BSA Mike Hailwood om zijn rentree
te maken en er eveneens één te berijden. De Engelsman Hailwood, was
een vroegere wereldkampioen en door velen gezien als de beste
motorfietscoureur aller tijden. Ook de Australische topper, Jack Findlay
(1935-2007), was aanwezig, maar hij zou na acht ronden zijn Yamaha al
aan de kant zetten. Triumph contracteerde Gary Nixon, Gene
Romero en Don Castro als officiële berijders, plus Percy Tait van de
Triumph-fabriek in Engeland. Harley, van zijn kant, had weinig tegenover
dit geweld te stellen. Bij de kwalificatie, was het Gene Romero, die
succesvol op jacht was geweest naar de pole-position. Hij werd gevolgd
door Mike Hailwood en Gary Nixon en Hondarijder Dick Mann stond vierde.
Verdedigend Daytona kampioen, Cal Rayborn, stond pas op de 21ste positie
met zijn Harley.

 |
|
1970
Start van de Daytona 200, met op de eerste rij v.r.n.l., volgens
startopstelling: pole voor Gene Romero (#3), Mike Halwood (#50),
Gary Nixon (#9), Dick Mann (#2) en Kel Carruthers (#75). Op de
tweede rij o.a. met # 81: Don Castro. |
|
©
Don Emde Productions |
Toen de 200 mijl van start ging, toonde Dick Mann de
menigte van 29.000 toeschouwers aan dat hij veel paardenkrachten tot zijn
beschikking had. Mann leidde de meute de eerste ronde, maar vlak op zijn
staart zaten Gary Nixon, Mike Hailwood, Kel Carruthers, Cal Rayborn
(verrassend) en Ron Grant. Deze groep bleef samen in het vroege stadium
van de race, vaak wisselend van plaats. De eerste van de leiders die
uitviel met motorproblemen was Hailwood.
Zijn nieuwe driecilinder BSA
raakte oververhit en dit euvel zorgde er voor dat Hailwood in ronde
acht,
langs de kant kwam te staan, met een defecte zuiger. Na de tiende doorkomst
plaatste Ron Grant zijn 500cc Suzuki aan de leiding. Na een paar ronden
begon hij een
redelijk afstand tussen zichzelf en Gary Nixon te creëren.
In de 25ste ronde, kwam Cal Rayborn
naar de pits met een verbrande klep, waardoor zijn
derde overwinning op rij, letterlijk en figuurlijk, in rook opging. Na
ook het uitvallen van Gary Nixon en Ron Grant, was het de veteraan Dick
Mann die na vijftien jaar van tegenspoed, op de eerste plaats van de 200
Mijlen van Daytona terecht kwam, op de enige fabrieks-Honda die nog in
de baan was. Hij werd op enige afstand gevolgd door Gene Romero. Tegen het einde van de race, moest Mann zijn tempo
flink laten zakken, aangezien zijn machine kuren begon te vertonen. Gene
Romero, die zich na een slippertje in de eerste ronde, flink naar voren
had gestreden tot de tweede plaats, kreeg uit de Triumph-pits een seintje om
de jacht op Dick Mann te openen. Hij liep dan ook flink in op de kopman,
maar kwam aan de finish toch nog 10 seconden te kort. Don Castro, een
jonge coureur uit Californië, werd derde op een fabrieks Triumph.
|

|
|
|
Dick Mann aan
de leiding
|
1970,
Dick Mann (#2) krijgt de zwart-wit geblokte vlag voor zijn
overwinning.
|
|

|
|
 |
|
Victory
Lane in 1970: Gene Romero (2e), Dick Mann (1e) en Don Castro
(3e) |
©
Don Emde Productions (zwart-wit) |
|
UITSLAG
(alleen eerste 20) DAYTONA 200 1970 |
|
 |
| |
Rijder |
Land |
Merk |
| 1 |
Dick
Mann (foto boven) |
USA |
Honda |
| 2 |
Gene Romero |
USA |
Triumph |
| 3 |
Don
Castro |
USA |
Triumph |
| 4 |
Yvon
Duhamel |
Canada |
Yamaha |
| 5 |
Geoff
Perry |
Nieuw-Zeeland |
Suzuki |
| 6 |
Walt
Fulton III |
USA |
Harley-Davidson |
| 7 |
Ginger
Molloy |
Nieuw-Zeeland |
Kawasaki |
| 8 |
Buddy
Elmore |
USA |
Triumph |
| 9 |
Royal
Sherbet |
USA |
Kawasaki |
| 10 |
Dusty
Coppage |
USA |
Yamaha |
| 11 |
Al
Gaskill |
USA |
Yamaha |
| 12 |
Dave
Aldana |
USA |
BSA |
| 13 |
Larry
Stone |
USA |
Kawasaki |
| 14 |
Rick
Deane |
USA |
Yamaha |
| 15 |
Mert
Lawwill |
USA |
Harley-Davidson |
| 16 |
Robert
Bulmer |
USA |
Yamaha |
| 17 |
Leonard
Fortune |
USA |
Triumph |
| 18 |
Larry
Darr |
USA |
Harley-Davidson |
| 19 |
Keith
Mashburn |
USA |
Yamaha |
| 20 |
Ken
Molyneux |
Canada |
Yamaha |
1971

|
|
1971:
"line up"
|
 |
 |
| 1971
BSA fabrieksteam: v.l.n.r. Don Emde, Mike Hailwood, Dick Mann,
David Aldana en Jim Rice (4 Amerikanen en 1 Brit). |
1971 Triumph
fabrieksteam: v.l.n.r. Gene Romero, Don Castro, Tom Rockwood, Gary Nixon
en Paul Smart (4 Amerikanen en 1 Brit).
|
 |
|
1971
BSA fabrieksteam: Jim Rice (#2),
David Aldana (#3), Dick Mann (#4), Mike Hailwood (#20), Don Emde
(#25). Op de achtergrond het Harley-team. |
 |
|
1971
Start o.a.
Jim Rice (#2), Don Emde (#25), Gary Nixon (#10), Mark Brelsford (#7),
Don Castro (#5), Cal Rayborn (#14), Gary Fisher (#110) en
trainingssnelste Paul
Smart (#12). |
©
Don Emde Productions (zwart-wit foto's) |
1971
Regerend A.M.A. "number One", Gene Romero in actie in
Daytona.
|
 |
|
1971 Triumph
fabrieksteam: v.l.n.r. Gene Romero, Don Castro, Tom Rockwood, Gary Nixon
en Paul Smart
|
|
|
1971:
Don Emde op de BSA, die Mike Hailwood in 1970 had bereden.
|
|
|
Don
Emde voor Roger Reiman (3-voudig Daytona winnaar) 3e en 4e in
1971
|
In de wedstrijd van 1971, moest het merendeel van de favorieten
vele grote technische problemen zien te overwinnen en na het uitvallen
van Hailwood, Grant, Smart en Fisher, was het nogmaals Dick Mann, dit
keer met een fabrieks-BSA, die als eerste eindigde. Deze
overwinning in 1971 betekende het eind van de Britse overmacht. Vanaf
het volgende jaar zou Yamaha, met te beginnen Don Emde, de zoon van de
winnaar van 1948 Floyd Emde, een lange reeks volledig onbetwistbare
overwinningen boeken. 1971 bracht de grootste fabrieksteaminvasie ooit in
Daytona. Alle merken, behalve Honda de titelverdediger, waren aanwezig
met een fabrieksteam. De ‘Birmingham Small Arms Company’ (BSA &
Triumph) bracht al hun potentieel aan de start. De Daytona 200 race, was
voor de verkoopcijfers voor een motorfabrikant zeer belangrijk
geworden. Voor BSA was dit het vorige seizoen wel bewezen, daarom
wilde/verwachtte het bedrijf grote resultaten van zijn BSA-
en Triumphteams. Mike Hailwood was opnieuw aanwezig aan het stuur van
een BSA Rocket 3, zijn con-collega en landgenoot, op een
fabrieks-Triumph was Paul Smart. De Amerikaanse teams van BSA bestonden
uit Dick Mann, Dave Aldana, Jim Rice en Don Emde op BSA, terwijl Gene
Romero, Gary Nixon, Don Castro en Tom Rockwood de Triumph’s zouden
berijden. Vanwege een regelwijziging in 1971, werd met ingang van dit
jaar de kwalificatie voor de race, verreden op het raceparcours in
plaats van op het 2.5 mijlsovaal. De vorige jaargangen hadden de
kwalificaties op een ander circuit plaatsgevonden dan waar de
daadwerkelijke race op werd verreden. De snelste kwalificatie tijd ging
naar Paul Smart (zwager Barry Sheene) op zijn nieuwe Triumph. Vlak
achter hem kwamen twee Harley-coureurs, Rayborn en Mark Brelsford*.
Vierde snelste was Don Emde, gevolgd door Mike Hailwood. Ieder van de
vijf hoogst gekwalificeerde met meer dan 169 km/u. Toen de vlag
viel, ging het grote veld van rijders van start, met op de eerste
plaats, “rookie” Gary Fisher uit Pennsylvania op zijn privé-Honda.
Dicht erachter waren het Hailwood, Jody Nicholas, Roger Reiman, Cal
Rayborn, Gene Romero, Dick Mann, Paul Smart en Jim Rice.
|
|
Rusty Bradley
† 1971
|
|
|
De volgende groep erachter bestond uit Don Emde, de Texaan Rusty
Bradley (1949-1971), Kel Carruthers en Don Castro. Op het moment dat het
veld afremt voor de eerste bocht, slaat het noodlot toe. Bradley, de
veelbelovende “rookie” in Daytona, rijdt achterop Carruthers en
valt. Kel Carruthers kan de race vervolgen, maar Bradley was niet zo
gelukkig. Zijn val met een snelheid van boven de 160 km/u, midden in het
veld, resulteerde in fataal hersenletsel. Rusty’s dood, de eerste in
Daytona in de 200-mijlsrace sinds 1953, was een groot verlies voor de
motorsport, evenals voor zijn familie en vrienden. Hij had de Daytona
100 mijlsrace voor amateurs in 1970 gewonnen en was reeds in dienst van
de Kawasakifabriek
getreden. Bradley zou zeker een kandidaat voor de winst in Daytona de
komende jaren zijn geweest... Gary Fisher’s leiding in de
race duurde slechts een paar doorkomsten, totdat zijn Honda het begaf
door een gebroken ketting. Terwijl de race verder ging, brak de kopgroep in
twee groepen uiteen. Aan de leiding gingen Hailwood, Smart, Rayborn en
Mann. Een paar seconden erachter kwamen Nicholas, Carruthers, Emde,
Romero, Reiman en Gary Nixon. Hailwoods stijl had men in 1964 reeds
bewonderd, maar toen Paul Smart de spectaculaire "kniebuitenboordstijl"
etaleerde was het publiek laaiend enthousiast. Zulke mannen moest men
meer aan het werk kunnen zien. Ze voerden gezamenlijk een prachtige show
op, op de hielen gezeten door Dick Mann, die op een veilige afstand
toekeek hoe de twee Engelsen het publiek amuseerden. Na een kwart van de
race was de stand in de race: Smart, Hailwood, Mann en Gene Romero. Bij
het ingaan van de vijftiende ronde, viel, voor het tweede jaar op een rij,
Mike Hailwood uit, dit keer met een verbrande klep. Mann kwam nu
langszij Paul Smart aan de kop van het veld. De twee bleven dicht bij
elkaar tot de 42ste ronde, toen Smart, net als Hailwood, uitviel met
klepproblemen.
 |
 |
 |
|
1971:
De Engelse teammaats bij de BSA fabriek, Paul Smart (l) &
Mike Hailwood in gesprek, en.........
|
....de
Engelsen Paul Smart (12) & Mike Hailwood in gevecht op de
baan
|
Gary
Fischer (110), Cal Rayborn (14), Roger Reiman (78), Mark
Brelsford (7), Jim Rice (2), Mike Hailwood (20) en Gene Romero
(1)
|
Dick Mann nam de controle van de
wedstrijd over en reed naar de overwinning voor Romero, die de race als
tweede beëindigde, net als het vorige jaar en wederom achter Mann. Don
Emde eindigde als derde op zijn BSA, hij was de enige andere rijder,
buiten Romero, die in dezelfde ronde als Mann zou eindigen.
Dit
was ook de tijd dat ik (ondergetekende) persoonlijk interesse in de motorsport kreeg en
dit kwam vooral door een boekje dat ik las over Daytona 197 3, waar
prachtige foto's instonden. Helaas ben ik dit boekje door de jaren
kwijtgeraakt. Vanaf 1973, zouden steeds meer Europeanen de overstap naar
de Verenigde Staten maken om deel te nemen aan deze historische races.
Onder hen ook vele
Nederlanders. Dit zou een jaar of tien duren waarna de Europeanen Daytona
weer links zouden laten liggen. De jaren van 1973 t/m midden jaren 80
vind ik dan ook de mooiste en op die races zal ik wat dieper
ingaan. Het was ook de tijd dat honderdduizenden motorliefhebbers
niet alleen naar Daytona kwamen om te paraderen over de boulevards en
stranden met hun kleurig uitgedoste en verbouwde motoren, maar men ook
voor de races kwam. Vandaag de dag is het paraderen belangrijker
geworden dan de races. En er komen altijd nog zo'n 500.000 mensen naar
Daytona tijdens de Daytona Internationale Speedway. Daytona is nog
steeds een magisch woord in de motorwereld, echter heeft het niet meer
de magie die het zo'n 20 jaar geleden had. Het was in het verleden een
spektakel dat in de motorwereld zijn gelijke niet kende. In motorkringen
gold dan ook niet voor niets: "Daytona zien en dan
sterven".


|
UITSLAG
(alleen eerste 20) DAYTONA 200 1971 |
| |
Rijder |
Land |
Merk |
| 1 |
Dick
Mann |
USA |
BSA |
| 2 |
Gene Romero |
USA |
Triumph |
| 3 |
Don
Emde |
USA |
BSA |
| 4 |
Roger
Reiman |
USA |
Harley-Davidson |
| 5 |
Jim
Odom |
USA |
Yamaha |
| 6 |
Chuck
Palmgren |
USA |
Yamaha |
| 7 |
Jess
Thomas |
USA |
Triumph |
| 8 |
Tom
Rockwood |
USA |
Triumph |
| 9 |
Dave
Smith |
USA |
Kawasaki |
| 10 |
Kel
Carruthers |
Australië |
Yamaha |
| 11 |
Frank
Camillieri |
USA |
Yamaha |
| 12 |
Martin
Carney |
Engeland |
Yamaha |
| 13 |
James
Dunn |
USA |
Yamaha |
| 14 |
Fred
Guttner |
West-Duitsland |
Yamaha |
| 15 |
Cliff
Carr |
USA |
Kawasaki |
| 16 |
Don
Castro |
USA |
Triumph |
| 17 |
Bill
Manley |
USA |
BSA |
| 18 |
Dave
Aldana |
USA |
BSA |
| 19 |
Rick
Deane |
USA |
Yamaha |
| 20 |
Ron
Widman |
USA |
Harley-Davidson |
 |
|
1971
Mike Hailwood op zijn BSA |
1971
was het jaar dat er voor het laatst een niet Japanse machine won op
Daytona. 1971 was ook de laatste race van Warren Sherwood uit Cornwall,
New York in Daytona. Hij deed tweeëntwintig maal mee aan de 200 mijls race tussen
1950 en 1971. Totaal had hij in die jaren 3187 mijl (5128 km.) gereden en is daarmee degene die de meeste afstand heeft afgelegd op de circuits
in Daytona. Hij reed alle wedstrijden op een BSA en eindigde vijf keer
in de top-10 waarvan één keer als vierde in 1961.
|
Mark Brelsford |
|
* Mark
Brelsford werd geboren op 14 april 1949 in Yosemite National Park in Californië. Zijn ouders werkten beiden bij dit
park. Zijn vader was een
ski-instructeur. Mark was de oudste van zeven kinderen. Hij woonde tot
zijn zesde jaar in het park, waarna zijn familie verhuisde naar San
Francisco.
|
|
Mark
Brelsford met Don Emde
|
|
Copyright:
Don Emde
|
Brelsford
begon, net als zijn grote voorbeeld Dick Mann, met motorrijden tijdens
zijn ochtendkrantenwijk, toen hij 14 was. Brelsford nam een baan bij een
lokale motorfietshandel, om maar met zijn grote liefde, motoren, bezig
te zijn. Hij leerde om aan motoren te sleutelen en begon met een andere
werknemer van de winkel een beetje te racen. Als amateur-racer deed
Brelsford het erg goed, maar hij vond het racen erg zwaar toen hij
professional werd. Hij dacht eraan om wat anders te gaan doen, was ook
erg licht (50 kilo) voor het zware werk, maar hij kreeg weer moed toen
een vriend, die hij regelmatig versloeg op de circuits, zijn eerste race bij de profs won. In 1968, rijdend als prof
in de Junior races, werd Brelsford bevriend met de drievoudig nationaal
kampioen Bart Markel. Hij logeerde enige tijd bij Markel tijdens het
raceseizoen, en ontmoette daar de Harley-Davidson fabriekstoppers, Cal
Rayborn, Mert Lawwill en Chris Draayer. Mark zat elke nacht op hun
motorfietsen en keek hoe zij reden, vroeg ze het hemd van het lijf en
leerde heel veel van hen. Aan het einde van het 1968 seizoen, was
Brelsford de topper bij de junioren en Harley-Davidson’s racemanager
van 1957 tot 1983, Dick O'Brien (1921-2003), benaderde hem met de vraag
of hij voor het H-D team wilde rijden. Brelsford greep deze kans
uiteraard met beide handen aan en maakte een indrukwekkend debuut bij zijn eerste A.M.A. Grand National door
tweede te worden in Houston. Ondanks diverse blessures dat jaar, die hem
een paar races deden missen, draaide hij een prima rookieseizoen. Hij
stond vier maal op het podium, inclusief winst in Ascot
Park in Gardena, Californië. Hij beëindigde 1969 op een prima
achtste plaats in de eindstand. Brelsford, was nu een volwaardige
fabriekscoureur, die zich in de dirttrack races wel had bewezen, maar
nog nooit aan een wegracewedstrijd had deelgenomen. Plots vond Brelsford
zich terug op een wegracer van de H-D fabriek
in de Internationale Speedway van Daytona. "Ze vertelden me
om de baan op te gaan en Cal (Rayborn) te volgen," herinnert
Brelsford zich. Rayborn was uiteraard de beste wegracer in die tijd en
ik had geen idee wat ik deed. Het was een mooie, maar verpletterende
ervaring. Ik reed de nacht voor de 200 de shorttrackrace en beëindigde
deze naast de baan en brak mijn pols en enkel. Ik lag die nacht in het
ziekenhuis denkend hoe gelukkig ik was dat ik niet in de 200 hoefde te
starten de volgende dag!" Brelsford toonde zich echter een snelle leerling,
toen zijn blessures waren genezen, in 1970, en met veel instructies van
Rayborn, reed hij zijn eerste wegrace en eindigde direct op het podium
(derde) in Loudon, New Hampshire. In 1971, wint hij zijn eerste wegrace,
eveneens in Loudon, in een klassiek laatste ronde duel met de welbekende
Kel Carruthers. In 1972, greep Mark Brelsford de macht, door het
kampioenschap te winnen. Hij won drie races en eindigde totaal acht keer
op het podium. De "Number
One" titel was een feit. Het was geen gemakkelijk verdiende
titel met twee nieuwe rookies, genaamd Gary Scott en Kenny Roberts, en
de gevestigde sterren zoals Dick Mann, Bart Markel, Roger Reiman, Jim
Rice en al die andere grote rijders in die tijd.
 |
|
De
1972er, winnende XR-750cc dirttrack Harley, van Mark
|
In
1973 kwam Mark terug om zijn titel te verdedigen, maar toen gebeurde
het vreselijke ongeluk in Daytona. Van de motorfiets van rijder Larry
Darr
was de motor opgeblazen en deze reed zeer rustig rond het circuit op
weg naar de pits. Brelsford zat op hoge snelheid vlak achter twee
andere coureurs, toen zij
de met een hoge snelheid te nemen binnenbaanknik naderden. De twee
rijders
zagen Darr op het laatste ogenblik en konden net een aanrijding
voorkomen door opzij te gaan. Brelsford kon op dat moment dat zij
van richting veranderden geen kant meer op. Hij had geen tijd
meer om de langzaam rijdende motor te ontwijken. In de daarop
volgende aanrijding brak Mark beide benen, verbrijzelde zijn hand en
pols en liep talrijke andere verwondingen op. Brelsford werd zo
gedwongen om de rest van het seizoen aan zich voorbij te laten gaan.
De naam Brelsford werd dat jaar hoog gehouden door Mark’s jongere
broer, Scott, die de “AMA Rookie of the
Year Award” won
in 1973. Een andere broer, Kirk, zou ook nog enige tijd racen. De
schade aan de hand van Brelsford gaf de meeste problemen, hij moest
drie keer aan de hand geopereerd worden in 1973. Toen hij, in 1974,
terugkeerde op de circuits, was zijn hand nog niet helemaal in orde.
Alles bij elkaar zou hij in totaal zeven operaties aan dit ledemaat
moeten ondergaan.
In
juni 1974 raakte Mark wederom zwaar gewond tijdens een zware crash in
Columbus, Ohio. Wederom waren beide benen gebroken! In het
ziekenhuis stierf Mark bijna door een bloedstolsel en na nog een
operatie aan zijn hand, besloot Brelsford, in het ziekenhuis, te
stoppen met racen. Brelsford herinnert zich zijn gevoel nog
goed. "Ik werd die tijd erg vermoeid van de ziekenhuizen. Ik
ontwaakte uit de zoveelste narcose en ik dacht, 'ik ga niet meer
racen'. Ik hield inmiddels van de wildernis en had Alaska ontdekt.
Ik riep 's morgens Dick O'Brien bij me en zei, 'Dick, ik stop ermee
en verhuis naar Alaska'. Zo verdween Brelsford
uit de racerij. Zijn moeder had het grootste deel van zijn
race-inkomen in onroerend goed geïnvesteerd, in San Francisco. Dit
bleek een uitstekende investering te zijn geweest, zodat
Mark financieel onafhankelijk was en genoeg geld had om e en
tijd naar Alaska te gaan. Hij raakte daar betrokken in onroerend
goed en ging er nooit meer weg. Tijdens zijn korte racecarrière van
zes jaar zal Mark Brelsford, buiten zijn zeven gewonnen A.M.A.
races, voor altijd herinnerd worden door zijn brandende crash, die
hij in Daytona 1973 heeft gehad, rijdend op hoge snelheid door de
speedway binnenbaan. Zijn Harley wegracer barstte uiteen in een bal
van vlammen met Brelsford nog aan boord. Dat effect en de
reusachtige vuurbal werden gefotografeerd. De beruchte foto werd
misschien wel de best verkopende motorfietsaffiche aller
tijden.
|
1972 Grand National Series
|
Mark in
1972 op zijn Harley
|
|
|
|
Type
race
|
Plaats |
Winnaar
|
Machine
|
|
TT
|
Houston, Texas
|
John Hateley, Van Nuys, Californië
|
Triumph
|
|
Short Track
|
Houston,
Texas
|
Kenny Roberts, Woodside,
Californië
|
Yamaha
|
|
Wegrace
|
Daytona Beach, Florida
|
Don Emde, San Diego,
Californië
|
Yamaha
|
|
Wegrace
|
Braselton, Georgia
|
Yvon Duhamel, LaSalle,
Quebec,
Canada
|
Kawasaki
|
|
Mijl
|
Colorado Springs, Colorado
|
Jim Rice, Palo Alto,
Californië
|
BSA
|
|
TT
|
Gardena,
Californië
|
Mark Brelsford, Woodside,
Californië
|
Harley-Davidson
|
|
Mijl
|
San Jose,
Californië
|
Jim Rice, Palo Alto,
Californië
|
BSA
|
|
Halve-mijl
|
Louisville, Kentucky
|
Mark Brelsford, Woodside,
Californië
|
Harley-Davidson
|
|
Wegrace
|
Loudon, New Hampshire
|
Gary Fisher, Parkersburg, Pennsylvania
|
Yamaha
|
|
Wegrace
|
Indianapolis, Indiana
|
Cal Rayborn, Spring Valley,
Californië
|
Harley-Davidson
|
|
Halve-mijl
|
Columbus, Ohio
|
Mert Lawwill, San Francisco,
Californië
|
Harley-Davidson
|
|
Halve-mijl
|
San Jose,
Californië
|
Gene Romero, San Luis
Obispo,
Californië
|
Triumph
|
|
Halve-mijl
|
Salem, Oregon
|
Mark Brelsford, Woodside,
Californië
|
Harley-Davidson
|
|
TT
|
Castle Rock, Washington
|
Gary Scott, Baldwin Park,
Californië
|
Triumph
|
|
Wegrace
|
Monterey,
Californië
|
Cal Rayborn, Spring Valley,
Californië
|
Harley-Davidson
|
|
Halve-mijl
|
Long Island, New Jersey
|
Chuck Palmgren, Freehold, New
Jersey
|
Yamaha
|
|
Mijl
|
Chicago, Illinois
|
Dick Mann, Richmond,
Californië
|
BSA
|
|
TT
|
Peoria,
Illinois
|
Dick Mann, Richmond,
Californië
|
BSA
|
|
Short Track
|
Hinsdale,
Illinois
|
Mike Gerald, Baton Rouge, Louisiana
|
OSS
|
|
Mijl
|
Indianapolis, Indiana
|
Chuck Palmgren, Freehold, New
Jersey
|
Yamaha
|
|
Wegrace
|
Talladega, Alabama
|
Yvon Duhamel, LaSalle,
Quebec, Canada
|
Kawasaki
|
|
Mijl
|
Atlanta, Georgia
|
Dave Sehl, Waterdown,
Ontario,
Canada
|
Harley-Davidson
|
|
Halve-mijl
|
Gardena,
Californië
|
Gary Scott, Baldwin Park,
Californië
|
Triumph
|
|
Wegrace
|
Ontario,
Californië
|
Paul Smart, Engeland
|
Kawasaki
|
|
1972
Grand National Standings (Eindstand A.M.A. kampioenschap)
|
|
Positie
|
Naam/Plaats
|
Punten
|
|
1
|
Mark
Brelsford, Woodside, Californië
|
1483
|
|
2
|
Gary
Scott, Baldwin Park, Californië
|
1105
|
|
3
|
Gene
Romero, San Luis Obispo, Californië
|
877
|
|
4
|
Kenny
Roberts, Woodside, Californië
|
871
|
|
5
|
Chuck
Palmgren, Freehold, New Jersey
|
841
|
|
6
|
Dick
Mann, Richmond, Californië
|
776
|
|
6
|
Jim
Rice, Palo Alto, Californië
|
776
|
|
8
|
Mert
Lawwill, San Francisco, Californië
|
765
|
|
9
|
Cal
Rayborn, Spring Valley, Californië
|
660
|
|
10
|
Dave
Sehl, Waterdown, Ontario, Canada
|
629
|
|
1972
- 1973: De Overheersing van Yamaha begint


|
|
1972 Yamaha fabrieksteam voor de
Daytona 200: Kel Carruthers (#73), Kenny Roberts (#60), Pat
Evans (#21, 'novice'-race), Keith Mashburn (#19), Jim Odom (#18)
en Howard Lynggard (#7, juniorrace). |
 Nadat de Amerikanen eenmaal kennis gemaakt
hadden met de
grote mannen van het "Continental Grand Prix Circus", gingen ook
de bestuurders
van de A.M.A.
en de Engelse motorsportbond, de A.C.U., om de tafel zitten om tot een normalisering van de
reglementen te komen. Slechts drie dagen hadden de gedelegeerden nodig
om tot een sluitend geheel te komen. Men besloot
de wedstrijden in
Europa te verrijden onder de titel Formula 750 en in Amerika onder de
type-aanduiding Daytonarace. A.M.A. en A.C.U. stelden een reglement op
en legden dit aan de F.I.M. voor, welke tijdens het congres van eind
1971 de door beide bonden ontwikkelde formule accepteerde. De F750 was
geboren. Zowel in Amerika als in Europa werd onder dezelfde reglementen
gereden. Met ingang van 1972 werden alle kampioenswegraces in Amerika
verreden met de nieuwe reglementen in de hand. Tijdens die 31e editie
van de 200 Mijler kwam de grote ommekeer in de 200 mijlsrace, die in
1937 voor het eerst van start ging op een nogal slordige zandbaan. Grote
namen als die van Paul Smart, Geof Perry, Phil Read en Peter Williams
prijkten vet gedrukt op de reclamezuilen en in de programma's. Het waren
die mannen, die het moesten gaan maken met de echte fabrieksfietsen.
Maar toch konden ook zij niet verhinderen, dat in de training Art Bauman
met de supergetunede watergekoelde 750cc Suzuki het ronderecord brak en
dit op 110.363 mijl/uur (bijna 180 km/u) stelde. Op de rechte stukken
kwam Bauman met de Suzuki tot een topsnelheid van ca. 273 km/h. Maar
juist in deze race zou blijken dat pure snelheid niet altijd de
overwinning brengt. De supermachines van Kawasaki en Suzuki, die
fabelachtige vermogens aan boord hadden, bleken onvoldoende betrouwbaar
en vielen al vroeg in de race met machinepech uit. De grote verrassing
schuilde in de zoon van Floyd Emde (winnaar van 1948), Don Emde. Na het
uitvallen van de grote kanonnen, waren het deze Don Emde en Ray
Hempstead die wiel aan wiel om elke centimeter vochten. Uiteindelijk was
het de 25-jarige Don die zijn zelfgeprepareerde 350cc Yamaha juist
enkele centimeters voor Hempstead over de streep wist te brengen met een
racegemiddelde van 166.199 km/u. Een 350cc machine had de zware
750cc-ers ver achter gelaten en was zegevierend over de streep gekomen.
Achter Emde werden nog twee van deze machines afgevlagd, voordat Phil
Read de eerste echte 750-er op de vierde plaats binnen bracht.
 |
 |
| 1972
Suzuki fabrieksteam: v.l.n.r. Ron Grant (#61), Art Baumann
(#30) en Jody Nicholas (#58), vielen alle drie uit dat jaar. |
1972 Kawasaki
fabrieksteam: v.l.n.r. Yvon Duhamel (#17), Gary Nixon (#9) en Paul Smart
(#8), haalden ook alle drie de finish niet.
|
©
Don Emde Productions |
|
|
1972 Yvon
Duhamel
|
 |
|
Jody Nicholas
|
|
|
| Phil
Read |
|
| Gary
Fisher |
In de
200 mijls race in 1972, zijn het niet de paardenkrachten die gewonnen
hebben. Niet de spierkracht, maar de souplesse overwon. Een kleine Yamaha
heeft de grote Suzuki's en Kawasaki's verslagen. Suzuki, Honda, Kawasaki,
Norton met hun 750cc machines, allen werden verslagen door een 350cc Yamaha.
Het was een David tegen Goliath gevecht geweest. Suzuki had voor de Daytona
200 hele snelle en krachtige machines ontworpen. Ze waren vastbesloten om de
race dit keer naar zich toe te trekken. De hele winter was een armada van
monteurs bezig geweest om een krachtbron te ontwikkelen die de 165 kilo
ware watergekoelde Suzuki
naar een topsnelheid van boven de 270 km/u moest jagen. Voor minder dan de
overwinning was men niet naar Daytona gekomen. Ook
Kawasaki had de afgelopen winter niet stil gezeten. Deze twee machines,
verwachtte bijna iedereen, zouden samen uit gaan maken wie er met de trofee
naar Japan terugkeerde. Niemand twijfelde er aan dat er voor het eerst een
Japanse motor de race der races zou winnen. Na in de periode van 1970-1971, heel veel geld
gespendeerd te hebben, was de droom over voor de Birmingham Small Arms
Company, oftewel BSA. Op de rand van de financiële afgrond in Engeland, kon
het bedrijf zich het “carte blanche" raceprogramma niet meer
veroorloven en moesten alle fabriekscoureurs, behalve Dick Mann en Gene
Romero op zoek naar een andere sponsor/werkgever. BSA rijders Aldana en Emde,
plus de Triumphcoureurs Castro, Nixon en Rockwood gingen op zoek naar een
ander team c.q. sponsor. Een team dat helemaal niet in Daytona zou zijn, was
het Harley-Davidson team. Zij waren in een definitieve
ontwikkelingsstadium met de nieuwe XR750 motor, maar die was nog niet concurrerend voor de Daytona 200, zij verwachtten pas later klaar te zijn.
De tweevoudige winnaar Cal Rayborn zou de race van dit jaar
dus niet aan de start verschijnen. Het Amerikaanse John Player
tabaksbedrijf, sponsorde het Britse team Norton in Daytona, en die kwamen
met Britse coureurs aan de start, Phil Read en Peter Williams. Yamaha had
een volledig nieuwe machine, die speciaal voor Daytona was ontwikkeld, een
350cc tweecilinder. Zij hadden een fabrieksteam aangesteld met Kel
Carruthers, Jim Odom, Keith Mashburn en “rookie” Kenny Roberts.
Daarnaast waren er een aantal privé Yamaha's ingeschreven, met één
gesponsord door het grote Amerikaanse motorsportblad: Motorcycle Weekly”.
Don Emde, ontslagen door BSA, was gevraagd om de machine van het Team MCW
voor 1972 te berijden.
 |
|
Dave Smith (3e)
|
 |
|
Art
Baumann |
|
|
Geoff
Perry
|
 |
| Don
Emde |
|
©
Motorcycle Hall of Fame Museum
|
|
|
Eric Offenstadt
voor Cliff Carr. |
|
|
|
1972,
Gene Romero voor Gary Nixon. |
Deze
Yamaha werd getuned en mede gesponsord door Mel Dinesen (1913-2006, zie
foto's onder Don Emde story), een Yamaha-dealer uit Bakersfield,
Californië die Don Emde had gesponsord in de wegrace in 1969 en 1970.
Tijdens de Speedweek, waren de snelheden van de nieuwe 750cc Suzuki en
Kawasaki precies wat was verwacht, met beide merken die valsnelheden
draaiden van meer dan 274 kilometer per uur, de hoogste snelheden ooit
gemeten op het Daytona-circuit. Terwijl hun machines wat snelheid betreft
onklopbaar waren, hadden de Suzuki’s en Kawasaki’s toch grote
problemen. De paarden- en G-krachten rukten het rubber binnen een paar
ronden van hun banden. Bij de kwalificatie was Suzuki, zoals verwacht het
snelste. Art Baumann plaatste een nieuw kwalificatierecord van 177.57 km/u
gevolgd door Nicholas in 174.82. Geoff Perry was de grote
verrassing toen hij zijn Suzuki 500cc tweecilinder met 172.98 kwalificeerde op de derde plek. Toen de vlag bij het begin van
de race viel, ging Baumann er van tussen en leidde de eerste negen
doorkomsten, op korte afstand gevolgd door Yvon "Superfrog" Duhamel op een Kawasaki. In
de negende ronde viel Art Baumann uit met mechanische problemen en DuHamel
nam de kop over. Yvon, die in 1968 tweede was geworden op een 350cc Yamaha,
leek te vliegen en leidde de race op zijn nieuwe 750cc Kawasaki tot hij in
ronde 15 een pitsstop maakte. Met DuHamel in de pits, plaatste Jody Nicholas
zijn fabrieks Suzuki aan de leiding en trok een flinke afstand tot de
achtervolgers. Hij reed een superrace en had een overvloed aan
paardekrachten. Het was een onverslaanbare combinatie op dat punt in de
strijd. Jammer genoeg voor Nicholas, werkten de pk’s die hem aan de
leiding hadden geholpen nu tegen hem. In ronde 27 liep het loopvlak van
zijn achterband en hij was uit
de race. Op dit punt in de wedstrijd,
werd de officiële racevolgorde noteren een zeer moeilijke klus. Dit
was toe te schrijven aan het aantal uitvallers en de vele onverwachte en ongeplande pitsstops. Vele coureurs hadden zich
naar voren gewerkt en kwamen in aanmerking voor de overwinning. De stand in
ronde 27 was Gary Fisher op de eerste plaats, Dave Smith in tweede, Ray
Hempstead in derde met Don Emde en Phil Read als aan een touwtje in gevecht
voor de vierde plaats. Fisher, die in 1971 de race had geleid, totdat zijn
motor het begaf, nam de leiding over toen de band van Nicholas het ook
begaf. Na slechts één doorkomst aan de kop van het veld in 1972, was hij
opnieuw uit de race, dit keer met een gescheurde benzinetank. Nu werd het
een race tussen Norton-rijder Phil Read, Ray Hempstead en de rijders Dave
Smith uit Californië en Don Emde.
Laatstgenoemde trio op privé Yamaha’s.
Phil Read werd de nieuwe
koploper toen Fisher
uitviel. Op dat moment waren de Yamaha’s
van Hempstead, Emde en Smith binnengeweest voor benzine te tanken en lagen
achter Read in de race, tot hij in ronde nummer 33 ook naar binnen moest.
Read had wat problemen met zijn
stop en verloor ongeveer dertig seconden. Toen de tankstops van de leiders
allemaal gedaan waren, lagen Hempstead en Emde één en twee met Smith en
Read op drie en vier. Hempstead leidde van ronde 34 tot 42, dan ging Emde hem met
behulp van Dick Mann (foto links met #1), die de hele race in en uit de pits was geweest met
problemen, voorbij. Mann kwam uit de pitsstraat en Emde maakte hiervan
gebruik, daar Hempstead hierdoor wat problemen ondervond. Hempstead pakte
Don Emde in ronde 47 weer terug, maar een ronde later nam Emde de kop
voorgoed over en ging voor de winst, ondanks de last die hij had van een
blessure opgelopen tijdens een flinke val in de trainingen.
Emde reed een gemiddelde van
166.30 km/u over de 200-mijlen om daarbij een aantal records te
breken in Daytona. De winst was de eerste voor Yamaha, met de 350cc motor
tevens de lichtste motor die ooit won en de eerste tweecilinderwinst.
Aangezien Don’s vader, Floyd, de race (op het strand) in 1948 had
gewonnen, was hij ook de eerste vader en zoon die de race hadden
gewonnen. Emde won $13.000 voor zijn inspanningen voor een recordmenigte
van 49.000 toeschouwers. Door de vele problemen, die waren ontstaan
door de enorme toename van pk's de laatste jaren, besloot de organisatie om
een chicane aan het circuit toe te voegen ingaande 1973.
Don
Emde werd geboren in een echte motorrijdersfamilie, zoals al eerder op de site
vermeld, op 16 Februari 1951, in San Diego, Californië, als zoon van Floyd en Florence
Emde. Als opgroeiend kind, hing Don veel rond in de motorfietszaak van de
familie in National City, Californië. Toen hij ouder werd, zou hij veel tijd in
de winkel doorbrengen, met allerlei klusjes doen. In de raceweekends, ging Don
met zijn oudere broer Bob, mee tijdens diens korte racecarrière, om te helpen.
Later deed de jongste broer David, hetzelfde voor Don, meereizen en helpen.
David begon later ook een racecarrière. Don Emde begon eerst aan
motorcrossraces deel te nemen met een kleine 80cc Suzuki motorfiets. Hij boekte
snel progressie en won zeer regelmatig zijn races en al snel zette hij de
eerste stappen in de dirttrack en daarna in de wegrace. Hij werd spoedig een van
de beste racers van Californië eind jaren ’60. In zijn rookieseizoen, 1970,
had Emde direct al veel succes in de wegraceklassen. Hij pakte zijn eerste
podium bij de A.M.A., als derde, bij de wegrace in Loudon, New Hampshire. Later
dat seizoen, in de klasse 250cc, in Talladega, won hij zijn eerste race bij de
profs, na een hard gevecht met de toppers Gary Nixon en Cal Rayborn. Eind 1970
tekende Don Emde, voor het seizoen 1971, een fabriekscontract bij BSA, waar zijn
prima prestaties in 1970 niet onopgemerkt waren gebleven. Met pijn in zijn hart
verliet hij zijn toenmalig sponsor, Mel Dinesen, maar hij kon deze kans niet
laten lopen. De gecombineerde BSA/Triumph fabriek schreven flink in voor de
Daytona 200 van 1971. BSA bracht een topteam in de baan, Mike Hailwood, Dick
Mann, David Aldana, Jim Rice en Don Emde en het Triumphteam bestond uit Gene
Romero, Don Castro, Tom Rockwood, Gary Nixon en Paul Smart. Don Emde werd
verrassend derde tijdens zijn debuut op Daytona, achter Dick Mann en Gene Romero.
Hij betrad dat jaar nog twee maal het podium dat seizoen, in de A.M.A.
competitie (Kent, Washington en Talladega, Alabama), maar eindigde buiten de
eerste tien in het “Grand National” kampioenschap van de A.M.A., dit door de
slechte resultaten in de dirttrackwedstrijden. Dit was niet het terrein voor Don
en hier werden wel de meeste wedstrijden in het kampioenschap op verreden. Begin van het seizoen 1972 ging BSA bijna failliet
en moest flink reorganiseren en Emde was een van de slachtoffers van de
bezuinigingen. Emde moest dus zonder fabriekssteun verder en wat dit betekende
kun je hierboven in het verslag van de Daytona 200 van 1972 lezen. De winst in
Daytona betekende de mooiste in Don Emde zijn carrière. Het was vanaf zijn
kinderjaren zijn droom geweest en nu had hij het volbracht. Na het winnen van de
200, kreeg Emde met veel pech te maken in zijn raceloopbaan. Hij reisde naar
Europa om in Engeland aan de Transatlantische Races deel te nemen, tussen
Engeland en Amerika, maar had weinig succes. Hij reed ook een internationale
race in Italië, maar viel uit met mechanische problemen. De rest van het 1972
seizoen bracht hem geen prijzen en na het als zevende finishen, op een Suzuki,
in de Daytona 200 in 1973, trok Don Emde zich terug uit de actieve racerij. Na
zijn racecarrière bleef Emde in het familiebedrijf werkzaam
en werd ook manager voor Bell-Helmets.
Middenjaren '80, werd Emde uitgever van het blad “Motorcycle
Dealer News”. Hij lanceerde ook een tijdschrift genaamd “Motorcycle
Collector“. En als hobby dook hij in de wereld van historische
motorfietsen. Hij verwierf tevens een grote verzameling van memorabilia en
historische racefoto's.

In 1990 werd Don Emde
auteur en bracht het boek "The Daytona 200, The History Of America's
Premier Motocycle Race" uit, waar ik toestemming voor heb gekregen, van
Don, om foto’s voor mijn site uit te gebruiken. In 2003 brengt hij een tweede
editie uit en waarschijnlijk midden 2008 een derde.
Don en zijn vrouw, Tracy, leven in Zuidelijk
Californië. Ze hebben twee kinderen, een zoon, Jeff, en een dochter, Jennifer.
 |

|
1969,
Don Emde op zijn 100cc Hodaka machine met de Yamaha 250cc TD1C rechts;
en de Yamaha 350cc TR2 links. Op de achtergrond Mel Dinesen's truck. |
|

|
Don
Emde's sponsor en tuner in 1969 & 1970, Mel Dinesen. De man die Don
wederom een Yamaha gaf, nadat deze bij BSA aan de kant was gezet. De
door Mel geprepareerde Yamaha was de winnende machine in 1972 van de
Daytona 200. Mel stierf een natuurlijke dood op 93 jarige leeftijd, d.d.
04-06-2006. |
| Don Emde (in de midden) genietend van
een ijskoude Coke en van de complimenten van Cal Rayborn (3e in de
race) na Don’s winst in de klasse 250cc in Talladega, in 1970, Mel
Dinesen, achter Don rechts. Floyd Emde, Don’s vader staat links achter
Don, terwijl Yamaha tuner Art Barda Gary Nixon troost.
|
Mel diende in de Marine vóór en
tijdens De tweede wereldoorlog en je kon zijn militaire discipline
terugvinden in zijn stijl van werken, alles volgens dezelfde procedure
en perfectie nastrevend. Mel was motordealer in Bakersfield, Californië
van 1950 tot 1980. Dinesen zou talrijke dirttrack coureurs sponsoren,
alvorens hij als tuner in de wegrace zou stappen, met Ron Pierce als
jonge rijder. Ron won talrijke races met Mel's Yamaha's, en die leverden
hem een fabriekscontract bij Yamaha op. Dat moment opende de deur voor
Don Emde. 1969 was zijn eerste jaar op de machines van Dinesen en het
duurde niet lang voor dingen op zijn plaats gingen vallen en Don,
diverse races en kampioenschappen won op de motoren van Mel.
|
| ©
Don Emde |
 |
 |
 |
 |
|
1972 Yamaha fabrieksteam voor de
Daytona 200: Kel Carruthers (#73), Kenny Roberts (#60), Pat
Evans (#21, 'novice'-race), Keith Mashburn (#19), Jim Odom (#18)
en Howard Lynggard (#7, juniorrace). |
Pat Evans
(28-april 1955 - 6 april 1977) maakte hier in 1972 op
zestien jarige leeftijd zijn debuut in Daytona, op een
fabrieksmachine van Yamaha. Nog niet voor het grootste
evenement, de Daytona 200, maar in de 76-miles novicerace,
voor "beginnelingen". Evans was een van de grootste
Amerikaanse talenten in die tijd, maar helaas kwam een paar
weken na de Daytona 200 van 1977, om het
leven na de F750cc 200 race op Imola, na een crash in de 1e manche. Hij
had diverse verwondingen aan zijn hoofd en borst en zou drie
dagen later in het zieknhuis overlijden. Na deze race
verloor Amerika nog een van zijn jonge talenten. Randy Cleek (27
juli 1955 - 03 april 1977) kwam na dezelfde F750cc race op Imola om het
leven, samen met 2 vrienden, tijdens een kettingbotsing op weg naar
zijn hotel. |
|
UITSLAG
(alleen eerste 30) DAYTONA 200 1972
|
|
|
| |
Rijder |
Land |
Merk |
Aantal
ronden |
Trainingstijd |
| 1 |
Don Emde |
USA |
Yamaha |
53 |
21e |
| 2 |
Ray Hempstead |
USA |
Yamaha |
53 |
18e |
| 3 |
Dave Smith |
USA |
Yamaha |
53 |
17e |
| 4 |
Phil Read |
Engeland |
Norton |
53 |
22e |
| 5 |
Fred Guttner |
West-Duitsland |
Yamaha |
53 |
 |
| 6 |
Eddie Mulder |
USA |
Triumph |
52 |
| 7 |
Jim Odom |
USA |
Yamaha |
52 |
| 8 |
Mike Ninci |
USA |
BSA |
52 |
| 9 |
Duane McDaniels |
USA |
Yamaha |
52 |
| 10 |
James Dunn |
USA |
Yamaha |
52 |
| 11 |
Mark Williams |
USA |
Yamaha |
52 |
| 12 |
George Kerker |
USA |
Honda |
52 |
| 13 |
James Allen |
Canada |
Yamaha |
52 |
| 14 |
Geoff Perry |
Nieuw-Zeeland |
Suzuki |
51 |
3e |
| 15 |
Mike Lane |
USA |
Yamaha |
51 |
|
| 16 |
Keith Mashburn |
USA |
Yamaha |
51 |
|
| 17 |
Larry Darr |
USA |
Harley-Davidson |
51 |
|
| 18 |
Conrad Urbanowski |
USA |
Yamaha |
51 |
|
| 19 |
Don Twigg |
USA |
BMW |
49 |
|
| 20 |
Doug Libby |
USA |
Yamaha |
49 |
|
| 21 |
Jess Thomas |
USA |
Yamaha |
49 |
|
| 22 |
Dick Mann |
USA |
BSA |
47 |
|
| 23 |
Tom Rockwood |
USA |
Triumph |
47 |
|
| 24 |
Roger Reiman |
USA |
Honda |
45 |
|
| 25 |
Gene Romero |
USA |
Triumph |
45 |
|
| 26 |
Edward Salley |
USA |
Yamaha |
45 |
|
| 27 |
John Samways |
USA |
Kawasaki |
44 |
|
| 28 |
Gary Scott |
USA |
Kawasaki |
43 |
|
| 29 |
Michael Meyer |
USA |
Honda |
43 |
|
| 30 |
R.G. Wakefield |
USA |
Kawasaki |
43 |
|
|
UITSLAG
250cc 1972 |
|
|
| |
Rijder |
Merk |
|
| 1 |
Dave Smith |
Yamaha |
|
| 2 |
Kenny Roberts |
Yamaha |
|
| 3 |
Robert Winters |
Yamaha |
|
| 4 |
Ray Hempstead |
Yamaha |
|
| 5 |
Ron Pierce |
Yamaha |
|
| 6 |
Marty Lund |
Yamaha |
|
| 7 |
Jean Lysight |
Yamaha |
|
| 8 |
Harry Cone |
Yamaha |
|
| 9 |
Fred Guttner |
Yamaha |
|
| 10 |
Jerry Christopher |
Yamaha |
|
| 11 |
James Odom |
Yamaha |
|
| 12 |
Robert Pepper |
Yamaha |
|
| 13 |
Duane McDaniels |
Yamaha |
|
| 14 |
Jerry Greene |
Yamaha |
|
| 15 |
Bruce Schoemaker |
Yamaha |
|
| 16 |
James Metrando |
Yamaha |
|
| 17 |
Gary McGoron |
Yamaha |
|
| 18 |
Ken Molyneux |
Yamaha |
|
| 19 |
Robert Sharp |
Yamaha |
|
| 20 |
Paul Higgins |
Yamaha |
|

 |
|
1972,
de eerste drie in de 250cc
klasse: Kenny Roberts, Dave Smith & Robert Winters. |
 |
|
1972
winnaar Don Emde met links vader Floyd Emde (winnaar van 1948). |
|
Fabrieksteam van Harley Davidson in 1972. |
 |
 |
 |
 |
|
Mert
Lawwill |
Mark Brelsford |
Dave
Sehl |
 |
|
Paul Smart |
|
|
 |
|
Cliff
Carr |
 |
|
Yvon
Duhamel |
|
 |
 |
 |
 |
|
Jack
Findlay |
Christian Bourgeois |
Mark Williams |
Frank
Gillepsie |
 |
 |
 |
 |
|
Gary
Nixon met miss & Buddy Elmore (#81) |
Ron
Grant |
Gary Nixon |
| |
Met dank aan Brian
Kostwinder |
|
1973

 |
|
Daytona 200 1973, Don
Castro achter Yamahateammaat Gary Fisher. |
|
|
1973:
Voor het bepalen van je startpositie werden de coureurs één
voor één "losgelaten", men reed eerst een warm-up
ronde en daarna
één
ronde volgas voor je starttijd.
Op bovenstaande foto staan
Jim Dunn (75), Jan Kostwinder en Renzo Pasolini op hun beurt te
wachten. Pasolini zou 2 maanden later (20 mei 1973) om het leven
komen, tijdens de Italiaanse GP op Monza, samen met de Fin en
winnaar van Daytona 1973, Jarno Saarinen. |
 |
|
Kawasaki
toppers Gary Nixon & Art Baumann op kop in het begin van de race. |
Tot de victorie van Don Emde waren het steeds de Amerikaanse en Engelse
merken geweest die de lauweren oogstten, uitgezonderd in 1970, toen Dick
Mann met Honda als eerste finishte. Drie keer werd Indian winnaar,
zestien zeges gingen naar rijders met een Harley-Davidson, vijf zeges
waren voor Norton, twee voor BSA, terwijl het derde Britse merk, Triumph,
drie keer zegevierde Maar in 1972 was het duidelijk: zware viertakten
moesten het loodje leggen tegen de veel zuinigere, handelbaardere en
lichtere Yamaha-tweetakten. Toen Jarno Saarinen gevraagd werd naar
zijn kansen tussen het geweld van al die zware kanonnen, met zijn veel
kleinere 350cc machine, zei hij: "Onze fiets doet in snelheid voor
die grote karren niet veel onder, dus moet het mogelijk zijn bij de
eersten te eindigen. Voorts is het zo dat we bepaald in het voordeel
zijn wat het gebruik betreft. De grote machines zullen minstens twee
keer naar de pits moeten om bij te tanken, terwijl wij met de TZ 350
slechts éénmaal moeten tanken, want de race heeft een lengte van
ongeveer 300 km en een Grand Prix race van 160 km lengte rijden we
gemakkelijk op één tank benzine. Verder is zo'n 350 veel lichter, dus
zal ik veel minder snel vermoeid zijn dan mijn collega's met de zware
machines. Enige tijd later bleek dat de redenatie van Jarno juist was
geweest, want geen ander dan hij werd na tweehonderd mijl als eerste
door de vlag gestopt. Weer waren de grote fabrieksmachines vroegtijdig
achter de pits gerold, toen de motoren verdere dienst weigerden. Weer
was het de
veel kleinere Yamaha, die de race had gemaakt en gewonnen. Voor het eerst in de
geschiedenis van de 200 Mijl had een niet-Amerikaan gewonnen en scoorde Yamaha
een fantastisch resultaat door met zes machines bij de eerste tien te finishen.
Jarno Saarinen was de eerste Europese coureur die een topprestatie neerzette
door de vele Amerikaanse rijders te verslaan. Hij eindigde op de eerste plaats
aan het stuur van een 350cc Yamaha voor Kel Carruthers (Australië), die de
machine van Saarinen had geprepareerd. Kel Carruthers die de 250cc categorie
over 100 mijlen in 1970 en 1971 op zijn naam had gebracht en later als
teammanager en race-ingenieur van Kenny Roberts grote successen zou vieren.
Vanaf 1974 in het AMA kampioenschap en vanaf 1978 in de Grand Prix. Kel zou tot
1995 actief blijven in de Grand-Prix racerij als manager bij diverse andere
coureurs, daarna zou hij het rustiger aan gaan doen in de racerij in
Amerika. Carruthers had overigens voor de 1973-er Daytona ook vier 250cc
Yamaha's geprepareerd voor de 100 mijls race. Dit zou eveneens de Daytona 200
een hattrick voor Yamaha opleveren. De race werd gewonnen door Gary Fisher.
 |
s
t
a
r
t
|

|
| 1973:
Suzuki blauw en Kawasaki groen op de eerste startlijn voor het
vertrek van de 200 mijlen: Paul Smart (8), Art Baumann (30),
Geoff Perry (65), Gary Nixon (9), Ron Grant (61). Tweede rij:
Kenny Roberts (80) en Ron Pierce (97).
Van de eerste
rij zou er geen finishen!
|
|
O.a. Yvon Duhamel
(17), Jarno Saarinen (10), Don Castro (11), Mark Brelsford (1) Kel
Carruthers (37), Yutaka Oda (111) Paul Smart (8).
|
|
|
Paul
Smart |
|
|
Kawasaki
toppers Yvon Duhamel & Art Baumann
|
|
|
Jarno
Saarinen & Teuvo Länsivuori. |
De 200 van 1973 was een krachtmeting tussen de fabrieken
Kawasaki, Suzuki en Yamaha. Alle drie de merken kwamen in Daytona aan met de
noodzakelijk componenten om te winnen. Kawasaki had nu Art Baumann, Yvon DuHamel,
Cliff Carr, Gary Nixon, Hurley Wilvert en Masahiro Wada uit Japan in dienst.
Suzuki had Ron Grant, Paul Smart, Geoff Perry en de verdedigende kampioen Don
Emde. Kawasaki en Suzuki dachten dat met de hoge snelheden die zij in 1972 op
het prachtige Daytonacircuit hadden bereikt, gekoppeld aan betere banden in
1973, de winst gepakt kon worden. Yamaha deed een gooi naar prolongatie van de
titel met hun betere brandstofgebruik en minder bandenslijtage ten opzichte van
de concurrentie. Dit gecombineerd met motorfietsen die snellere bochten konden
“lopen” in het binnengedeelte van de baan. Men had voor meer zekerheid ook
nog waterkoeling aan de motoren toegevoegd. Een toeschouwersmenigte van 61.200
enthousiasten kwam om getuige te zijn van wat een grote krachtmeting beloofde te
worden. Na de kwalificatie, leek het alsof de race nog maar twee kandidaten
overhad voor de titelslag. Suzuki en Kawasaki deelden de eerste zeven posities
bij de start, met Paul Smart, die voor de derde keer in zijn carrière, de
snelste tijd had gepakt en dus van pole-position mocht vertrekken op zijn Suzuki.
Toen de vlag viel, leek het zelfs nog maar een één
merkrace. De Kawasaki’s van Duhamel, Baumann en Nixon “spoten” weg van de
rest van het veld. Nixon keek, vanuit derde positie, rustig toe terwijl Yvon
Duhamel en Art Baumann de leiding afwisselend in handen hadden gedurende de
eerste ronden. Dan gebeurt er voor Kawasaki
een klein rampje, in de negende ronde liggen de twee leiders beiden naast hun groene
machines. Dit gebeurde toen zij
waarschijnlijk met een gladde plek op de baan in aanraking kwamen en beiden de
controle over hun machines verloren. De volgende ronde gebeurde er een
spectaculaire crash in het binnengedeelte van de baan. Mark Brelsford, de nieuwe
nationale kampioen van de A.M.A., kwam met Larry Darr, een andere
Harley-Davidsonrijder in botsing, bij de snelle draai. Gelijktijdig scheurde de
tank van glasvezel van Brelsford zijn machine en de uitlaatpijpen werden van de
cilinders losgescheurd. De rondspuitende brandstof en de open uitlaatpoorten
resulteerden in een spectaculaire brand en de machine van Brelsford werd totaal
vernietigd en brandde uit. Mark Brelsford liep tijdens de valpartij diverse
verwondingen op, die hem voor het grootste deel van het seizoen uitschakelden.
|
 |
|
1973
beide Harley coureurs overleefden de vlammenzee, Mark Brelsford
(1) en Larry Darr. Darr reed langzaam over het circuit en
Brelsford zag hem niet. Hij reed op hem in en zijn machine
vlatte vlam. |
Met Duhamel en Baumann uit de strijd, bevond Gary Nixon zich
aan de leiding. De winnaar van 1967 had stevig de controle over de race en
leidde tien rondes alvorens zijn Kawasaki, met mechanische problemen, naar de
kant moest. Geoff Perry, kon nu bewijzen dat hij kon winnen. Hij nam de kop over
toen Nixon uitviel, maar slechts één ronde later viel ook hij uit met
ontstekingsproblemen. Droevig genoeg, zou Geoff Perry geen andere kans meer
krijgen om in Daytona te winnen. Hij kwam later dat jaar om het leven toen een
Boeing 747 lijnvliegtuig, waar hij als passagier in zat, neerstortte in de
Pacific Ocean op weg naar Los Angeles. Hij verdween samen met alle passagiers
aan boord in de diepte van de oceaan…….
Terug naar de race van 1973,
de nieuwe (vierde) leider was nu Gary Fisher op een Yamaha die de race vijf
doorkomsten op kop doorkwam, totdat hij moest gaan tanken. Hij kwam de race, na
zijn tankstop binnen op een tweede plaats, maar een gebroken krukas wierp hem
in de 30ste ronde uit de strijd. Ron Grant was de volgende koploper
op zijn Suzuki, maar ook hij moest de strijd opgeven toen de ontsteking van
zijn Suzuki het begaf in de 31ste ronde. Hetzelfde probleem hadden
zijn teammaten, Paul Smart en Geoff Perry, al eerder ondervonden en
uitgeschakeld.
 |
|
Phil Read op
zijn Norton |
De leiding ging nu naar een Yamaha. Wereldkampioen Jarno
Saarinen uit Finland nam de kop in ronde nummer 32 over en reed de laatste
twintig ronden alleen naar de overwinning. Kel Carruthers, zelf een vroegere
250cc wereldkampioen, lag op de tweede plaats en de jonge Jim Evans beëindigde
als derde, in zijn rookiejaar, de Daytona 200. De overwinning van Saarinen betekende het tweede jaar in een
rij dat Yamaha de eerste drie posities zou grijpen. Van de tien fabrieks Suzuki’s
en Kawasaki’s die de race begonnen, was Suzuki coureur Don Emde de enige die
nog bij de finish in het zadel zat. Door het aanbrengen van de chicane, waren de
gemiddelde snelheden van de race iets langzamer dan in voorgaande jaren. Het
gemiddelde van Jarno Saarinen voor de race was 157.96 km/u tegen 166.31 km/u in
1972 door Don Emde. Tragisch genoeg zou evenals Geoff Perry, Jarno Saarinen ook
niet de kans krijgen om Daytona nogmaals te winnen. Hij stierf ook later dat
jaar, tijdens de Italiaanse Grand Prix op Monza, na een crash die ook het leven
kostte aan de Italiaanse ster Renzo Pasolini. Niet minder dan zes Yamaha's
werden er uiteindelijk, aan de finish, bij de eerste tien geteld. De eerste
echte 750cc machine was de uit 1972 daterende Daytona Triumph driepitter van
Dick Mann op een vierde plaats. De 39-jarige veteraan, die in 1970 de titel
binnenhaalde voor Honda en in 1971 de hoogste eer opeiste voor Triumph/BSA. Wat
heeft Yamaha wat wij niet hebben vroegen alle andere fabrieken, Honda, Kawasaki,
Suzuki, Triumph, Norton en Harley-Davidson zich zeer waarschijnlijk af. Was het
de waterkoeling? De perfecte handelbaarheid? Het geringe gewicht of het geringe
brandstofgebruik, die maar één pitsstop noodzakelijk maakte? Was het de
zesversnellingsbak of toch de rijders? Wie het vijfsmans sterke
Yamahafabrieksteam bezig had gezien met de 350cc (348 om precies te zijn) Yamaha,
wist het antwoord voor een groot deel. Kel Carruthers, de Australische veteraan,
met zijn gouden handen. De rijdertechnicus die verantwoordelijk was voor het
prepareren van de machines. De 350cc Yamaha's waren al drie maanden voor Daytona
in Amerika aangekomen en Kel had dus alle tijd gehad om ze op en top te
prepareren. De 35 jarige ex-wereldkampioen 250cc (1969 op een Benelli) had de
72-73 pk's uit het blok getoverd en dit stak toch wel schril af tegen de 100 pk
van de 750cc motoren van de ander Japanse grootmachten. Het bleek echter weer
genoeg om de winst op Daytona te pakken en Yamaha zou dat zeker weer gaan merken
aan de verkoopcijfers van 1973.
|
|
|
Geoff
Perry (#65) voor Jarno Saarinen (#10), kwamen beiden om het
leven in 1973, de eerste door een vliegtuigongeluk en de tweede
op een Imola tijdens een race.
|
|
|
|
|
|
|
Suzuki
snelvulsysteem
|
De
350cc Yamaha van Jarno Saarinen, Gary Fisher & Kel Carruthers.
|
De
350cc Yamaha's van Jarno Saarinen, Gary Fisher & Kel Carruthers.
|
|
 |
|
|
|
Cliff
Carr
|
1973: Franse
toppers Olivier Chevallier en Michel Rougerie. Beiden zouden om het
leven komen tijdens een Grand Prix.
|
Carruthers
|
Suzuki
pitsbox
|
De tankinhoud was volgens het A.M.A. reglement gebonden aan
de maximum inhoud van 23.5 liter. Voor de zuinige Yamaha's was dit meer
dan voldoende om maar één tankstop te hoeven maken. Ook voldoende voor
de ietwat economische viertakten onder de 750cc machines, maar de 750cc
driecilinder tweetakten van Suzuki en Kawasaki kwamen er zwaar aan te
kort en moesten twee maal tanken, ook al gebeurde dit met speciale
snelvulsystemen uit de luchtvaart, in circa vijf seconden.
 |

|

|
| Jarno
Saarinen (10) voor Gary Fisher (21) en Ron Pierce |
|
Jarno
Saarinen (10) als winnaar van Daytona 200 in 1973, naast Kel
Carruthers (2e). |
 |
|
 |
|
Saarinen op weg naar de overwinning
|
Jim
Evans (47) pakte de derde plaats in 1973 achter Saarinen
en Carruthers.
|
Saarinen als winnaar van Daytona 200 in 1973, naast Kel
Carruthers die de 350cc Yamaha van zichzelf en Saarinen had
geprepareerd..
|
 |
 |
| 1973
Kenny Roberts |
250cc Yamaha
Kenny Roberts |
 |
 |
|
De
vroegere wereldkampioen 250cc, in 1969, Kel Carruthers deed vier
maal mee aan de Daytona 200-miler; zijn beste klassering was een
tweede plaats in 1973. Na zijn racecarrière speelde hij ook een
belangrijke rol bij Yamaha als tuner en manager. Na zijn
emigratie naar de Verenigde Staten vanuit zijn geboorteland Australië,
ging Kel in de omgeving van San Diego wonen. Daar werkte hij
veel met Don Vesco (1939-2002), een snelheidsrecordhouder (Bonneville),
vroegere wegracer en Yamaha-dealer, expert in het ontwikkelen
van extra vermogen van Yamaha motoren. Kel werd later
raceteammanager bij Yamaha in de Verenigde Staten.
Kel werkte nauw samen met Kenny Roberts bij Yamaha en begeleidde
hem naar Europa om een succesvolle aanval op de Wereldtitel
500cc Grand Prix racen te doen. |
|
UITSLAG
DAYTONA 200 1973
 |
| |
Rijder |
Land |
Merk |
Aantal
ronden |
Trainingplaats |
| 1 |
Jarno
Saarinen |
Finland |
Yamaha |
52
|
12e |
| 2 |
Kel
Carruthers |
USA |
Yamaha |
52
|
18e |
| 3 |
James
Evans |
USA |
Yamaha |
52
|
Kel
Carruthers |
| 4 |
Dick
Mann |
USA |
Triumph |
52
|
| 5 |
Conrad
Urbanowski |
USA |
Yamaha |
51 |
| 6 |
Morio
Sumiya |
Japan |
Honda |
51 |
| 7 |
Don
Emde |
USA |
Suzuki |
51 |
| 8 |
Mick
Grant |
Engeland |
Yamaha |
51 |
| 9 |
Don
Castro |
USA |
Yamaha |
51 |
| 10 |
Steve
McCaughlin |
USA |
Honda |
51 |
| 11 |
Harry
Cone |
USA |
Yamaha |
51 |
| 12 |
Frank
Gillespie |
USA |
Yamaha |
51 |
| 13 |
Dave
Smith |
USA |
Yamaha |
50 |
| 14 |
Gary
Scott |
USA |
Triumph |
50 |
| 15 |
Doug
Sehl |
Canada |
Harley-Davidson |
50 |
Don
Emde (7e)
voor Guido Mandracci (49e) - 1973
|
| 16 |
Robert
Winters |
USA |
Yamaha |
50 |
| 17 |
Mert
Lawwill |
USA |
Harley-Davidson |
50 |
| 18 |
Martin
Sharpe |
Engeland |
Yamaha |
50 |
| 19 |
Andy
Lascoutx |
USA |
Yamaha |
49 |
| 20 |
George
Kerker |
USA |
Honda |
49 |
| 21 |
Buddy
Elmore |
USA |
Yamaha |
49 |
| 22 |
Bob
Bailey |
USA |
Triumph |
49 |
| 23 |
Teuvo
Länsivuori |
Finland |
Yamaha |
49 |
| 24 |
Peter
Williams |
Engeland |
Norton |
49 |
| 25 |
Robert
Wakefield |
USA |
Yamaha |
48 |
| 26 |
Bill
Manley |
USA |
Honda |
48 |
pitsstop
Gary Fisher |
| 27 |
Kurt
Leibmann |
USA |
BMW |
48 |
| 28 |
Steve
Baker |
USA |
Yamaha |
48 |
| 29 |
Tom
Schroeder |
USA |
Yamaha |
48 |
| 30 |
Tom
Rockwood |
USA |
Yamaha |
48 |
| 31 |
Ivor
Lloyd |
Canada |
Honda |
48 |
| 32 |
James
Chen |
USA |
Honda |
48 |
| 33 |
Mike
Ninci |
USA |
Yamaha |
48 |
| 34 |
Jean
Lysight |
Canada |
Yamaha |
47 |
| 35 |
Christian
Bourgeois |
Frankrijk |
Yamaha |
47 |
| 36 |
Dave
Sehl |
Canada |
Harley-Davidson |
47 |
| 37 |
Charles
Mortimer |
Engeland |
Yamaha |
46 |
| 38 |
Randy
Scott |
USA |
Yamaha |
46 |
| 39 |
Bob Ely |
USA |
Yamaha
|
45
|
| 40 |
Reggie
Chosney |
USA |
Yamaha |
45 |
| 41 |
Johnny
Rall |
USA |
Yamaha
|
44
|
|
| 42 |
Cliff
Carr |
USA |
Kawasaki |
43 |
20e |
| 43 |
Chuck
Palmgren |
USA |
Yamaha |
43 |
|
| 44 |
Bob
Bulmer |
USA |
Yamaha |
43 |
|
| 45 |
Larry
Schafer |
USA |
Harley-Davidson |
42 |
|
| 46 |
Jerry
Greene |
USA |
Yamaha |
40 |
|
| 47 |
Greg
Edmunds |
USA |
Triumph |
40 |
|
| 48 |
Rex
Butcher |
Engeland |
Kawasaki |
40 |
|
| 49 |
Guido
Mandracci |
Italië |
Suzuki |
38 |
17e |
| 50 |
Dave
Damron |
USA |
Yamaha |
37 |
|
| 51 |
Ron
Pierce |
USA |
Yamaha |
35 |
10e |
| 52 |
Renzo
Pasolini |
Italie |
Harley-Davidson |
34 |
|
| 53 |
Dave
Aldana |
USA |
Norton |
34 |
|
| 54 |
Ron
Grant |
USA |
Suzuki |
31 |
5e |
| 55 |
Cal
Rayborn |
USA |
Harley-Davidson |
31 |
11e |
| 56 |
Gene
Romero |
USA |
Triumph |
31 |
|
| 57 |
Gary
Fisher |
USA |
Yamaha |
30 |
8e |
| 58 |
Christian
Leon |
Frankrijk |
Kawasaki |
27 |
|
| 59 |
Eric
Offenstadt |
Frankrijk |
Kawasaki |
27 |
|
| 60 |
Geoff
Perry |
Nieuw-Zeeland |
Suzuki |
27 |
3e |
| 61 |
Yvon
Duhamel |
Canada |
Kawasaki |
26 |
7e |
| 62 |
Mary
Lunde |
USA |
Yamaha |
26 |
|
| 63 |
John
Cooper |
Engeland |
Norton |
25 |
|
| 64 |
Art
Baumann |
USA |
Kawasaki |
25 |
2e |
| 65 |
Paul
Smart |
USA |
Suzuki |
24 |
1e |
| 66 |
George
Roche |
USA |
BMW |
23 |
|
| 67 |
Paul
Higgins |
Canada |
Yamaha |
22 |
|
| 68 |
James
Metrando |
USA |
Yamaha |
22 |
|
| 69 |
Gary
Nixon |
USA |
Kawasaki |
21 |
4e |
| 70 |
Reg
Pridmore |
USA |
BMW |
21 |
|
| 71 |
Jeff
March |
USA |
Yamaha |
19 |
|
| 72 |
Kenny
Roberts |
USA |
Yamaha |
19 |
9e |
| 73 |
Torello
Tacchi |
USA |
Suzuki |
19 |
|
| 74 |
James
Allen |
Canada |
Suzuki |
18 |
|
| 75 |
Hurley
Wilvert |
USA |
Kawasaki |
16 |
19e |
| 76 |
Jan
Kostwinder |
Nederland |
Yamaha |
13 |
|
| 77 |
Yutaka
Oda |
Japan |
Yamaha |
11 |
16e |
| 78 |
Dan
Sorensen |
USA |
Yamaha |
11 |
|
| 79 |
Mike
Lane |
USA |
Honda |
11 |
13e |
| 80 |
Jess
Thomas |
USA |
Yamaha |
11 |
|
| 81 |
Jack
Findlay |
Australië |
Suzuki |
11 |
|
| 82 |
Ray
Knight |
Engeland |
Triumph |
10 |
|
| 83 |
Ronnie
Dottley |
USA |
Yamaha |
10 |
Kel
Carruthers (2e) voor Greg Edmunds
(47e)
©
Motorcycle
Hall of Fame Museum |
| 84 |
Larry
Darr |
USA |
Harley-Davidson |
9 |
| 85 |
Mark
Brelsford |
USA |
Harley-Davidson |
9 |
| 86 |
Steve
Delgarno |
USA |
Yamaha |
9 |
| 87 |
Jim
Dunn |
USA |
Yamaha |
9 |
| 88 |
Mike
Sponseller |
USA |
Triumph |
8 |
| 89 |
Roger
Reiman |
USA |
Honda |
7 |
| 90 |
Masahiro
Wada |
Japan |
Kawasaki |
4 |
| 91 |
Gerhard
Heukerott |
West-Duitsland |
BMW |
3 |
| 92 |
Stan
Friduss |
USA |
Suzuki |
2 |
| 93 |
David
Atherton |
USA |
Ducati |
2 |
| 94 |
Doug
Libby |
USA |
Honda |
1 |
| |
Totaal
45 finishers |
 |
|
Jarno Saarinen zelf aan het sleutelen. |
Met dank aan Brian
Kostwinder |
|
 |
|
Gary Fisher &
Larry Schafer. |
 |
|
Kel Carruthers,
Don Castro en Gary Fisher. |
 |
|
Tankstop Kenny
Roberts. |
|
 |
|
1973 Cliff Carr |
|
 |
 |
| 1973
Renzo Pasolini |
1973 Yamaha
niet echt bescheiden |
Gene
Romero
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
| Jarno
Saarinen |
Renzo
Pasolini |
Mike
Hailwood |
Jack
Findlay |
Gene
Romero |
Mark
Brelsford |
Jim
Rice |
Mert
Lawwill |
  
De
750cc Harley Davidson van Calvin Rayborn begin jaren '70.
|
UITSLAG
DAYTONA Motocross 1973 |
| |
Rijder |
Land |
Merk |
| 1 |
Pierre Karsmakers |
Nederland/USA |
Yamaha |
| 2 |
Mike Runyard |
USA |
CZ |
| 3 |
Brad Lackey |
USA |
Kawasaki |
 |
|
Het
nieuwe circuit in 1973, zoals het tot 1975 werd gebruikt. |

|
|
Deel
5, Daytona 1974-1975
HOME |
|
©opyright 2006 Gerard van der Pot. |
|