Home Jack Middelburg Guestbook GP-races Daytona Toon Kannekens Diverse

 

Daytona 200 1964 - 1969

 

Het nieuwe circuit in 1964, zoals het tot 1972 werd gebruikt.

In 1964 werd het parcours wederom verandert. De A.M.A. vond het nu verantwoord om de kombanen te gebruiken, het zogenaamde "banking". Ze vonden dat de motoren, remmen, banden en andere voorwaarden nu voldeden. Voor het eerst zouden de motoren het volledige circuit van 3.81 mijl gaan gebruiken voor de 27e editie van de 200 mijls race, op 15 maart 1964. De toeschouwers (8500) hadden de weg terug naar het circuit nog niet echt gevonden, maar degenen die er waren hadden er geen spijt van. Ze zagen de eerste helft van de race een zeer spannende strijd in een kopgroep met de verdedigende kampioen, Ralph White, Roger Reiman, Dick Hammer, George Roeder en de nieuwe ster van Triumph, Gary Nixon*. Op een gegeven ogenblik wist de laatste weg te lopen uit de groep en een voorsprong van maar liefst 27 sec. op te bouwen. Echter een lange pitsstop wierp hem uiteindelijk voorgoed terug naar een tweede plaats. De hoge snelheid had inmiddels zijn tol geëist, slechts 36 coureurs van de gestarte 96 bereikten de finish. Ook de koplopers Roeder en Hammer bevonden zich onder de uitvallers. Roger Reiman maalde hier niet om en greep zijn 2e Daytonatitel. De prijzenpot was ook inmiddels aardig opgelopen en de overwinning leverde Reiman $3.800 op uit een totale pot van $12.000. Reiman, die racede vanaf 1957, had de Daytona Classic ook al in 1961 gewonnen, was vierde in '62 en twaalfde in '63. Gary Nixon kwam op 32 seconden over de finish, voor eveneens op Harley, Tony Murguia, slechts enige seconden achter Nixon. Vierde werd de winnaar van 1963, Ralph White uit Los Angeles, voor Dick Klamfoth, Everett Brashear, Al Gunter, Ronnie Rall en Larry Schafer. Elmer Morra maakte de top-10 vol.

Het wedstrijdverloop was als volgt geweest: 1e ronde: George Roeder op kop, 2e: Mel Lacher (de snelste trainer), 3e: Gary Nixon, 4-8e: George Roeder, 10-11e:  Roger Reiman, 12e: Gary Nixon, 13-16e: George Roeder, 17-19e: Gary Nixon, 20e: George Roeder, 21-23e: Gary Nixon, 24-26e:  Roger Reiman, 26-29e: Gary Nixon, 30-100e: Roger Reiman. Reiman had de hele race bij de eerste vier gereden.

1964, Roger Reiman

* Gary Nixon zijn AMA carrière werd gekenmerkt door succes, moed en doorzettingsvermogen. Dit, en het talent van Nixon, maakte hem tot één van de populairste racers in de geschiedenis van de motorsport in Amerika. Nixon won, op een Triumph, twee jaar achter elkaar, de “Grand National Championship” in 1967 en 1968. Gary is geboren op 25 januari 1941, in Anadarko, Oklahoma, Hij blonk uit in alle sporten waaraan hij als kereltje deelnam. Hij begon op 15 jarige leeftijd, in 1956, als dragracer en een jaar later waagde hij zich voor het eerst op een dirttrack. Nixon begon met zijn professionele racecarrière in 1958 en op het “Grand National” niveau van de AMA in 1960. Hij toonde zich een grote belofte in zijn rookieseizoen, met een beste klassering, in Springfield, Illinois, van zevende. In de volgende jaren, pakte Nixon regelmatig een top-10 notering, maar het kwam als een grote verrassing voor iedereen, met inbegrip van Nixon zelf, toen hij zijn eerste AMA “national” won op 4 augustus 1963, tijdens de wegrace in Windber, Pennsylvania. De overwinning in Windber bleek geen eenmalig incident, toen hij drie weken later een shorttrack race won in Hinsdale, Illinois. Nixon eindigde dat seizoen op een zesde in de “Grand National serie”, zijn eerste keer in de top-10. Nixon pakte in de volgende drie seizoenen, een dozijn podiumplaatsen, met inbegrip van winst op de  mijlraces, shorttrack en in de wegrace. In 1966 werd Nixon tweede in de “AMA Grand National” achter Bart Markel. Het seizoen van 1967 werd het beste van zijn carrière. Hij begon het seizoen met een overwinning in de Daytona 200. Aan het eind van het seizoen had Gary Nixon een totaal van vijf overwinningen en zijn eerste nationale kampioenschap verdiend. Hij verdedigde zijn titel in 1968 en bemachtigde deze wederom, alhoewel dit pas in de laatste race beslist werd. Hij had dit seizoen af te rekenen met een sterke Harley-Davidson rijder, Fred Nix (1941-1969), deze laatste won maar liefst zes wedstrijden, tegen Gary maar twee stuks. Toch ging de titel naar Nixon met negen punten verschil. Iedereen was ervan overtuigt dat Fred Nix toch de titel wel een keer zou pakken, maar niets was minder waar, want een jaar later kwam hij tijdens een autorace om het leven. De hardheid van Nixon werd duidelijk in de  eind jaren '60 en de vroege jaren '70. Een serie zware blessures, die de meeste mensen langdurig in bed zouden houden, hielden Nixon zelfs niet van de motoren af. Hij reed zelfs drie jaar met een roestvrij stalen staaf in zijn linkerbeen, die deze “steunpilaar” samen moest houden. De verwondingen dwongen Nixon om zich hoofdzakelijk met de wegracerij bezeg te houden. Het verhinderde hem om nogmaals een Grote Nationale titel te winnen, aangezien tweederde van de races om het kampioenschap op de dirttrack- en shorttrackbanen werd verreden. Een hereniging met de legendarische tuner, Erv Kanemoto, bracht Gary veel succes in de wegraces, waar hij zich vanaf dat punt op concentreerde. Nixon vertegenwoordigde de Verenigde Staten verscheidene keren in de befaamde serie races tussen de Britten en Amerikanen, de TRANSATLANTIC (Anglo-American Match-series) races in de jaren '70. Gary Nixon hing in 1979 zijn overall aan de kapstok, hij had tijdens zijn 22 jarige carriere 19 Nationale overwinningen in het AMA-kampioenschap vergaard in meer dan 150 wedstrijden, als fabrieksrijder voor Triumph, Kawasaki, Suzuki en Yamaha.

Later zouden er nog vele races, aan het programma van de Daytona 200, toegevoegd worden, zoals een Superbike klasse, voor motoren met een grotere cylinderinhoud, Supercross, junior races, amateurraces, etc. Ook de typisch Amerikaanse specialiteiten de halve mijl en shorttrack worden verreden. Daytona verzorgt tegen die tijd een echt weekvullend en later zelfs 10-daagse voorstelling van ook motorcross die meer en meer mensen aantrekt. Het belangrijkste zal echter altijd de 200 milesrace blijven. 

William Henry Getty "Bill" France sr. werd in 1972 opgevolgd door zijn zoon, William "Bill" France jr. (1933-2007) als voorzitter van de NASCAR (ook zoon James C. (Jim) France zat in het bestuur van de NASCAR). Junior is eveneens een motor- en autoracefanaat. Senior bleef actief bezig, achter de schermen, tot zijn dood. Bill Jr. zou tot 2000 voorzitter blijven van de grootste autoracebond ter wereld, daarna droeg hij het over aan Mike Helton, nadat er bij France kanker was geconstateerd. In 2003 zorgde hij ervoor dat zoon Brian, president van de A.M.A. werd. Jr. bleef zelf wel altijd lid van de zes persoons-Nascar raad van bestuurDe familie France bleef NASCAR op deze manier “bezitten”, en heeft een controlerende functie in de exploitatie van de “International Speedway Corporation (ICS)”. De ICS is een bedrijf dat eigenaar is van de NASCAR racecircuits en het beheer daarover heeft. ISC werd opgericht door Bill France Sr., in 1953, voor de bouw van de Internationale Speedway in Daytona en in 1999 voegden zij samen met Penske Motorsports om samen het grootste motorsportbedrijf in Amerika te worden. France Jr. ging verder als voorzitter van de raad van ISC, tot zijn dood. Zijn dochter Lesa France-Kennedy is president van de ISC en lid van de raad van bestuur van NASCAR (haar man, Dr. Bruce Kennedy, overleed een maand na haar vader, op 10 juli 2007, tijdens een binnenlands vliegtuigongeluk in Sanford, Florida. Hij stortte met een privévliegtuig op twee woningen. Buiten Kennedy kwamen ook zijn piloot en 3 mensen in de huizen, onder wie 2 kinderen, om het leven). Bill France jr. overleed op 4 juni 2007 aan longkanker, waar hij al een aantal jaren aan leed, sinds de diagnose in 1999. De familie France behoort tot de rijkste families (miljardairs) van de wereld.

Circuits van de ICS
Naam Circuit Plaats, Staat Aantal plaatsen Openingsjaar
California Speedway Fontana, Californie 92.000 1997
Chicagoland Speedway Joliet, Illionois 75.000 2001
Darlington Raceway Darlington, South-Carolina 63.000 1950
Daytona International Speedway Daytona Beach, Florida 168.000 1959
Homestead-Miami Speedway Homestead, Florida 65.000 1995
Kansas Speedway Kansas City, Kansas 81.687 2001
Martinsville Speedway Ridgeway, Virginia 65.000 1947
Michigan International Speedway Brooklyn, Michigan 137.243 1968
Phoenix International Raceway Avondale, Arizona 76.812 1964
Richmond International Raceway Richmond, Virginia 107.097 1946
Route 66 Raceway Joliet, Illionois 30.000 1998
Talladega Superspeedway Talladega, Alabama 143.231 1969
Watkins Glen International Watkins Glen, New-York 41.000 1948

 

UITSLAG ( eerste 10) 

DAYTONA 200 1960

 

 

Rijder

Merk

1

Brad Andres

Harley

2

George Roeder

Harley

3

Joe Leonard

Harley

4

Tony Murguia

Harley

5

Ronald Emmick

Harley

6

Tommy Morris

Harley

7

John Tibben

Harley

8

Duane Buchanan

Harley

9

Lawrence Schafer

Harley

10

Gary Emmick

Harley

UITSLAG ( eerste 10) 

DAYTONA 200 1961

 

 

Rijder

Merk

1

Roger Reiman

Harley

2

Don Burnett

Triumph

3

George Roeder

Harley

4

Warren Sherwood

BSA

5

Bart Markel

Harley

6

Richard Clark

Triumph

7

Dick Andrea

Harley

8

Garnet Koehler

BSA

9

John Tibben

Harley

10

Bill Haast

Harley

UITSLAG ( eerste 10) 

DAYTONA 200 1962

 

 

Rijder

Merk

1

Don Burnett

Triumph

2

Dick Mann

Matchless

3

Ralph White

Harley

4

Roger Reiman

Harley

5

Sid Payne

Harley

6

Jody Nicholas

BSA

7

Dick Klamfoth

BSA

8

Garnet Koehler

BSA

9

Bart Markel

Harley

10

Larry Palmgren

Harley

UITSLAG ( eerste 10) 

DAYTONA 200 1963

 

 

Rijder

Merk

1

Ralph White

Harley

2

Larry Williamson

Triumph

3

Bill Haast

Harley

4

Larry Palmgren

Harley

5

James Varnes

BSA

6

Warren Sherwood

BSA

7

Donnell Shiflett

Harley

8

Ronnie Rall

BSA

9

Ronnie Doyle

Harley

10

John Tibben

Harley

UITSLAG ( eerste 10) 

DAYTONA 200 1964

 

 

Rijder

Merk

1

Roger Reiman

Harley

2

Gary Nixon

Triumph

3

Tony Murquia

Harley

4

Ralph White

Harley

5

Dick Klamfoth

Matchless

6

Everett Brashear

Matchless

7

Al Gunter

BSA

8

Ronnie Rall

Norton

9

Larry Schafer

Harley

10

Elmer Morra

BSA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                 

                  

 

 

winnaar 1956 John Gibson winnaar 1961, 1964 en 1965 Roger Reiman winnaar 1963 Ralph White Dick Hammer
© Motorcycle Hall of Fame Museum
wpe11.jpg (48299 bytes)

Harley-Davidson KRTT uit 1965

Harley-Davidson KR uit 1966, van Mert Lawwill

 

1965 bracht iets wat de rijders in Amerika eigenlijk nooit meemaakten, regen! En véél regen! In Europa was het heel normaal dat het regende tijdens races, maar in Amerika vlagde men direct de races af als er een paar spetters vielen en dan werd er ook echt niet meer gestart voordat het ophield met regenen en de baan weer droog was. Later zeiden ook vele coureurs, die de race in 1965 zouden rijden, dat deze wedstrijd ook beter afgelast had kunnen worden. Er vielen geen erge verwondingen te noteren na de race, maar het was wel heel slecht vertoeven op de baan. Er was totaal geen zicht. Roger Reiman kon uiteindelijk het beste met de slechte condities overweg en behaalde zijn derde overwinning voor Mert Lawwill* en George Montgomery. Hij kwam hiermee in een elitegroepje terecht, bij Brad Andres en Dick Klamfoth. 

Roger Reiman, 3x winnaar Daytona en A.M.A. Number One in 1964.

 

 

Mert Lawwill

De verwondingen van Mert Lawwill

Kenny Roberts,  Mert Lawwill en Dick Mann

* Mert Lawwill is een Amerikaanse dirttrackcoureur en wegracer, geboren op 25 September 1940 in Boise, Idaho. Hij begon zijn carrière als amateurracer op het lokale TT circuit in Boise en zijn ouders, zijn zoals de meesten, niet enthousiast over het motorrijden. De oudere broer van Mert brak het ijs, door als eerste in de familie te gaan racen. Mert wordt prof in 1963 en in 1964 tekent hij een contract bij de fabriek Harley-Davidson om dirttrack ta gaan rijden. Hij zou de rest van zijn carrière bij Harley blijven. In 1964 en 1965 eindigde Lawwill vele malen op het podium en won hij zijn eerste nationale dittrackrace bij de AMA in de Sacramento mijlsrace op 19 September 1965. De overwinning in Sacramento was de eerste van de vijftien die hij in zijn carrière zou winnen. Hiermee staat hij vijftiende op de AMA Grand National winnaarslijst aller tijden. Hij won de titel bij de Grand National, oftewel de "Number One" plaat, in 1969 en werd dat jaar ook verkozen tot de populairste rijder in de Verenigde Staten. In het begin van de jaren ’70 speelde Lawwill mee in de film "On Any Sunday" met Steve McQueen. Deze film ging over motorsport en zou in 1972 genomineerd worden voor een Oscar. In 1977, stopte hij met racen, wegens een binnen-oorprobleem, die zijn balans beïnvloedde. Hij had op dat moment in 161 AMA wedstrijden meegedaan tijdens zijn 15-jarige racecarrière. Lawwill werd na zijn motorsportloopbaan een ontwerper en bouwer van motorfietsframes en later van mountainbikes. Verder ontwikkelde hij ook protheses voor mensen met een amputatie die toch motor wilden rijden. Na zijn 2e plaats in 1965 waren zijn beste resultaten in de Daytona 200, een vierde plaats in zowel 1967 al 1969.

 

 

1966, winnaar Buddy Elmore

Het is in 1966 dat Buddy Elmore erin slaagt om met zijn Triumph op de eerste plaats te finishen. Voor de Engelse fabriek, is deze overwinning de voorlaatste van een lange reeks. Aangezien Triumph er in de laatste drie edities niet aan te pas was gekomen, wilden ze dit in 1966 goedmaken, wat dus ook lukte. De fabriek in Engeland stuurde zes speciale T100/R modellen op naar Florida, die erg snel maar ook erg onbetrouwbaar bleken te zijn in de trainingen. De fabrieksrijders Gary Nixon, Dick Hammer en Buddy Elmore ondervonden vele problemen met de machines. Het grootste probleem was uitgelopen motorlagers. Het was zo erg dat Nixon overstapte naar het "oude" model Triumph, die veel betrouwbaarder waren. Hammer en Elmore hielden wel vast aan het nieuwe type en dat zou terecht blijken te zijn. Hammer pakte de 2e trainingstijd, terwijl Elmore veel problemen in zijn kwalificatieronde ondervond. Hij verloor veel oliedruk, zodat hij niet verder kwam dan de 46e trainingstijd, ver achter de "pole position" van Cal Rayborn* op een H-D. De zaterdag voor de racedag zaten ze bij Triumph met hun handen in het haar. Er waren zoveel motoren "opgeblazen" tijdens de trainingen, dat er te weinig onderdelen waren om de motoren te reviseren. Monteur Dick Bender werkte in de nacht door aan de machine van Elmore, die in de afgelopen week 5 á 6 motoren had opgeblazen. Hij schraapte uit al de defecte motoren de onderdelen bij elkaar om de machine van Buddy toch aan de start te krijgen. Rayborn en Hammer, de trainingssnelsten gingen er samen eens goed voor zitten bij de start van de race en liepen samen weg van de rest van het veld. Erg lang duurde dit echter niet, want de Triumph van Dick Hammer blies in de zevende ronde al zijn motor wederom op. Dit gaf uiteraard een hoop onrust in de Triumphpits. Ondertussen hadden Gary Nixon, met zijn oude model Triumph, en Roger Reiman aangesloten bij Cal Rayborn. Nixon liet zijn twee concurrenten, op hun Harleys, alleen achter en leek de race naar zijn hand te zetten. Zeker toen Rayborn, in ronde 15, uitviel met een olielekkage en Reiman hem daarheen vergezelde in de 29e, met een koppelingsprobleem. Door een probleem met het scorebord, werkte Buddy Elmore zich onopgemerkt langzaam maar zeker naar de kop van het veld vanaf zijn 46e trainingsplaats en met de motor die uit bijeengeraapte onderdelen bestond. In de 22e ronde klampte hij aan bij teammaat Nixon en liet deze alleen achter. Tijdens een pitsstop in de 29e, moest hij de kop weer even afstaan aan Nixon, maar na een paar ronden kreeg hij Gary wederom te pakken en reed onbedreigd en met een soepel lopende motor naar de overwinning toe. Nixon bleef netjes zijn 2e plaats vasthouden tot in de 45e ronde zijn band lek raakte. Door zijn pitsstop viel hij terug naar een uiteindelijke 9e klassering. De Triumph van Elmore bleef het wonderwel erg goed doen en de 1e plaats was voor hem voor George Roeder en Gary Hall. De lengte van het circuit zou door de jaren nog enige keren veranderen wegens het toevoegen van een "chicane" en aanpassingen van het binnenringgedeelte.

1966: #12, Ken Ridder, winnaar 100 mijls amateurrace in Daytona, #49, tweede, Dennis Schoenfeldt. 85 coureurs deden er mee, waarvan er 21 over de finish kwamen.

 

Cal Rayborn

*Calvin (Lee) Rayborn II werd geboren op 20 februari 1940, en groeide op in San Diego. Cal Rayborn is een van de beste wegracecoureurs die Amerika ooit heeft gehad. Hij won, tijdens zijn zevenjarige professionele carrière, 11 “A.M.A. Grand nationals”. Tien van die overwinningen behaalde hij op wegracecircuits. Cal Rayborn werd ook bekend in Europa, toen hij  in 1972, meedeed, op een oude Harley-Davidson XR750, omdat de H-D fabriek niet achter zijn deelname stond, aan de populaire “Transatlantic Match Races”. Deze races werden, jaarlijks, op drie verschillende circuits in Engeland (Brands-Hatch, Mallory Park & Oulton Park) verreden, tussen de acht beste coureurs van zowel Engeland en Amerika. Deze races werden tussen 1971 en 1988 verreden. Cal wist drie van de zes races te winnen (op elk circuit één van de twee manches) en drie maal tweede te worden, in 1972, en behaalde ook de persoonlijke totaaloverwinning. Zijn teammaten dit jaar waren o.a. Don Emde en Dick Mann. Deze prestaties van Rayborn bewezen eens en te meer dat Amerikanen konden racen. Zijn prestaties waren een voorloper van het tijdperk dat er aan zat te komen, de overheersing van Amerika in het wereldkampioenschap wegrace van de recent '70 en de jaren '80. Rayborn reed zijn hele carrière Harley-Davidson. Hij begon op zijn achtste jaar al met motorrijden. Een van de eerste banen van Rayborn, was op zijn motor pakketten e.d. wegbrengen, na schooltijd en tijdens de zomer. De tiener reed zo duizenden mijlen en zo snel als het kon, omdat dat het meeste opleverde!. Eind jaren ’50 ontmoette Cal, Don Vesco (1939-2002), bij een lokale race en de twee werden goede vrienden. Zij reisden samen naar races en Vesco zou diverse “fietsen” van Rayborn tunen door de jaren heen. Rayborn reed diverse races in begin jaren ’60 en werd in 1965 prof in het “AMA Grand National Championship”. Hij werd bijgestaan door Leonard Andres, wiens zoon Brad een A.M.A. kampioen van de mid-jaren '50 was geweest. Cal toonde zijn potentieel in zijn rookieseizoen door twee podiums te pakken, een tweede plaats in Des Moines, Iowa, en een derde bij de beroemde halve-mijl van Ascot Park. In 1966, brak Rayborn door na zijn eerste AMA-race te winnen, de wegrace in Carlsbad, Californië. Velen zagen het speciale talent dat Rayborn had en vooral als wegracer. De baas van Harley-Davidson, Dick O'Brien zei dat Rayborn, samen met de legendarische Britse coureur, Mike Hailwood, de beste wegracer was die hij ooit had gezien. De beste jaren van Cal waren 1968 en 1969, hij was inmiddels lid van het fabrieksteam van Harley-Davidson en zijn befaamste overwinningen pakte hij in de Daytona 200, die hij won in ‘68 en '69. Hetgeen dat deze overwinningen extra bijzonder maakte, was het feit dat het de eerste jaren waren dat ook de Europese toppers en Japanse fabrieken de oceaan overstaken om deel te gaan nemen aan de 200. Beide jaren eindigde Cal als derde in het kampioenschap van de A.M.A., elk jaar had hij drie races gewonnen, maar hij was niet goed genoeg in de dirttrackraces, om een concurrent voor de AMA-titel te zijn. In 1970 was Harley-Davidson niet competitief meer, en Cal won voor het eerst in vijf jaar geen A.M.A. wedstrijd.

Cal Rayborn op de Zoutvlakten, in 1970, tijdens zijn recordpoging met de Harley-Davidson.

 Hij ging zich ook toeleggen, mede door zijn vriend Don Vesco, op de snelheidsrecords op de Zoutvlakten van Bonneville, Utah. Rayborn reed op een Harley-Davidson, “The Streamliner” naar een nieuw Amerikaans en wereldrecord van 427.18 km/u. De H-D streamliner woog meer dan 350 kilo en was bijna drie meter lang. Rayborn toonde zijn moed door telkens terug in de machine te stappen nadat hij diverse malen met zeer hoge snelheid crashte, alvorens hij het record vestigde en hij het record afpakte van zijn vriend Don Vesco. Zijn record bleef staan tot 1975, toen pakte Vesco het record weer terug (486.98 km/u). 

In 1971, won Rayborn slechts één nationale en in 1972 twee. Hij gaf Harley-Davidson hun allerlaatse (zoals later zou blijken) AMA Grand National wegrace victory. Dit was op 23 juli 1972 op de Laguna Seca racebaan in Monterey, Californië. Het bleek ook de laatste nationale winst van Rayborn te zijn... In 1973, werd Cal Rayborn erg duidelijk dat zijn toekomst in de wegracerij lag en dat de andere races niet echt aan hem besteed waren. Het was ook duidelijk dat Harley-Davidson steeds minder op de wegracecircuits te zoeken had, het verschil met de veel snellere Japanse machines werd veel te groot. Aan het eind van het jaar, nam Cal het voor hem verschrikkelijk moeilijke besluit om Harley-Davidson te verlaten en een aanbieding aan te nemen om voor Suzuki te gaan racen. Jammer genoeg, zou Rayborn nooit meer in Amerika op een circuit racen. In december 1973 stierf hij tijdens een clubrace, in Nieuw Zeeland, toen de van de “fiets” viel, die hij bereed, en die hem in een vangrail deed belanden. Op slechts 33 jarige leeftijd, was één van  Amerika’s grootste racetalenten er niet meer.... Jaren later, werd de zoon van Rayborn, Cal III, een bekende racer in de AMA 250cc’s  en in de Supersportseries.

1972 Harley-Davidson fabrieksteam: Mark Brelsford, Dave Sehl (Canada), Cal Rayborn, Mert Lawwill en Renzo Pasolini(Italië).

 

 

                                 

Achterblijvers George Montgomery (#83) & William Lloyd vragen zich af waar Nixon vandaan komt! 

wpe7.jpg (112042 bytes) In 1967 met een motor die bijna vijftig pk voortbrengt, beschikt Triumph die keer over een zeer snelle en ultralichte machine. Ook zijn de oliedrukproblemen, waardoor de motoren "in elkaar liepen", opgelost en wederom worden er zes machines vanuit Engeland overgebracht. Ondanks het neerzetten van de snelste tijd door Fred Nix op een Harley, was hij in de race kansloos tegen het Triumphgeweld van Gary Nixon, Dick Hammer* en Buddy Elmore. Vanaf de start was al duidelijk welk merk dit jaar de Daytona 200 zou gaan winnen, alleen nog niet welke rijder. Nixon en Hammer reden samen de eerste 100 mijl, constant stuivertje wisselend (29x!) aan de kop van het veld. De winnaar van de laatste editie, Buddy Elmore, zat rustig op de derde stek. In de 26e ronde maakt Hammer een tankstop, maar als hij de pits weer verlaat loopt zijn machine nog slechts op één cilinder. Er blijkt een doek, waarmee Dick in de pits zijn vizier had schoongemaakt, in de carburateurinlaat te zitten. Het probleem wordt snel opgelost, maar Nixon heeft inmiddels wel een voorsprong opgebouwd. In zijn haast om Gary te achterhalen komt Hammer ten val, waarbij hij een gebroken sleutelbeen oploopt. Hij weet echter wel weer op zijn machine te kruipen en met de zeer pijnlijke schouder te finishen op een 7e plaats. Met Hammer niet meer in de achtervolging, kan Gary Nixon "rustig" naar de eindstreep rijden en de tweede opeenvolgende overwinning voor Triumph te pakken en hierdoor nog eens de Harley fabriek te verslaan. Zijn teammaat Buddy Elmore, wordt op 12 seconden tweede en George Roeder weet als derde te eindigen. Maar de Britse overheersing, op het traject van Florida, is dan beëindigd. 

 

1967, winnaar Gary Nixon

 

1967 podium van de 250cc 100 mijls race voor amateurs, met drie Harley-Davidson's in Victory Lane. v.l.n.r. Ron Widman (2e), Walt Fulton Jr. (1e) en Dick Woods (3e). Rechts achter Fulton staat Dick O'Brien Harel's topingenieur. 

Duizenden zagen tevens in 1967 hoe Walt Fulton Jr. de 250cc race voor amateurs op zijn naam bracht in een nieuw recordtempo. De uit Orange County, Californië afkomstige rijder, begon zich aardig thuis te voelen in Daytona, want in 1966 had hij ook de 76 mijls race voor beginnelingen al op zijn naam gebracht. Aan zijn twee overwinningen hield hij ook een fabriekscontract bij Harley-Davidson over, want hij zou in 1968 opgenomen worden in het H-D team met o.a. de sterren Cal Rayborn, Mert Lawwill en Roger Reiman al in hun gelederen. De resultaten zou hij echter in de 200 nooit kunnen evenaren. Hij kwam vier keer aan de start, en zijn hoogste notering was een zesde in 1970. 

Walt Funton Jr. op weg naar zijn overwinning.

Ook de shorttrack race, dit jaar, werd een prooi voor H-D, hij werd gewonnen door de Amerikaanse topper op dit gebied, Ronnie Rall. 

Jerry Hollingsworth maakte het succes voor H-D compleet door de Sportsman Race op zijn naam te brengen op zijn Harley-Davidson BT.

 

 

 

 

Dick Hammer

* Dick Hammer was een van de grootste pechvogels van de Daytona 200. Hij leidde de wedstrijd in 1963, 1965 en 1966 voor hij met mechanische problemen uitviel. In 1967, kreeg hij dus een doek in de carburateurinlaat en kwam, tijdens het goedmaken van zijn tijdverlies, ten val. in 1968 was hij lid van het Suzuki-fabrieksteam, maar na een 20e trainingstijd had hij niet het idee, dat hij met de Suzuki, erg hoge ogen zou gooien. Op de race-ochtend zocht men bij de Triumph fabriek een vervangen voor de, tijdens de training, geblesseerd geraakte Engelsman Rod Gould. Hammer tekende een contract voor $500 en wisselde van machine. Dit werd toegestaan, maar hij moest dan wel achteraan het veld van start gaan. Hij werd uiteindelijk knap zevende, maar werd later alsnog gediskwalificeerd, omdat wisselen van machine niet toegestaan was. Wel won hij twee keer, de één na belangrijkste race, de 250cc, in Daytona. Het betrof de eerste twee uitvoeringen van deze 100 mijls race, in 1963 & 1964. Hij stierf op 64 jarige leeftijd, op 16 januari 2003, aan kanker in San Clemente, Californië.

 

Hammer  wint in 1963, de 250cc 100 mijls race in Daytona.

 

Hammer  wint in 1964, voor het tweede jaar op rij, de 250cc 100 mijls race in  Daytona, voor Norris Roncourt en Al Gunter. (foto onder, met Dick O'Brien, cheftuner H-D, op de achtergrond (met bril).

 

Start 1968: Fred Nix (#95), Cal Rayborn (#25), Mert Lawwill (#18), Roger Reiman (#55), Gary Nixon (#1), Dan Haaby (#22) en Bart Markel (#4).

 

Calvin Rayborn's Harley Davidson van 1968

 

1968, begin van de race, met Roger Reiman aan de leiding voor Cal Rayborn en Mert Lawwill

In '68 en '69, wint Calvin Rayborn (1940-1973, overleden na een race-ongeluk in Nieuw-Zeeland) op een Harley de wedstrijd twee keer ondanks de komst van de het Japanse tijdperk. Daytona wordt vanaf die jaren een internationaal evenement, zowel gezien de motoren, maar ook vanwege de coureurs. Vanaf 1968 zouden het niet meer alleen voornamelijk Amerikanen en een verdwaalde Canadees zijn die elkaar in de 200 mijls race zouden bestrijden. Een nieuw tijdperk in de 200 was aangebroken. Dit eerste jaar kwam vanuit Engeland, "The Prince of Speed", meervoudig wereldkampioen (7x) in de 125cc, 250cc en 500cc klasse, Phil Read. Op dat moment in 1968 was hij 2-voudig wereldkampioen in de 250cc (1964 & 1965) en hij zou in 1968 wederom deze titel pakken, evenals in de 125cc. Zijn andere titels pakte hij in de jaren 70. Verder kwamen Read's landgenoten, Rodney Gould (wereldkampioen 250cc 1970) en Peter Williams, en de Canadezen Yvon Duhamel en Mike Duff en de Japanner Mitsuo Itoh. Na jarenlang ervaring te hebben opgedaan in de Grand Prix 250cc kwamen Yamaha en Suzuki nu over de oceaan om hun expertise en geluk in de Verenigde Staten te beproeven. Echter na twee opeenvolgende nederlagen in de afgelopen 2 jaar wilde de Harleyfabriek ook wel weer eens voor een succesje gaan en men had daar hard aan gewerkt. Onder leiding van cheftuner Dick O'Brien (1921-2003) werd de KR racemachine compleet gereviseerd. Er bleef niets over van de machine zoals hij in 1967 aan de start was verschenen, zelfs het uiterlijk had een flinke metamorfose ondergaan. Ze waren gespoten in originele Harley kleuren: oranje, zwart en wit. De zitjes en stroomlijn waren ook totaal anders en in plaats van één carburateur was hij nu uitgerust met twee stuks. De Harley had ook veel testwerk ondergaan in een voor die tijd zeer "hitech" windtunnel. Er werden maar liefst zeven van deze machines ingeschreven, om te laten zien dat het de Harley-Davidson Motor Company serieus was. De machines die in 1967 een topsnelheid hadden van 217 km/u, hadden nu een top van tegen de 240 km/u! De coureurs van deze prachtige machines waren: Bart Markel (1935-2007)*, Mert Lawwill, Cal Rayborn, Dan Haaby, Roger Reiman, Fred Nix en Walt Fulton Jr. 

1968: Yvon Duhamel voor de start, hij werd dit jaar tweede in de race.

 

1968, Harley-Davidson's fabrieksteam: Bart Markel (#4), Mert Lawwill (#18), Dan Haaby (#22), Cal Rayborn (#25), Roger Reiman (#55), Fred Nix (#95) en Walt Fulton Jr.(#99).

De Triumphs hadden geen vooruitgang geboekt in snelheid sinds het jaar daarvoor, dus die waren voor de start al uit competitie. De tegenstand moest vooral gaan komen van Yamaha. De Amerikaanse Yamaha-importeur had met Phil Read en Art Baumann op de 350cc lichtgewicht machines een paar hele grote troeven in handen. Evenals de Canadese importeur met Yvon Duhamel en Mike Duff, eveneens op de 350cc machientjes. Na de start nestelden de Harley's zich direct op de kop van het veld. Het was één en al zwart en oranje vooraan in de race en de schitterende Harley's lieten er geen misverstand over ontstaan, wie er dit jaar het kampioenschap zouden beheersen. In de beginfase ging de snelste qualifier Roger Reiman aan de leiding voor Mert Lawwill. Cal Rayborn, de protégee van de super tuner Leonard Andres (vader van Brad) zat op het vinkentouw en nam al snel het heft in handen. In de derde doorkomst was het beeld als volgt: op kop de Harley van Cal Rayborn gevolgd door zijn teammaten en de Yamaha's van Read, Duhamel en Baumann. In de vijfde ronde maakte Rayborn een fout en werd bijna van zijn motor geslingerd. Het asfalt schaafde zijn motorpak open op de knie, maar hij bleef wonderwel in het zadel. Teammaat Reiman had de leiding nu in handen, maar een paar ronden later zag hij Rayborn al weer voorbij hem komen. Hierna maakte deze geen fouten meer en reed totaal onbedreigd naar de overwinning, hierbij het gehele veld, minimaal, op een ronde achterstand zettend. Roger Reiman viel uiteindelijk in de laatste fase helaas uit met een defecte oliekoeler. De Yamaha's van de zeer ervaren Yvon Duhamel en Art Baumann deden het perfect en zij kwamen respectievelijk als tweede en derde over de finish op 6.5 km. en meer achterstand. Het waren de eerste tweetaktmachines die het podium in Daytona haalden, maar Rayborn was de grote held. De racemanager van Harley, Dick O'Brien, had de Harley-Davidson machine weer tot de beste gemaakt, die er op de circuits rondreed. Jack McNairy uit Albuquerque, New Mexico, reed ook een prachtige race op zijn privé-Harley en kwam als vierde over de streep. En Phil Read? Deze reed een goede race, tot het moment van zijn pitstop. Na het tanken startte zijn Yamaha niet meer en dit kostte hem 5 ronden eer hij weer op weg kon. Toch kwam hij nog op een mooie 11e plaats over de eindstreep. Cal Rayborn had nog even een kat en muis spelletje met de, met veel bravoure aangekondigde racer gespeeld, toen hij hem een ronde achterstand bezorgde, totdat hij uit de pits een sein kreeg van wijzere teamleden van "Cool It!" en hij zijn eigen race weer ging rijden.

Harley-Davidson geweld in 1968

Dan Haaby

Bart Markel (#4) en Walt Fulton Jr.

Cal Rayborn

De racemanager van Harley Dick O'Brien, kwam in 1957 in diens bij Harley-Davidson als assistent op de race-afdeling. Drie maanden later ging de directeur van de afdeling met pensioen en nam O'Brien zijn taak over. Hij zou tot 1983, toen ook hij met pensioen ging, de leiding over de race-afdeling bij H-D houden. Hij zei altijd dat het hoogtepunt van zijn carrière was, toen Cal Rayborn als fabriekrijder de Daytona 200 won, dit was tevens de laatste keer dat een Harley-Davidson de 200 als eerste de finish in Daytona zou passeren. O'Brien zei altijd dat het werken met vooral Rayborn, van alle coureurs die ooit voor H-D reden, het beste was in zijn jaren bij de fabriek. Toen O'Brien zich terugtrok, mocht hij als geschenk een motorfiets laten bouwen. De fabriek wilde elke motor bouwen, om het even welke hij maar wilde hebben als afscheidscadeau. Hij wilde een Cal Rayborn replica. Hij stierf in 2003, op 81 jarige leeftijd.

Fred Nix

 

Bart Markel
* Bart Markel uit Flint, Michigan nam 12 maal deel aan de race in Daytona. Hij finishte de 200 in 1961 (5e), 1962 (9e) en in 1969 (6e) binnen de top-10. Op wegracegebied hoorde hij niet bij de absolute top, maar in dirttrackracen won hij maar liefst 28 nationale kampioenschapraces. Zijn 28e won hij in 1971 en dit record zou blijven staan tot in 1982 Jay Springsteen zijn 29e overwinning boekte. Bart stond bekend als een wilde rijder, die voor niemand opzij ging, dit heeft hem ook eens op een schorsing komen te staan. Hij was tijdens zijn jeugd amateurbokser en diende bij de marine, dus hier kwam wellicht zijn agressie vandaan. Hij was tevens "the Number One" van A.M.A. in 1962, 1965 en 1966. Hij stierf op 71 jarige leeftijd, op 3 februari 2007.

                                                                    Markel op het Daytonastrand in 1960

 

winnaar 1967 Gary Nixon winnaar 1968 en 1969 Cal Rayborn
Rayborn

 

1969 begin van de race, Yamahakopman Ron Pierce voor Rodney Gould, Yvon Duhamel en Cal Rayborn (25).

© Don Emde Productions

Een jaar na het succesvolle debuut van Yamaha (tweede en derde plaats) en Suzuki (twee machines bij de eerste tien) besluit ook Kawasaki zijn geluk in Amerika te gaan zoeken. De plaats bij Yamaha van Phil Read was ingenomen door Californiër Ron Pierce. Tijdens de eerste trainingen in 1969 haalt Yvon Duhamel de snelheid van 242 kilometers per uur op de ring aan het stuur van een 350cc Yamaha. Yamaha had hun huiswerk goed gedaan en de Harley's moesten het antwoord schuldig blijven. Ron Grant, op een Suzuki, wordt geklokt met 236 kilometers, terwijl de beste Harley er niet in slaagt om 232 kilometers per uur te overschrijden. Ook waren de Japanse machines allemaal uitgerust met een vijfversnellingsbak, terwijl de Amerikanen het met een vierbak moesten doen. Dit betekende een betere acceleratie voor de Japanse merken. De training liet zien dat dit inderdaad veel invloed had, want de eerste plaatsen op de startgrid werden ingenomen door de Japanse motoren, met alleen Cal Rayborn ertussen. Dit in tegenstelling tot 1968, toen alles op de voorste rijen uit het oranje/zwart van Harley bestond. De trainingssnelste toen was Roger Reiman op zijn H-D met 240 km/u, hier konden de Japanners toen niet bij in de buurt komen. Nu was het allemaal anders, de Yamaharijders, Bobby Winters, Rodney Gould, Mike Duff, David Lloyd en Ralph White klokten allemaal richting de 240 km/u. Ron Grant op zijn 500cc Suzuki, pas een week voor de Daytona 200 uit Japan aangekomen, kwam dus ook al in de buurt van de 240 km/u, zestien km/u sneller als in 1968. De Kawasaki 500 van Dick Hammer klokte 233 km/u en de grootste verrassing kwam dus van de Canadese kampioen Yvon Duhamel, die op zijn 350cc Yamaha, voor het eerst in Daytona, boven de 242 km/u kwam. Maar voor deze versie van 1969, waren de goden, en de organisatie aan de kant van de Amerikanen: door de slechte weersomstandigheden, besloot AMA om de wedstrijd uit te stellen tot de volgende week. Dit gaf Harley de tijd om de laatste paardenkrachten van de oude V-twin te vinden. Bovendien hadden ze bij Yamaha erg veel last van ernstige mechanische problemen. 

Ron Grant/Suzuki TR500

Was Rayborn in 1968 na de start nog in gezelschap van vele van zijn mede Harleyrijders, dit jaar was hij de enige aan de leiding van de race, omgeven door Yamaha en Suzuki. In de eerste 19 ronden zou er 17 keer een andere koploper zijn! Duhamel pakte het eerste prijzengeld, door de eerste doorkomst aan de leiding te gaan, gevolgd door Rayborn, Gould en de negentienjarige Ron Pierce, op een Yamaha. Gould en Rayborn passeerden Duhamel en zouden tot de tiende ronde constant stuivertje wisselen met z'n drieën, op korte afstand gevolgd door Pierce. Deze ging in de tiende ronde het trio aan de leiding in één aanval voorbij en nam de kop over. Ron Pierce (11-voudig deelnemer, met als beste prestatie een 2e plaats in 1979) reed zijn eerste 200 miler en reed enige ronden aan de leiding, totdat hij onderuit ging door een plas benzine die vlak voor hem door een valpartij, van Dave Scott en zijn Yamaha, was veroorzaakt. Nu kwam Duhamel weer als eerste door, maar werd wel al snel weer door Cal Rayborn gepasseerd. In de twintigste ronde begon de Yamaha van Yvon tekenen te vertonen van motorproblemen en hij reed de pits in. Hij zou er niet meer uitkomen, aangezien zijn motor, na controle, niet meer wilde aanslaan. Vele van de favorieten waren inmiddels al uit de strijd. De Kawasaki van Dick Hammer gaf na één ronde al de geest, door een defecte zuiger, en ook de andere Kawa van de Japanner, Takeshi Araoka, kwam al snel niet meer door. Dick Mann reed, na een slechte start, een prachtige race, maar nadat hij door problemen met een tankdop naar de pits moest, was ook zijn race ten einde. Ook de Yamaha van Ralph White deed, na een tankstop, niets meer. Don Vesco, had een zelfde soort probleem, nadat hij naar een keurige vierde plaats was opgeklommen. Men ging er van uit dat er tijdens het tanken, benzine op de cilinders was gelekt, wat veel schade en verlies van compressie met zich meebracht. Ook in het Harley kamp bleef men niet van problemen verschoond, Roger Reiman, die in de training al was gevallen, viel uit met een defecte koppeling, en Fred Nix zijn Harley liep nog slechts op één cilinder. 

102861b.jpg (94284 bytes) 102861a.jpg (94741 bytes)

Walt Fulton Jr.

Walt Fulton Jr., één van de beste wegracers van H-D reed op de langzaamste Harley een prima race, samen met teamgenoot Dan Haaby, maar deed door gebrek aan snelheid niet mee om de bovenste plaatsen. Het trio Suzuki's deed het deels goed en deels slecht, Jimmy Odom reed een goede race, totdat een te slappe ketting het achterwieltandwiel beschadigde en het voor Jimmy ook "einde oefening" was. Art Baumann en Ron Grant reden beiden op een gegeven ogenblik in de top-vier. Baumann moest echter naar de pits met mechanische problemen, op dat moment ging Rodney Gould, tweede op dat moment, ook de pits in en kwam Ron Grant in tweede positie te liggen. Wel lag hij toen al ver achter op Cal Rayborn. Een ronde later moest ook Grant naar de pits, voor de geplande tankstop. Hierbij ging het echter mis, de monteur die voor de tankdop moest zorgen, kreeg deze er niet goed op en toen Grant de pits verliet, gutste er benzine uit de tank over hem heen, waardoor hij kwam te vallen. Een geluk bij een ongeluk was, dat de man op de derde plaats, Mike Duff, ver achter hem lag, zo ver dat hij tijd had om de Suzuki terug te duwen, de verloren gegane benzine bij te vullen, te herstarten en toch nog als tweede de baan weer op te gaan. Cal Rayborn reed inmiddels rustig naar de finish om zijn titel te prolongeren. Met meer dan honderdzestig kilometers het uur gemiddeld en voor de Suzuki van Ron Grant en de Yamaha van Mike Duff, pakte Harley zijn laatste overwinning op het traject van Florida. Mert Lawwill eindigde op de vierde plaats en Rodney Gould, ondanks drie pitstops, toch nog op de vijfde. Bart Markel kwam als zesde over de finish, met zijn achterremschijf compleet afgebroken. De Triumph en BSA motoren waren absoluut niet meer competitief, des te knapper was het dat, A.M.A.'s #1 Gary Nixon, toch nog negende wist te worden. De eerste BSA kwam binnen op een twintigste plaats met aan het stuur Eddie Wirth en de beste Kawasaki, van Engelsman Dave Simmonds, kwam binnen op een 17e plek. De jaren zestig waren ten einde en de wegrace groeide en groeide. Bijna elke motorenfabriek had er vitaal belang bij om de prestigieuze Daytona 200 te winnen, dus er werd veel geld geïnvesteerd om dit te laten lukken.

1969 Training Harley-Davidsonstal met rechts winnaar Cal Rayborn.

© Don Emde Productions

"Victory Lane" met Ron Grant/Suzuki (#12), winnaar Cal Rayborn/Harley (#25) en Mike Duff/Yamaha (#17). Rechts naast Rayborn staat zijn vrouw, Jackie, en achter Rayborn staat Leonard Andres, Harley dealer en vader van meervoudig Daytona winnaar Brad Andres. Andres won als sponsor en tuner 7 Daytona 200 titels met Harley.

© Don Emde Productions

 

UITSLAG ( eerste 10) 

DAYTONA 200 1965

 

 

Rijder

Merk

1

Roger Reiman

Harley

2

Mert Lawwill

Harley

3

George Montgomey

Triumph

4

Gary Nixon

Triumph

5

Dick Mann

Matchless

6

Buddy Elmore

Triumph

7

Bill Haast

Harley

8

Jody Nicholas

BSA

9

Larry Schafer

Harley

10

Garry Hall

Harley

 

UITSLAG ( eerste 10) 

DAYTONA 200 1966

 

 

Rijder

Merk

1

Gary Nixon

Triumph

2

Buddy Elmore

Triumph

3

George Roeder

Harley

4

Mert Lawwill

Harley

5

Cal Rayborn

Harley

6 Wayne Cook Harley

7

Dick Hammer

Triumph

8

Gene Romero

Triumph

9

Larry Palmgren

Triumph

10

Eddie Mulder

Triumph

 

UITSLAG ( eerste 10) 

DAYTONA 200 1968

 

 

Rijder

Merk

1

Cal Rayborn

Harley

2

Yvon Duhamel

Yamaha

3

Art Baumann

Yamaha

4

Jack McNairy

Harley

5

Ron Grant

Suzuki

6

Buddy Elmore

Triumph

7

Jim Odom

Triumph

8

Peter Williams

Matchless

9

Mitsuo Itoh

Suzuki

10

Gene Romero

Honda

 

UITSLAG ( eerste 10) 

DAYTONA 200 1969

 

 

Rijder

Merk

1

Cal Rayborn

Harley

2

Ron Grant

Suzuki

3

Mike Duff

Yamaha

4

Mert Lawwill

Harley

5

Rodney Gould

Yamaha

6

Bart Markel

Harley

7

Tom Rockwood

Yamaha

8

Peter Kellond

Yamaha

9

Gary Nixon

Triumph

10

Dan Haaby

Harley

 

 

Cal Rayborn

 

Brad Andres Mark Brelsford
© Motorcycle Hall of Fame Museum

 

Bovenste foto : Ed Kretz Jr. trekt zijn startpositie

2e foto: Vrouwelijke starter bij de 200

3e foto: winnaar 1940, 1948 & 1951, Dick Klamforth door de Noordelijke bocht

4e & 5e foto: racers en toeschouwers

 

 

Bovenste foto : 1961 met George Roeder (3e) met #94, Don Burnett (2e) met #21 en winnaar Roger Reiman (#55)

2e foto: winnaar 1962, Don Burnett

3e foto: winnaar 1963, Ralph White

4e foto: winnaar 1961, 1964 & 1965 Roger Reiman (links) met vader Hank.

 

 

Yvon Duhamel

 

(Special thanks to Don Emde, winner of the 1972 Daytona 200, for using photographs from his book, The Daytona 200 1st edition untill 1991. He also made a 2nd edition up to 2003 and is currently working on the 3rd edition, which should be out in mid-2008)

(also many thanks to "Motorcycle Hall of Fame Museum" for using some of there pics) 

Deel 4, Daytona 1970-1973

HOME

©opyright 2006 Gerard van der Pot.