|
|
Daytona 200
1964 - 1969
|
|
 |
|
Het
nieuwe circuit in 1964, zoals het tot 1972 werd gebruikt. |
In 1964 werd het
parcours wederom verandert. De A.M.A. vond het nu verantwoord om de
kombanen te gebruiken, het zogenaamde "banking". Ze vonden dat
de motoren, remmen, banden en andere voorwaarden nu voldeden. Voor het
eerst zouden de motoren het volledige circuit van 3.81 mijl gaan
gebruiken voor de 27e editie van de 200 mijls race, op 15 maart 1964. De toeschouwers (8500) hadden de weg
terug naar het circuit nog niet echt gevonden, maar degenen die er waren
hadden er geen spijt van. Ze zagen de eerste helft van de race een zeer
spannende strijd in een kopgroep met de verdedigende kampioen, Ralph
White, Roger Reiman, Dick Hammer, George Roeder en de nieuwe ster van
Triumph, Gary Nixon*. Op een gegeven
ogenblik wist de laatste weg te lopen uit de groep en een voorsprong van
maar liefst 27 sec. op te bouwen. Echter een lange pitsstop wierp hem
uiteindelijk voorgoed terug naar een tweede plaats. De hoge snelheid had
inmiddels zijn tol geëist, slechts 36 coureurs van de gestarte 96
bereikten de finish. Ook de koplopers Roeder en Hammer bevonden zich
onder de uitvallers. Roger Reiman maalde hier niet om en greep zijn 2e
Daytonatitel. De prijzenpot was ook inmiddels aardig opgelopen en de
overwinning leverde Reiman $3.800 op uit een totale pot van $12.000. Reiman,
die racede vanaf 1957, had de Daytona Classic ook al in 1961 gewonnen,
was vierde in '62 en twaalfde in '63. Gary Nixon kwam op 32 seconden
over de finish, voor eveneens op Harley, Tony Murguia, slechts enige
seconden achter Nixon. Vierde werd de winnaar van 1963, Ralph White uit
Los Angeles, voor Dick Klamfoth, Everett Brashear, Al Gunter, Ronnie
Rall en Larry Schafer. Elmer Morra maakte de top-10 vol.
Het
wedstrijdverloop was als volgt geweest: 1e ronde: George Roeder op kop,
2e: Mel Lacher (de snelste trainer), 3e: Gary Nixon, 4-8e: George Roeder,
10-11e: Roger Reiman, 12e: Gary Nixon, 13-16e: George
Roeder, 17-19e: Gary Nixon, 20e: George Roeder, 21-23e: Gary Nixon,
24-26e: Roger Reiman, 26-29e: Gary Nixon, 30-100e: Roger Reiman. Reiman
had de hele race bij de eerste vier gereden.
 *
Gary Nixon
zijn AMA carrière werd gekenmerkt door succes, moed en
doorzettingsvermogen. Dit, en het talent van Nixon, maakte hem tot één
van de populairste racers in de geschiedenis van de motorsport in
Amerika. Nixon won, op een Triumph, twee jaar achter elkaar, de “Grand
National Championship” in 1967 en 1968. Gary is geboren op 25 januari
1941, in Anadarko, Oklahoma, Hij blonk uit in alle sporten waaraan hij
als kereltje deelnam. Hij begon op 15 jarige leeftijd, in 1956, als
dragracer en een jaar later waagde hij zich voor het eerst op een
dirttrack. Nixon begon met zijn professionele racecarrière in 1958 en
op het “Grand National” niveau van de AMA in 1960. Hij toonde zich
een grote belofte in zijn rookieseizoen, met een beste klassering, in
Springfield, Illinois, van zevende. In de volgende jaren, pakte Nixon
regelmatig een top-10 notering, maar het kwam als een grote verrassing
voor iedereen, met inbegrip van Nixon zelf, toen hij zijn eerste AMA “national”
won op 4 augustus 1963, tijdens de wegrace in Windber, Pennsylvania. De
overwinning in Windber bleek geen eenmalig incident, toen hij drie weken
later een shorttrack race won in Hinsdale, Illinois. Nixon eindigde dat
seizoen op een zesde in de “Grand National serie”, zijn eerste keer
in de top-10.
Nixon pakte in de volgende
drie seizoenen, een dozijn podiumplaatsen, met inbegrip van winst op de mijlraces,
shorttrack en in de wegrace. In 1966 werd Nixon tweede in de “AMA Grand
National” achter Bart Markel. Het seizoen van 1967 werd het beste van
zijn carrière. Hij begon het seizoen met een overwinning in de Daytona
200. Aan het eind van het seizoen had Gary Nixon een totaal van vijf
overwinningen en zijn eerste nationale kampioenschap verdiend. Hij
verdedigde zijn titel in 1968 en bemachtigde deze wederom,
alhoewel dit pas in de laatste race beslist werd. Hij had dit seizoen af
te rekenen met een sterke Harley-Davidson rijder, Fred Nix (1941-1969),
deze laatste won maar liefst zes wedstrijden, tegen Gary maar twee
stuks. Toch ging de titel naar Nixon met negen punten verschil. Iedereen
was ervan overtuigt dat Fred Nix toch de titel wel een keer zou pakken,
maar niets was minder waar, want een jaar later kwam hij tijdens een
autorace om het leven. De hardheid van Nixon werd duidelijk in de eind
jaren '60 en de vroege jaren '70. Een serie zware blessures, die de
meeste mensen langdurig in bed zouden houden, hielden Nixon zelfs niet
van de motoren af. Hij reed zelfs drie jaar met een roestvrij stalen
staaf in zijn linkerbeen, die deze “steunpilaar” samen moest houden.
De verwondingen dwongen Nixon om zich hoofdzakelijk met de wegracerij
bezeg te houden. Het verhinderde hem om nogmaals een Grote Nationale
titel te winnen, aangezien tweederde van de races om het kampioenschap
op de dirttrack- en shorttrackbanen werd verreden. Een hereniging met de
legendarische tuner, Erv Kanemoto, bracht Gary veel succes in de
wegraces, waar hij zich vanaf dat punt op concentreerde. Nixon
vertegenwoordigde de Verenigde Staten verscheidene keren in de befaamde
serie races tussen de Britten en Amerikanen, de TRANSATLANTIC (Anglo-American
Match-series) races in de jaren '70. Gary Nixon
hing in 1979 zijn overall aan de kapstok, hij had tijdens zijn 22 jarige
carriere 19 Nationale overwinningen in het AMA-kampioenschap vergaard in
meer dan 150 wedstrijden, als fabrieksrijder voor Triumph, Kawasaki,
Suzuki en Yamaha.
Later zouden er nog vele
races, aan het programma van de Daytona 200, toegevoegd worden, zoals een Superbike klasse, voor motoren met een grotere cylinderinhoud,
Supercross, junior races, amateurraces, etc. Ook de typisch Amerikaanse
specialiteiten de halve mijl en shorttrack worden verreden. Daytona
verzorgt tegen die tijd een echt weekvullend en later zelfs 10-daagse
voorstelling van ook motorcross die meer en meer mensen aantrekt. Het
belangrijkste zal echter altijd de 200 milesrace blijven.
William Henry Getty "Bill" France sr. werd in 1972 opgevolgd
door zijn zoon, William "Bill" France jr. (1933-2007)
als voorzitter van de NASCAR (ook zoon James C. (Jim) France zat in het
bestuur van de NASCAR). Junior is eveneens een motor- en autoracefanaat.
Senior bleef actief bezig, achter de schermen, tot zijn dood. Bill Jr.
zou tot 2000 voorzitter blijven van de grootste autoracebond ter wereld,
daarna droeg hij het over aan Mike Helton, nadat er bij France kanker
was geconstateerd. In 2003 zorgde hij ervoor dat zoon Brian, president
van de A.M.A. werd. Jr. bleef zelf wel altijd lid van de zes
persoons-Nascar raad van bestuur. De
familie France bleef NASCAR op deze manier “bezitten”, en heeft een
controlerende functie in de exploitatie van de “International
Speedway Corporation (ICS)”. De
ICS is een bedrijf dat eigenaar is van de NASCAR
racecircuits en het beheer daarover heeft. ISC werd opgericht
door Bill France Sr., in 1953, voor de bouw van de Internationale
Speedway in Daytona en in 1999 voegden zij samen met Penske Motorsports
om samen het grootste motorsportbedrijf in Amerika te worden.
France Jr. ging verder als voorzitter van de raad van ISC, tot
zijn dood. Zijn dochter Lesa France-Kennedy is president van de ISC en lid van de raad van bestuur van NASCAR (haar man,
Dr. Bruce Kennedy, overleed een maand na haar vader, op 10
juli 2007, tijdens een binnenlands vliegtuigongeluk in Sanford,
Florida. Hij stortte met een privévliegtuig op twee woningen. Buiten
Kennedy kwamen ook zijn piloot en 3 mensen in de huizen, onder wie 2
kinderen, om het leven). Bill
France jr. overleed op 4 juni 2007 aan longkanker, waar hij al een
aantal jaren aan leed, sinds de
diagnose in 1999. De familie France behoort tot de rijkste families
(miljardairs) van de wereld.
| Circuits
van de ICS |
| Naam
Circuit |
Plaats,
Staat |
Aantal
plaatsen |
Openingsjaar |
| California
Speedway |
Fontana,
Californie |
92.000 |
1997 |
| Chicagoland
Speedway |
Joliet,
Illionois |
75.000 |
2001 |
| Darlington
Raceway |
Darlington,
South-Carolina |
63.000 |
1950 |
| Daytona
International Speedway |
Daytona
Beach, Florida |
168.000 |
1959 |
| Homestead-Miami
Speedway |
Homestead,
Florida |
65.000 |
1995 |
| Kansas
Speedway |
Kansas
City, Kansas |
81.687 |
2001 |
| Martinsville
Speedway |
Ridgeway,
Virginia |
65.000 |
1947 |
| Michigan
International Speedway |
Brooklyn,
Michigan |
137.243 |
1968 |
| Phoenix
International Raceway |
Avondale,
Arizona |
76.812 |
1964 |
| Richmond
International Raceway |
Richmond,
Virginia |
107.097 |
1946 |
| Route
66 Raceway |
Joliet,
Illionois |
30.000 |
1998 |
| Talladega
Superspeedway |
Talladega,
Alabama |
143.231 |
1969 |
| Watkins
Glen International |
Watkins
Glen, New-York |
41.000 |
1948 |
|
|
UITSLAG ( eerste
10) DAYTONA
200 1960 
|
|
|
|
|
Rijder
|
Merk
|
|
1
|
Brad Andres
|
Harley |
|
2
|
George Roeder |
Harley |
|
3
|
Joe Leonard |
Harley |
|
4
|
Tony Murguia |
Harley |
|
5
|
Ronald Emmick |
Harley |
|
6
|
Tommy Morris |
Harley |
|
7
|
John Tibben |
Harley |
|
8
|
Duane Buchanan |
Harley |
|
9
|
Lawrence Schafer |
Harley |
|
10
|
Gary Emmick |
Harley |
|
UITSLAG ( eerste
10) DAYTONA
200 1961
|
|
|
|
|
Rijder
|
Merk
|
|
1
|
Roger Reiman
|
Harley |
|
2
|
Don Burnett |
Triumph |
|
3
|
George Roeder |
Harley |
|
4
|
Warren Sherwood |
BSA |
|
5
|
Bart Markel |
Harley |
|
6
|
Richard Clark |
Triumph |
|
7
|
Dick Andrea |
Harley |
|
8
|
Garnet Koehler |
BSA |
|
9
|
John Tibben |
Harley |
|
10
|
Bill Haast |
Harley |
|
UITSLAG ( eerste
10) DAYTONA
200 1962
|
|
|
|
|
Rijder
|
Merk
|
|
1
|
Don Burnett
|
Triumph |
|
2
|
Dick Mann |
Matchless |
|
3
|
Ralph White |
Harley |
|
4
|
Roger Reiman |
Harley |
|
5
|
Sid Payne |
Harley |
|
6
|
Jody Nicholas |
BSA |
|
7
|
Dick Klamfoth |
BSA |
|
8
|
Garnet Koehler |
BSA |
|
9
|
Bart Markel |
Harley |
|
10
|
Larry Palmgren |
Harley |
|
UITSLAG ( eerste
10) DAYTONA
200 1963
 |
|
|
|
|
Rijder
|
Merk
|
|
1
|
Ralph White |
Harley |
|
2
|
Larry Williamson |
Triumph |
|
3
|
Bill Haast |
Harley |
|
4
|
Larry Palmgren |
Harley |
|
5
|
James Varnes |
BSA |
|
6
|
Warren Sherwood |
BSA |
|
7
|
Donnell Shiflett |
Harley |
|
8
|
Ronnie Rall |
BSA |
|
9
|
Ronnie Doyle |
Harley |
|
10
|
John Tibben |
Harley |
|
UITSLAG ( eerste
10) DAYTONA
200 1964
 |
|
|
|
|
Rijder
|
Merk
|
|
1
|
Roger Reiman |
Harley |
|
2
|
Gary Nixon |
Triumph |
|
3
|
Tony Murquia |
Harley |
|
4
|
Ralph White |
Harley |
|
5
|
Dick Klamfoth |
Matchless |
|
6
|
Everett Brashear |
Matchless |
|
7
|
Al Gunter |
BSA |
|
8
|
Ronnie Rall |
Norton |
|
9
|
Larry Schafer |
Harley |
|
10
|
Elmer Morra |
BSA |
|
  
 |
 |
 |
 |
|
winnaar
1956 John Gibson |
winnaar
1961, 1964 en 1965 Roger Reiman |
winnaar
1963 Ralph White |
Dick
Hammer |
| ©
Motorcycle
Hall of Fame Museum |
 |
 |
 |
|
Harley-Davidson
KRTT uit 1965
|
|
Harley-Davidson
KR uit 1966, van Mert Lawwill
|
 1965 bracht iets wat de
rijders in Amerika eigenlijk nooit meemaakten, regen! En véél regen!
In Europa was het heel normaal dat het regende tijdens races, maar in
Amerika vlagde men direct de races af als er een paar spetters vielen en
dan werd er ook echt niet meer gestart voordat het ophield met regenen
en de baan weer droog was. Later zeiden ook vele coureurs, die de race
in 1965 zouden rijden, dat deze wedstrijd ook beter afgelast had kunnen
worden. Er vielen geen erge verwondingen te noteren na de race, maar het
was wel heel slecht vertoeven op de baan. Er was totaal geen zicht. Roger
Reiman kon uiteindelijk het beste met de slechte condities overweg en
behaalde zijn derde overwinning voor Mert Lawwill*
en George Montgomery. Hij kwam hiermee in een elitegroepje
terecht, bij Brad Andres en Dick Klamfoth.
Roger
Reiman, 3x winnaar Daytona en A.M.A. Number One in 1964.

|
Mert Lawwill |
|

|
|
|
|
|
De
verwondingen van Mert Lawwill |
Kenny
Roberts, Mert Lawwill en Dick Mann |
* Mert
Lawwill is een Amerikaanse
dirttrackcoureur en wegracer, geboren op 25 September 1940 in Boise,
Idaho. Hij begon zijn carrière als amateurracer op het lokale TT
circuit in Boise en zijn ouders, zijn zoals de meesten, niet enthousiast
over het motorrijden. De oudere broer van Mert brak het ijs, door als
eerste in de familie te gaan racen. Mert wordt prof in 1963 en
in 1964 tekent hij een contract bij de fabriek Harley-Davidson om
dirttrack ta gaan rijden. Hij zou de rest van zijn carrière bij Harley
blijven. In 1964 en 1965 eindigde Lawwill vele malen op het
podium en won hij zijn eerste nationale dittrackrace bij de AMA
in de Sacramento mijlsrace op 19 September 1965. De overwinning in
Sacramento was de eerste van de vijftien die hij in zijn carrière zou
winnen. Hiermee staat hij vijftiende op de AMA Grand National
winnaarslijst aller tijden. Hij won de titel bij de Grand National,
oftewel de "Number One" plaat, in 1969 en werd dat jaar ook
verkozen tot de populairste
rijder in de Verenigde Staten. In het begin van de jaren ’70 speelde
Lawwill mee in de film "On Any Sunday" met Steve McQueen. Deze
film ging over motorsport en zou in 1972 genomineerd worden voor een
Oscar. In 1977, stopte hij met racen, wegens een binnen-oorprobleem, die
zijn balans beïnvloedde. Hij had op dat moment in 161 AMA wedstrijden
meegedaan tijdens zijn 15-jarige racecarrière. Lawwill werd na zijn
motorsportloopbaan een ontwerper en bouwer van motorfietsframes en later
van mountainbikes. Verder ontwikkelde hij ook protheses voor mensen met
een amputatie die toch motor wilden rijden. Na zijn 2e plaats in 1965
waren zijn beste resultaten in de Daytona 200, een vierde plaats in
zowel 1967 al 1969.
|
|
|
1966,
winnaar Buddy Elmore |
Het is in 1966 dat Buddy
Elmore erin slaagt om met zijn Triumph op de eerste plaats te finishen.
Voor de Engelse fabriek, is deze overwinning de voorlaatste van een
lange reeks. Aangezien Triumph er in de laatste drie edities niet aan te
pas was gekomen, wilden ze dit in 1966 goedmaken, wat dus ook lukte. De
fabriek in Engeland stuurde zes speciale T100/R modellen op naar Florida,
die erg snel maar ook erg onbetrouwbaar bleken te zijn in de trainingen.
De fabrieksrijders Gary Nixon, Dick Hammer en Buddy Elmore ondervonden
vele problemen met de machines. Het grootste probleem was uitgelopen
motorlagers. Het was zo erg dat Nixon overstapte naar het
"oude" model Triumph, die veel betrouwbaarder waren. Hammer en
Elmore hielden wel vast aan het nieuwe type en dat zou terecht blijken
te zijn. Hammer pakte de 2e trainingstijd, terwijl Elmore veel problemen
in zijn kwalificatieronde ondervond. Hij verloor veel oliedruk, zodat
hij niet verder kwam dan de 46e trainingstijd, ver achter de "pole
position" van Cal Rayborn* op een H-D. De zaterdag voor de racedag
zaten ze bij Triumph met hun handen in het haar. Er waren zoveel motoren
"opgeblazen" tijdens de trainingen, dat er te weinig
onderdelen waren om de motoren te reviseren. Monteur Dick Bender werkte
in de nacht door aan de machine van Elmore, die in de afgelopen week 5
á 6 motoren had opgeblazen. Hij schraapte uit al de defecte motoren de
onderdelen bij elkaar om de machine van Buddy toch aan de start te
krijgen. Rayborn en Hammer, de trainingssnelsten gingen er samen eens
goed voor zitten bij de start van de race en liepen samen weg van de
rest van het veld. Erg lang duurde dit echter niet, want de Triumph van
Dick Hammer blies in de zevende ronde al zijn motor wederom op. Dit gaf
uiteraard een hoop onrust in de Triumphpits.
Ondertussen hadden Gary
Nixon, met zijn oude model Triumph, en Roger Reiman aangesloten bij Cal
Rayborn. Nixon liet zijn twee concurrenten, op hun Harleys, alleen
achter en leek de race naar zijn hand te zetten. Zeker toen Rayborn, in
ronde 15, uitviel met een olielekkage en Reiman hem daarheen vergezelde
in de 29e, met een koppelingsprobleem. Door een probleem met het
scorebord, werkte Buddy Elmore zich onopgemerkt langzaam maar zeker naar
de kop van het veld vanaf zijn 46e trainingsplaats en met de motor die
uit bijeengeraapte onderdelen bestond. In de 22e ronde klampte hij aan
bij teammaat Nixon en liet deze alleen achter. Tijdens een pitsstop in
de 29e, moest hij de kop weer even afstaan aan Nixon, maar na een
paar ronden kreeg hij Gary wederom te pakken en reed onbedreigd en met
een soepel lopende motor naar de overwinning toe. Nixon bleef netjes
zijn 2e plaats vasthouden tot in de 45e ronde zijn band lek raakte. Door
zijn pitsstop viel hij terug naar een uiteindelijke 9e klassering. De
Triumph van Elmore bleef het wonderwel erg goed doen en de 1e plaats was
voor hem voor George Roeder en Gary Hall. De lengte van het circuit zou
door de jaren nog enige keren veranderen wegens het toevoegen van een
"chicane" en aanpassingen van het binnenringgedeelte.
|
|
1966:
#12, Ken Ridder, winnaar 100 mijls amateurrace in Daytona, #49,
tweede, Dennis Schoenfeldt. 85 coureurs deden er mee, waarvan er
21 over de finish kwamen. |
|
Cal Rayborn |
|
*Calvin
(Lee) Rayborn II werd geboren op 20 februari 1940, en groeide op in
San Diego. Cal Rayborn is een van de beste wegracecoureurs die
Amerika ooit heeft gehad. Hij won, tijdens zijn zevenjarige
professionele carrière, 11 “A.M.A. Grand nationals”. Tien
van die overwinningen behaalde hij op wegracecircuits. Cal
Rayborn werd ook bekend in Europa, toen hij
in 1972, meedeed, op een oude Harley-Davidson XR750,
omdat de H-D fabriek niet achter zijn deelname stond, aan
de populaire “Transatlantic Match Races”. Deze races werden,
jaarlijks, op drie verschillende circuits in Engeland (Brands-Hatch,
Mallory Park & Oulton Park) verreden, tussen de acht beste
coureurs van zowel Engeland en Amerika. Deze races werden tussen
1971 en 1988 verreden. Cal wist drie van de zes races te winnen
(op elk circuit één van de twee manches) en drie maal tweede
te worden, in 1972, en behaalde ook de persoonlijke
totaaloverwinning. Zijn teammaten dit jaar waren o.a. Don Emde
en Dick Mann. Deze prestaties van Rayborn bewezen eens en te
meer dat Amerikanen konden racen. Zijn prestaties waren een
voorloper van het tijdperk dat er aan zat te komen, de
overheersing van Amerika in het wereldkampioenschap wegrace van
de recent '70 en de jaren '80. Rayborn reed zijn hele carrière
Harley-Davidson. Hij begon op zijn achtste jaar al met motorrijden. Een van de
eerste banen van Rayborn, was op zijn motor pakketten e.d.
wegbrengen, na schooltijd en tijdens de zomer. De tiener reed zo
duizenden mijlen en zo snel als het kon, omdat dat het
meeste opleverde!. Eind jaren ’50 ontmoette Cal, Don
Vesco (1939-2002), bij een lokale race en de twee werden goede
vrienden. Zij reisden samen naar races en Vesco zou diverse
“fietsen” van Rayborn tunen door de jaren heen. Rayborn reed
diverse races in begin jaren ’60 en werd in 1965 prof in het
“AMA Grand National Championship”. Hij werd bijgestaan door
Leonard Andres, wiens zoon Brad een A.M.A. kampioen van de
mid-jaren '50 was geweest. Cal toonde zijn potentieel in zijn
rookieseizoen door twee podiums te pakken, een tweede plaats in
Des Moines, Iowa, en een derde bij de beroemde halve-mijl van
Ascot Park. In 1966, brak Rayborn door na zijn eerste AMA-race
te winnen, de wegrace in Carlsbad, Californië. Velen zagen het
speciale talent dat Rayborn had en vooral als wegracer. De baas
van Harley-Davidson, Dick O'Brien zei dat Rayborn, samen met de legendarische Britse
coureur, Mike Hailwood, de beste wegracer was die hij ooit had
gezien. De beste jaren van Cal waren 1968 en 1969, hij was
inmiddels lid van het fabrieksteam van Harley-Davidson en zijn
befaamste overwinningen pakte hij in de Daytona 200, die hij won
in ‘68 en '69. Hetgeen dat deze overwinningen extra bijzonder
maakte, was het feit dat het de eerste jaren waren dat ook de
Europese toppers en Japanse fabrieken de oceaan overstaken om
deel te gaan nemen aan de 200. Beide jaren eindigde Cal als
derde in het kampioenschap van de A.M.A., elk jaar had hij drie
races gewonnen, maar hij was niet goed genoeg in de
dirttrackraces, om een concurrent voor de AMA-titel te zijn. In
1970 was Harley-Davidson niet competitief meer, en Cal won voor
het eerst in vijf jaar geen A.M.A. wedstrijd.
 |
 |
| Cal
Rayborn op de Zoutvlakten, in 1970, tijdens zijn
recordpoging met de Harley-Davidson. |
Hij ging zich ook
toeleggen, mede
door zijn vriend Don
Vesco, op de snelheidsrecords op de Zoutvlakten van Bonneville, Utah. Rayborn
reed op een Harley-Davidson, “The Streamliner” naar een nieuw
Amerikaans en wereldrecord van 427.18 km/u. De H-D streamliner woog meer
dan 350 kilo en was bijna drie meter lang. Rayborn toonde zijn moed door
telkens terug in de machine te stappen nadat hij diverse malen met zeer
hoge snelheid crashte, alvorens hij het record vestigde en hij het
record afpakte van zijn vriend Don Vesco. Zijn record bleef staan tot
1975, toen pakte Vesco het record weer terug (486.98 km/u).
 In 1971,
won Rayborn slechts één nationale en in 1972 twee. Hij gaf
Harley-Davidson hun allerlaatse (zoals later zou blijken)
AMA Grand National wegrace victory. Dit was op 23 juli 1972 op
de Laguna Seca racebaan in Monterey, Californië. Het bleek ook
de laatste nationale winst van Rayborn te zijn... In 1973, werd
Cal Rayborn erg duidelijk dat zijn toekomst in de wegracerij lag
en dat de andere races niet echt aan hem besteed waren. Het was
ook duidelijk dat Harley-Davidson steeds minder op de
wegracecircuits te zoeken had, het verschil met de veel snellere
Japanse machines werd veel te groot. Aan het eind van het jaar,
nam Cal het voor hem verschrikkelijk moeilijke besluit om
Harley-Davidson te verlaten en een aanbieding aan te nemen om
voor Suzuki te gaan racen. Jammer genoeg, zou Rayborn nooit meer
in Amerika op een circuit racen. In december 1973 stierf hij
tijdens een clubrace, in Nieuw Zeeland, toen de van de
“fiets” viel, die hij bereed, en die hem in een vangrail
deed belanden. Op slechts 33 jarige leeftijd, was één van Amerika’s grootste racetalenten er niet meer.... Jaren
later, werd de zoon van Rayborn, Cal III, een bekende racer in
de AMA 250cc’s en
in de Supersportseries.
 |
|
1972
Harley-Davidson fabrieksteam: Mark Brelsford, Dave Sehl
(Canada), Cal Rayborn, Mert Lawwill en Renzo Pasolini(Italië). |
|
 |
|
Achterblijvers
George Montgomery (#83) & William Lloyd vragen zich af waar
Nixon vandaan komt! |
In 1967 met een motor die bijna
vijftig pk voortbrengt, beschikt Triumph die keer over een zeer snelle
en ultralichte machine. Ook zijn de oliedrukproblemen, waardoor de
motoren "in elkaar liepen", opgelost en wederom worden er zes
machines vanuit Engeland overgebracht. Ondanks het neerzetten van de
snelste tijd door Fred Nix op een Harley, was hij in de race kansloos
tegen het Triumphgeweld van Gary Nixon, Dick Hammer* en Buddy Elmore.
Vanaf de start was al duidelijk welk merk dit jaar de Daytona 200 zou
gaan winnen, alleen nog niet welke rijder. Nixon en Hammer reden samen
de eerste 100 mijl, constant stuivertje wisselend (29x!) aan de kop van
het veld. De winnaar van de laatste editie, Buddy Elmore, zat rustig op
de derde stek. In de 26e ronde maakt Hammer een tankstop, maar als hij
de pits weer verlaat loopt zijn machine nog slechts op één cilinder.
Er blijkt een doek, waarmee Dick in de pits zijn vizier had
schoongemaakt, in de carburateurinlaat te zitten. Het probleem wordt
snel opgelost, maar Nixon heeft inmiddels wel een voorsprong opgebouwd.
In zijn haast om Gary te achterhalen komt Hammer ten val, waarbij hij
een gebroken sleutelbeen oploopt. Hij weet echter wel weer op zijn
machine te kruipen en met de zeer pijnlijke schouder te finishen op een
7e plaats. Met Hammer niet
meer in de achtervolging, kan Gary Nixon "rustig" naar de
eindstreep rijden en de tweede opeenvolgende overwinning voor Triumph te
pakken en hierdoor nog eens de Harley fabriek te verslaan. Zijn teammaat
Buddy Elmore, wordt op 12 seconden tweede en George Roeder weet als
derde te eindigen. Maar de Britse overheersing, op het traject van
Florida, is dan beëindigd.
1967,
winnaar Gary Nixon
|
|

 |
|
1967
podium van de 250cc 100 mijls race voor amateurs, met drie
Harley-Davidson's in Victory Lane. v.l.n.r. Ron Widman (2e),
Walt Fulton Jr. (1e) en Dick Woods (3e). Rechts achter Fulton
staat Dick O'Brien Harel's topingenieur. |
|
|
Duizenden zagen tevens
in 1967 hoe Walt Fulton Jr. de 250cc race voor amateurs op zijn naam
bracht in een nieuw recordtempo. De uit Orange County, Californië
afkomstige rijder, begon zich aardig thuis te voelen in Daytona, want in
1966 had hij ook de 76 mijls race voor beginnelingen al op zijn naam
gebracht. Aan zijn twee overwinningen hield hij ook een fabriekscontract
bij Harley-Davidson over, want hij zou in 1968 opgenomen worden in het
H-D team met o.a. de sterren Cal Rayborn, Mert Lawwill en Roger Reiman
al in hun gelederen. De resultaten zou hij echter in de 200 nooit kunnen
evenaren. Hij kwam vier keer aan de start, en zijn hoogste notering was
een zesde in 1970.
 |
|
Walt
Funton Jr. op weg naar zijn overwinning.
|
Ook de shorttrack race,
dit jaar, werd een prooi voor H-D, hij werd gewonnen door de Amerikaanse
topper op dit gebied, Ronnie Rall.
Jerry Hollingsworth
maakte het succes voor H-D compleet door de Sportsman Race op zijn naam
te brengen op zijn Harley-Davidson BT.
|
Dick Hammer |
|
* Dick
Hammer was een van de grootste pechvogels van de Daytona 200. Hij leidde
de wedstrijd in 1963, 1965 en 1966 voor hij met mechanische problemen
uitviel. In 1967, kreeg hij dus een doek in de carburateurinlaat en
kwam, tijdens het goedmaken van zijn tijdverlies, ten val. in 1968 was
hij lid van het Suzuki-fabrieksteam, maar na een 20e trainingstijd had
hij niet het idee, dat hij met de Suzuki, erg hoge ogen zou gooien. Op
de race-ochtend zocht men bij de Triumph fabriek een vervangen voor de,
tijdens de training, geblesseerd geraakte Engelsman Rod Gould. Hammer
tekende een contract voor $500 en wisselde van machine. Dit werd
toegestaan, maar hij moest dan wel achteraan het veld van start gaan.
Hij werd uiteindelijk knap zevende, maar werd later alsnog
gediskwalificeerd, omdat wisselen van machine niet toegestaan
was. Wel won hij twee keer, de één na belangrijkste race, de
250cc, in Daytona. Het betrof de eerste twee uitvoeringen van
deze 100 mijls race, in 1963 & 1964. Hij stierf op 64 jarige leeftijd, op 16 januari 2003, aan
kanker in San Clemente, Californië.
|
|
Hammer
wint in 1963, de 250cc 100 mijls race in Daytona.
|
Hammer
wint in 1964, voor het tweede jaar op rij, de 250cc 100 mijls
race in Daytona, voor Norris Roncourt en Al Gunter. (foto
onder, met Dick O'Brien, cheftuner H-D, op de achtergrond (met
bril). |
|
|
 |
|
Start
1968: Fred Nix (#95), Cal
Rayborn (#25), Mert Lawwill (#18), Roger Reiman (#55), Gary Nixon (#1), Dan Haaby
(#22) en Bart Markel (#4). |

 |
| Calvin
Rayborn's Harley Davidson van 1968 |
|
|
1968,
begin van de race, met Roger Reiman aan de leiding voor Cal Rayborn en
Mert Lawwill |
In '68 en '69, wint Calvin Rayborn
(1940-1973, overleden na een race-ongeluk in
Nieuw-Zeeland) op een
Harley de wedstrijd twee keer ondanks de komst van de het Japanse
tijdperk. Daytona wordt vanaf die jaren een internationaal evenement,
zowel gezien de motoren, maar ook vanwege de coureurs. Vanaf 1968 zouden
het niet meer alleen voornamelijk Amerikanen en een verdwaalde Canadees
zijn die elkaar in de 200 mijls race zouden bestrijden. Een nieuw
tijdperk in de 200 was aangebroken. Dit eerste jaar kwam vanuit
Engeland, "The Prince of Speed", meervoudig wereldkampioen
(7x) in de 125cc, 250cc en 500cc klasse, Phil Read. Op dat moment in
1968 was hij 2-voudig wereldkampioen in de 250cc (1964 & 1965) en
hij zou in 1968 wederom deze titel pakken, evenals in de 125cc. Zijn
andere titels pakte hij in de jaren 70. Verder kwamen Read's
landgenoten, Rodney Gould (wereldkampioen 250cc 1970) en Peter Williams,
en de Canadezen Yvon Duhamel en Mike Duff en de Japanner Mitsuo Itoh. Na
jarenlang ervaring te hebben opgedaan in de Grand Prix 250cc kwamen
Yamaha en Suzuki nu over de oceaan om hun expertise en geluk in de
Verenigde Staten te beproeven. Echter na twee opeenvolgende nederlagen in
de afgelopen 2 jaar wilde de Harleyfabriek ook wel weer eens voor een
succesje gaan en men had daar hard aan gewerkt. Onder leiding van
cheftuner Dick O'Brien (1921-2003) werd de KR racemachine compleet gereviseerd. Er
bleef niets over van de machine zoals hij in 1967 aan de start was
verschenen, zelfs het uiterlijk had een flinke metamorfose ondergaan. Ze
waren gespoten in originele Harley kleuren: oranje, zwart en wit. De
zitjes en stroomlijn waren ook totaal anders en in plaats van
één carburateur was hij nu uitgerust met twee stuks. De Harley
had ook veel testwerk ondergaan in een voor die tijd zeer "hitech"
windtunnel. Er werden maar liefst zeven van deze machines ingeschreven,
om te laten zien dat het de Harley-Davidson Motor Company serieus was.
De machines die in 1967 een topsnelheid hadden van 217 km/u, hadden nu
een top van tegen de 240 km/u! De coureurs van deze prachtige machines
waren: Bart Markel (1935-2007)*, Mert
Lawwill, Cal Rayborn, Dan Haaby, Roger Reiman, Fred Nix en Walt Fulton
Jr.
 |
 |
|
1968: Yvon Duhamel voor de
start, hij werd dit jaar tweede in de race. |
 |
|
|
1968, Harley-Davidson's
fabrieksteam: Bart Markel (#4), Mert Lawwill (#18), Dan Haaby (#22), Cal
Rayborn (#25), Roger Reiman (#55), Fred Nix (#95) en Walt Fulton
Jr.(#99). |
De Triumphs hadden geen vooruitgang geboekt in snelheid sinds het
jaar daarvoor, dus die waren voor de start al uit competitie. De
tegenstand moest vooral gaan komen van Yamaha. De Amerikaanse
Yamaha-importeur had met Phil Read en Art Baumann op de 350cc
lichtgewicht machines een paar hele grote troeven in handen. Evenals de
Canadese importeur met Yvon Duhamel en Mike Duff, eveneens op de 350cc
machientjes. Na de start nestelden de Harley's zich direct op de kop van
het veld. Het was één en al zwart en oranje vooraan in de race en de
schitterende Harley's lieten er geen misverstand over ontstaan, wie er dit
jaar het kampioenschap zouden beheersen. In de beginfase ging de snelste
qualifier Roger Reiman aan de leiding voor Mert Lawwill. Cal Rayborn, de
protégee van de super tuner Leonard Andres (vader van Brad) zat op het
vinkentouw en nam al snel het heft in handen. In de derde doorkomst was het beeld als volgt: op kop de
Harley van Cal Rayborn gevolgd door zijn teammaten en de Yamaha's van
Read, Duhamel en Baumann. In de vijfde ronde maakte Rayborn een fout en
werd bijna van zijn motor geslingerd. Het asfalt schaafde zijn motorpak
open op de knie, maar hij bleef wonderwel in het zadel. Teammaat Reiman
had de leiding nu in handen, maar een paar ronden later zag hij Rayborn
al weer voorbij hem komen. Hierna maakte deze geen fouten meer en reed
totaal onbedreigd naar de overwinning, hierbij het gehele veld,
minimaal, op een ronde achterstand zettend. Roger Reiman viel
uiteindelijk in de laatste fase helaas uit met een defecte oliekoeler. De
Yamaha's van de zeer ervaren Yvon Duhamel en Art Baumann deden het
perfect en zij
kwamen respectievelijk als tweede en derde over de finish op 6.5 km. en
meer achterstand. Het waren de
eerste tweetaktmachines die het podium in Daytona haalden, maar Rayborn
was de grote held. De racemanager van Harley, Dick O'Brien, had de
Harley-Davidson machine weer tot de beste gemaakt, die er op de circuits
rondreed. Jack McNairy uit Albuquerque, New Mexico, reed ook een
prachtige race op zijn privé-Harley en kwam als vierde over de streep. En Phil Read? Deze reed een
goede race, tot het moment van zijn pitstop. Na het tanken startte zijn
Yamaha niet meer en dit kostte hem 5 ronden eer hij weer op weg kon.
Toch kwam hij nog op een mooie 11e plaats over de eindstreep. Cal
Rayborn had nog even een kat en muis spelletje met de, met veel bravoure
aangekondigde racer gespeeld, toen hij hem een ronde achterstand
bezorgde, totdat hij uit de pits een sein kreeg van wijzere teamleden
van "Cool It!" en hij zijn eigen race weer ging rijden.
|
Harley-Davidson geweld in 1968 |
|

|

|
 |
|
Dan Haaby |
Bart Markel
(#4) en Walt Fulton Jr. |
Cal
Rayborn |
 |
De
racemanager van Harley Dick O'Brien, kwam in 1957 in diens bij
Harley-Davidson als assistent op de race-afdeling. Drie maanden
later ging de directeur van de afdeling met pensioen en nam
O'Brien zijn taak over. Hij zou tot 1983, toen ook hij met
pensioen ging, de leiding over de race-afdeling bij H-D houden. Hij
zei altijd dat het hoogtepunt van zijn carrière was, toen Cal
Rayborn als fabriekrijder de Daytona 200 won, dit was tevens de
laatste keer dat een Harley-Davidson de 200 als eerste de finish
in Daytona zou passeren. O'Brien zei altijd dat het werken met
vooral Rayborn, van alle coureurs die ooit voor H-D reden, het
beste was in zijn jaren bij de fabriek. Toen O'Brien zich
terugtrok, mocht hij als geschenk een motorfiets laten bouwen.
De fabriek wilde elke motor bouwen, om het even
welke hij maar wilde hebben als afscheidscadeau. Hij wilde een Cal Rayborn replica. Hij stierf
in 2003, op 81 jarige leeftijd.
|
|
Fred Nix |
 |
 |
|
winnaar
1967 Gary Nixon |
winnaar
1968 en 1969 Cal Rayborn |
 |
|
Rayborn |
 |
|
1969
begin van de race, Yamahakopman Ron Pierce voor Rodney Gould,
Yvon Duhamel en Cal Rayborn (25). ©
Don Emde Productions
|
Een jaar na het succesvolle debuut
van Yamaha (tweede en derde plaats) en Suzuki (twee machines bij de eerste
tien)
besluit ook Kawasaki zijn geluk in Amerika te gaan zoeken. De plaats bij
Yamaha van Phil Read was ingenomen door Californiër Ron Pierce. Tijdens
de eerste trainingen in 1969 haalt Yvon Duhamel de snelheid van 242
kilometers per uur op de ring aan het stuur van een 350cc Yamaha. Yamaha
had hun huiswerk goed gedaan en de Harley's moesten het antwoord
schuldig blijven. Ron Grant, op een Suzuki, wordt geklokt met 236
kilometers, terwijl de beste Harley er niet in slaagt om 232 kilometers
per uur te overschrijden. Ook waren de Japanse machines allemaal
uitgerust met een vijfversnellingsbak, terwijl de Amerikanen het met een
vierbak moesten doen. Dit betekende een betere acceleratie voor de
Japanse merken. De training liet zien dat dit inderdaad veel invloed
had, want de eerste plaatsen op de startgrid werden ingenomen door de
Japanse motoren, met alleen Cal Rayborn ertussen. Dit in tegenstelling
tot 1968, toen alles op de voorste rijen uit het oranje/zwart van Harley
bestond. De trainingssnelste toen was Roger Reiman op zijn H-D met 240 km/u,
hier konden de Japanners toen niet bij in de buurt komen. Nu was het allemaal
anders, de Yamaharijders, Bobby Winters, Rodney Gould, Mike Duff, David Lloyd en
Ralph White klokten allemaal richting de 240 km/u. Ron Grant op zijn 500cc
Suzuki, pas een week voor de Daytona 200 uit Japan aangekomen, kwam dus ook al
in de buurt van de 240 km/u, zestien km/u sneller als in 1968. De Kawasaki 500
van Dick Hammer klokte 233 km/u en de grootste verrassing kwam dus van de
Canadese kampioen Yvon Duhamel, die op zijn 350cc Yamaha, voor het eerst in
Daytona, boven de 242 km/u kwam. Maar voor deze versie van 1969, waren de goden, en de
organisatie aan de kant van de Amerikanen: door de slechte
weersomstandigheden, besloot AMA om de wedstrijd uit te stellen tot de
volgende week. Dit gaf Harley de tijd om de laatste paardenkrachten van
de oude V-twin te vinden. Bovendien hadden ze bij Yamaha erg veel last
van ernstige mechanische problemen.
 |
|
Ron
Grant/Suzuki TR500 |
Was Rayborn in 1968 na de start nog
in gezelschap van vele van zijn mede Harleyrijders, dit jaar was hij de
enige aan de leiding van de race, omgeven door Yamaha en Suzuki. In de
eerste 19 ronden zou er 17 keer een andere koploper zijn! Duhamel pakte het
eerste prijzengeld, door de eerste doorkomst aan de leiding te gaan, gevolgd
door Rayborn, Gould en de negentienjarige Ron Pierce, op een Yamaha. Gould en
Rayborn passeerden Duhamel en zouden tot de tiende ronde constant stuivertje
wisselen met z'n drieën, op korte afstand gevolgd door Pierce. Deze ging in de
tiende ronde het trio aan de leiding in één aanval voorbij en nam de kop over. Ron
Pierce (11-voudig deelnemer, met als beste prestatie een 2e plaats in
1979) reed zijn eerste 200 miler en reed enige ronden aan de leiding, totdat hij
onderuit ging door een plas benzine die vlak voor hem door een valpartij,
van Dave Scott en zijn Yamaha, was veroorzaakt. Nu kwam Duhamel weer als eerste
door, maar werd wel al snel weer door Cal Rayborn gepasseerd. In de twintigste ronde
begon de Yamaha van Yvon tekenen te vertonen van motorproblemen en hij reed de
pits in. Hij zou er niet meer uitkomen, aangezien zijn motor, na controle, niet
meer wilde aanslaan. Vele van de favorieten waren inmiddels al uit de strijd. De
Kawasaki van Dick Hammer gaf na één ronde al de geest, door een defecte
zuiger, en ook de andere Kawa van de Japanner, Takeshi Araoka, kwam al snel niet
meer door. Dick Mann reed, na een slechte start, een prachtige race, maar nadat
hij door problemen met een tankdop naar de pits moest, was ook zijn race ten
einde. Ook de Yamaha van Ralph White deed, na een tankstop, niets meer. Don
Vesco, had een zelfde soort probleem, nadat hij naar een keurige vierde plaats
was opgeklommen. Men ging er van uit dat er tijdens het tanken, benzine op de
cilinders was gelekt, wat veel schade en verlies van compressie met zich
meebracht. Ook in het Harley kamp bleef men niet van problemen verschoond, Roger
Reiman, die in de training al was gevallen, viel uit met een defecte koppeling,
en Fred Nix zijn Harley liep nog slechts op één cilinder.
|
|
Walt Fulton Jr.
|
Walt Fulton Jr.,
één van de beste wegracers van H-D reed op de langzaamste Harley een prima
race, samen met teamgenoot Dan Haaby, maar deed door gebrek aan snelheid niet
mee om de bovenste plaatsen. Het trio Suzuki's deed het deels goed en deels
slecht, Jimmy Odom reed een goede race, totdat een te slappe ketting het
achterwieltandwiel beschadigde en het voor Jimmy ook "einde oefening"
was. Art Baumann en Ron Grant reden beiden op een gegeven ogenblik in de
top-vier. Baumann moest echter naar de pits met mechanische problemen, op dat
moment ging Rodney Gould, tweede op dat moment, ook de pits in en kwam Ron Grant
in tweede positie te liggen. Wel lag hij toen al ver achter op Cal Rayborn. Een
ronde later moest ook Grant naar de pits, voor de geplande tankstop. Hierbij
ging het echter mis, de monteur die voor de tankdop moest zorgen, kreeg deze er
niet goed op en toen Grant de pits verliet, gutste er benzine uit de tank over
hem heen, waardoor hij kwam te vallen. Een geluk bij een ongeluk was, dat de man
op de derde plaats, Mike Duff, ver achter hem lag, zo ver dat hij tijd had om de
Suzuki terug te duwen, de verloren gegane benzine bij te vullen, te herstarten
en toch nog als tweede de baan weer op te gaan. Cal Rayborn reed inmiddels
rustig naar de finish om zijn titel te prolongeren. Met meer dan honderdzestig kilometers het uur gemiddeld en
voor de Suzuki van Ron Grant en de Yamaha van Mike Duff, pakte Harley
zijn laatste overwinning op het traject van Florida. Mert Lawwill
eindigde op de vierde plaats en Rodney Gould, ondanks drie pitstops, toch nog op
de vijfde. Bart Markel kwam als zesde over de finish, met zijn achterremschijf
compleet afgebroken. De Triumph en BSA motoren waren absoluut niet meer competitief,
des te knapper was het dat, A.M.A.'s #1 Gary Nixon, toch nog negende wist te
worden. De eerste BSA kwam binnen op een twintigste plaats met aan het stuur
Eddie Wirth en de beste Kawasaki, van Engelsman Dave Simmonds, kwam binnen op
een 17e plek. De jaren
zestig waren ten einde en de wegrace groeide en groeide. Bijna elke
motorenfabriek had er vitaal belang bij om de prestigieuze Daytona 200
te winnen, dus er werd veel geld geïnvesteerd om dit te laten lukken.
|

|
|
1969
Training Harley-Davidsonstal met rechts winnaar Cal Rayborn.
©
Don Emde Productions
|
|

|
|
"Victory
Lane" met Ron Grant/Suzuki (#12), winnaar Cal Rayborn/Harley
(#25) en Mike Duff/Yamaha (#17). Rechts naast Rayborn staat zijn
vrouw, Jackie, en achter Rayborn staat Leonard Andres, Harley
dealer en vader van meervoudig Daytona winnaar Brad Andres.
Andres won als sponsor en tuner 7 Daytona 200 titels met Harley.
©
Don Emde Productions |
|
UITSLAG ( eerste
10)
DAYTONA 200 1965
|
|
|
|
|
Rijder
|
Merk
|
|
1
|
Roger Reiman
|
Harley |
|
2
|
Mert Lawwill |
Harley |
|
3
|
George Montgomey |
Triumph |
|
4
|
Gary Nixon |
Triumph |
|
5
|
Dick Mann |
Matchless |
|
6
|
Buddy Elmore |
Triumph |
|
7
|
Bill Haast |
Harley |
|
8
|
Jody Nicholas |
BSA |
|
9
|
Larry Schafer |
Harley |
|
10
|
Garry Hall |
Harley |
|
|
UITSLAG (
eerste 10)
DAYTONA 200
1966
|
|
|
|
|
Rijder
|
Merk
|
|
1
|
Gary Nixon |
Triumph |
|
2
|
Buddy Elmore |
Triumph |
|
3
|
George Roeder |
Harley |
|
4
|
Mert Lawwill |
Harley |
|
5
|
Cal Rayborn |
Harley |
| 6 |
Wayne Cook |
Harley |
|
7
|
Dick Hammer |
Triumph |
|
8
|
Gene Romero |
Triumph |
|
9
|
Larry Palmgren |
Triumph |
|
10
|
Eddie Mulder |
Triumph |
|
|
UITSLAG (
eerste 10)
DAYTONA 200
1968

|
|
|
|
|
Rijder
|
Merk
|
|
1
|
Cal Rayborn |
Harley |
|
2
|
Yvon Duhamel |
Yamaha |
|
3
|
Art Baumann |
Yamaha |
|
4
|
Jack McNairy |
Harley |
|
5
|
Ron Grant |
Suzuki |
|
6
|
Buddy Elmore |
Triumph |
|
7
|
Jim Odom |
Triumph |
|
8
|
Peter Williams |
Matchless |
|
9
|
Mitsuo Itoh |
Suzuki |
|
10
|
Gene Romero |
Honda |
|
|
UITSLAG ( eerste
10)
DAYTONA 200 1969

|
|
|
|
|
Rijder
|
Merk
|
|
1
|
Cal Rayborn |
Harley |
|
2
|
Ron Grant |
Suzuki |
|
3
|
Mike Duff |
Yamaha |
|
4
|
Mert Lawwill |
Harley |
|
5
|
Rodney Gould |
Yamaha |
|
6
|
Bart Markel |
Harley |
|
7
|
Tom Rockwood |
Yamaha |
|
8
|
Peter Kellond |
Yamaha |
|
9
|
Gary Nixon |
Triumph |
|
10
|
Dan Haaby |
Harley |
|
|
|
| Cal
Rayborn |
 |
 |
| Brad
Andres |
Mark
Brelsford |
| ©
Motorcycle
Hall of Fame Museum |

|
Bovenste
foto : Ed Kretz Jr. trekt zijn startpositie
2e
foto: Vrouwelijke starter bij de 200
3e
foto: winnaar 1940, 1948 & 1951, Dick Klamforth door de
Noordelijke bocht
4e
& 5e foto: racers en toeschouwers
|
|

|
 |
|
|
Bovenste
foto : 1961 met George Roeder (3e) met #94, Don Burnett (2e) met
#21 en winnaar Roger Reiman (#55)
2e
foto: winnaar 1962, Don Burnett
3e
foto: winnaar 1963, Ralph White
4e
foto: winnaar 1961, 1964 & 1965 Roger Reiman (links) met vader
Hank.
|

 |
|
Yvon Duhamel |
|
|
(Special
thanks to Don Emde, winner of the 1972 Daytona 200, for using photographs from his book, The
Daytona 200 1st edition untill 1991. He also made a 2nd edition up
to 2003 and is currently working on the 3rd edition, which should be out
in mid-2008) (also
many thanks to "Motorcycle Hall of Fame Museum" for using some
of there pics)
Deel
4, Daytona 1970-1973
HOME |
|
©opyright 2006 Gerard van der Pot.
|
|