Home Jack Middelburg Guestbook GP-races Daytona Toon Kannekens Diverse

 

Daytona 200 1956 - 1963

                                        

Start van de Daytona 200 in 1956, met "slechts" 67 deelnemers dit jaar.

 

1956, winnaar Johnny Gibson

Een nieuw jaar, een nieuwe Daytona 200 en een nieuwe Harley-Davidson winnaar! 1956 zou een zeer zware race worden en vele coureurs zouden deze dag de finish niet halen. Uiteindelijk zouden slechts 16 van de gestarte 67 rijders de race tot een goed einde brengen. Men was inmiddels in Daytona, in 1956, overgegaan op kwalificatierondes rijden op vrijdag. Voorheen werden de startplaatsen bepaald bij loting. De coureurs moesten een traject van een mijl (1.609 km) afleggen vanuit een staande start. De gemiddelde tijd over die afstand was je trainingstijd. Het tijdmeten in die tijd, uiteraard met stopwatch, werd nog gedaan d.m.v. een draad die over de eindstreep was gespannen. 

Brad Andres op weg naar de snelste trainingstijd op vrijdag.

Brad Andres reed de snelste tijd met 203.30 km/u, voor Joe Leonard. Deze tijd van Andres zou op het strand nooit meer verbeterd worden. Met 15.000 toeschouwers langs de kant van het parcours ging de wedstrijd van start op zondag 11 maart. Vanaf de start ging Brad Andres er voluit vandoor, met in zijn kielzog Al Gunter op een BSA en de Harley-Davidson van Joe Leonard. De laatste moest het duel in de 9e ronde staken en zijn plaats achter de twee overgebleven koplopers werd ingenomen door Paul Goldsmith. Andres en Gunter moesten in de 14e ronde het slechte voorbeeld van Leonard volgen en zo waren alle drie de koplopers, met mechanische problemen, naar de kant. Paul Goldsmith had nu de leiding in het gezelschap van Dick Mann. Ze bleven samen tot in de 36e doorkomst, toen Mann, door een defecte clutch, evenzeer de race aan zich voorbij moest laten gaan. Nu leek Paul Goldsmith rechtstreeks naar zijn tweede overwinning, na die in 1953, toe te rijden, maar niets was minder waar. Twee ronden voor het einde sloeg ook voor hem het noodlot toe. Zo waren er die dag vijf koplopers geweest en die waren nu allen uit de race. Johnny Gibson, derde in 1955, erfde nu de vacante koppositie en pakte de overwinning in 2 uur, 6 minuten en 21.51 seconden, voor meervoudig winnaar Dick Klamfoth*, die op 22 seconden binnenkwam. Het duurde overigens wel even eer Gibson zelf ook wist dat hij had gewonnen, want hij had er geen idee van! Dick Klamfoth zijn 2e plaats betekende dat hij in acht deelnames, drie maal tweede en drie maal eerste was geworden!  

1956 Harley Davidson Model KRTT

Daytona 1956 winnaar Johnny Gibson..

1956 Harley Davidson Model KRTT

De Harley-Davidson Dealers Assocation had in Daytona dit jaar een tentoonstelling ingericht. Duizenden toeschouwers bezochten dit gebeuren en keken hun ogen uit bij de nieuwe modellen voor 1956 en de vele toekomstmodellen, antieke modellen en opgetuigde speciale motoren. Ook was er op zaterdagavond weer een groot Harley-Davidson dealers diner, waar honderden mensen (dealers en fabriekspersoneel) voor uitgenodigd werden. Zoals elk jaar waren er dit jaar ook diverse verkiezingen, zoals "The Populair Girl" verkiezing. Ook de uitreiking van de bokaal van de verkiezing van populairste coureur vond weer plaats in Daytona. De winnaar van het jaar 1965 was Everett Brashear uit Beaumont, Texas, met 7040 stemmen uit het hele land. De rest van de uitslag van de top-10 was als volgt: Brad Andres (6780), Joe Leonard (4060), Al Gunter (4000), George Roeder (3970), Don Rees (3880), Ed Kretz Jr. (3860), Al Bergquist (3840), Sal Scripo (3820) en tiende Paul Goldsmith met 3710 stemmen. 

1956, winnaar 250cc 100 mijls race voor amateurs, Bates Molyneaux

De 250cc amateur-race werd een prooi voor Bates Molyneaux, uit Corpus Christi, Texas, in 1 uur, 4 minuten en 6.72 seconden. Bates nam in het begin de koppositie in de race, op zijn Harley-Davidson type K, en leidde in de meeste van de 24 ronden. De overwinning bracht eer en glorie aan het Amerikaanse leger, want Bates diende bij de marine. Bates had zich het afgelopen jaar goed verbeterd, aangezien hij in 1955 nog tiende werd. Jack Schlaman werd tweede voor Roger Armstrong. 

    

BSA type Y13 replica waar Dick Mann mee reed.

BSA type 6R 400 replica  waar Bobby Hill  mee reed in 1954.

 

Dick Klamfoth

 

* Dick Klamfoth is geboren op 30 September 1928, in Columbus, Ohio, Dick zijn leven was gewijd aan de motorsport en alle zaken die met motorfietsen te maken hadden. Hij was ook de stuwende kracht achter het project, om een monument (in 2002) op het strand te plaatsen, om de jaren van de Daytona strandrace te herdenken. Dick begon te racen, rond het landbouwbedrijf waar hij tijdens de vroege jaren '40 opgroeide, toen hij 14 jaar oud was. Na wat lokale races, ging hij in 1948 naar Daytona, om daar mee te doen aan de amateur-race. Hij pakte daar direct een tweede plaats en besloot, nadat hij een jaar later zijn “nationale plaat” kreeg, om aan het echte werk mee te doen. Tijdens deze eerste poging, in 1949, op de zeer jonge leeftijd van 20, wist Dick al de fameuze 200 te winnen. Om dat opnieuw te doen, in 1951 en 1952, daardoor zal Klamfoth voor altijd met de Daytona geassocieerd worden. Hij was ook de eerste de drie maal winnaar van deze race werd. Dick maakte na zijn racecarrière de overgang naar een dealerschap voor Honda. Buiten drie keer winnaar in de Daytona 200 ('49, '51, '52) won hij ook - Laconia 1949, 1951, 1952; Heidelberg 1958, 1959; Richmond, 1951, 1954; Shreveport 1951; Ohio State Champ vijf keer; en was de populairste Amerikaanse coureur in 1962. Dit waren alleen de nationale en regionale kampioenschappen en ook daarbuiten pakte hij nog vele overwinningen. Klamfoth trok zich in 1962 terug en eindigde in al zijn racejaren, op twee keer na, bij de top 10 in het eindklassement. Hij boekte in zijn carrière totaal 12 nationale A.M.A. overwinningen en één internationale (Canada) winst. Dick verdiende respect op de circuits als rijder, monteur en sportman, en toonde ook zijn capaciteiten door de grootste Honda motorfietshandelaar van de V.S. te worden in de midden jaren ‘60.

 

1956: Dick Mann (#23) vocht 80 mijl lang een harde strijd met Paul Goldsmith (#3) om de leiding, totdat de koppeling van zijn BSA het begaf. Mann kwam elk jaar terug naar Florida en in zijn 14e optreden, in 1970, won hij de 200 mijler, om dat een jaar later nogmaals te evenaren.

1956: 1953 winnaar Paul Goldsmith (#3) slingert zich tussen een flinke valpartij door, om de leiding te nemen. Dertien km. (8 mijl) voor het einde van de race zal hij met machineproblemen uitvallen.

© Don Emde Productions

1959: de top 3 met v.l.n.r. winnaar Brad Andres, kiss-miss, Dick Mann (2e) en Tony Murguia (3e).

© Don Emde Productions

 

Begin van de race in 1957, boven met no: 1, A.M.A. kampioen '56 en winnaar Daytona '57, Joe Leonard. 

Tijdens de speedweek van 1957, ging de aandacht voornamelijk uit naar Al Gunter en Joe Leonard. Beide rijders hadden vaak aan de kop van een Daytona 200 gereden, maar door mechanische problemen nooit de overwinning gepakt. Ze waren beiden in topvorm naar Daytona gekomen. Gunter vertegenwoordigde BSA en Leonard droeg de kleuren van Harley-Davidson. Leonard bereed dit jaar de winnende Harley (1955) van Brad Andres. Brad was ernstig gewond geraakt tijdens een valpartij in het naseizoen van 1956. Hij zou het volledige seizoen van 1957 moeten missen. Gunter kwalificeerde zich met de snelste tijd van bijna 186.83 km/u. Leonard was tweede met een tijd van 185.64 km/u. Bij het vallen van de vlag, begon direct het te verwachten duel. Ze vertokken zo agressief, dat zij aan het eind van de derde ronde al een voorsprong van 22 seconden op nummer drie hadden. Hun snelheid werd er niet minder om en zo snelden ze de eerste 100 mijl over het parcours. Ze vochten een fantastisch gevecht uit om de leiding en wisselden constant van positie. Gelijktijdig stormden ze de pits in voor brandstof en een nieuwe bril en beiden reden ook weer gelijktijdig de pits uit om het duel nogmaals 100 mijl te gaan voortzetten. Tijdens zijn pitsstop hadden zich echter problemen voor Al Gunter voorgedaan, i.p.v. een nieuwe bril had zijn team hem weer zijn oude, vol met krassen zittende, bril gegeven. Hij kreeg steeds minder zicht, maar hij zette door. Joe Leonard begon echter langzaam weg te lopen en Gunter wist dat als hij zou stoppen voor een nieuwe bril, hij nooit meer bij Leonard in de buurt zou komen. Hij bleef dus voortgaan, ook al had hij bijna geen zicht meer. Uiteindelijk gooide hij zijn bril af en ging zonder verder. Leonard handhaafde de marge ten opzichte van Gunter tot aan de finish en zijn eerste Daytona 200 victorie was een feit. Hij had door de jaren heen al vele overwinningen geboekt, maar deze overwinning op 3 maart 1957, was wel de belangrijkste in zijn carrière. De winst was de derde op rij voor Harley-Davidson, dat slechts vijf jaar daarvoor volledig uit competitie was geweest. Al Hunter kwam toch nog als tweede over de streep, met door het zand zwaar geteisterde ogen. 

Leonard wordt als winnaar afgevlagd.

Joe Leonard met miss en Leonard Andres, vader van Brad en toptuner.

 

1957 Starter Jim Davis zwaait de vlag voor de finish van Joe Leonard (#1), die op de finishlijn bijna nog Warren Wolfe (#23), die twaalfde wordt, op een ronde achterstand zet.

Begin van de race, Al Gunter voor Joe Leonard

 

De toeschouwers die de gehele week aanwezig waren hadden zich niet verveeld, er waren in Florida, vele bezienswaardigheden in de omgeving: (John F.) Kennedy Space Center (Cape Canaveral), vanaf 1949 testterrein voor de lancering van raketten en later (1958) dienstdoende als NASA-lanceerbasis voor o.a. de maanlandingen en vandaag de dag voor de lancering van de Space Shuttles. De stad Orlando met de Universal Studios, Sea World en het Walt Disney World Resort (vanaf 1971) met al hun pretparken. De Florida Keys, een reeks van ongeveer 1700 kleine eilandjes. Nationaal park de Everglades, een gigantisch natuurpark. Silver Springs, alles wat je maar op watergebied kunt bedenken, Six Gun Territory, een grote westernstad. Verder Marineland, Cypress Garden, Busch Gardens, tec, teveel om op tenomen. En uiteraard Daytona Beach met zijn bijna 40 km. zandstrand langs de Atlantische Oceaan. Dus voor ieder wel iets om te bezichtigen. Verder werden de mensen uiteraard geamuseerd met vele races van divers kaliber.

 

Marineland

 

1957: boven: Bill Holcomb wordt als tweede afgevlagd in de 100 mijl race. onder: Roger Reiman in de 'hillclimb'           

De Daytona Speedweek begon in 1957 met diverse 'drag races' (sprintraces) series op dinsdag 26 februari. 

1957: 'drag races'

De volgende dag nam het aantal motorsportactiviteiten flink toe, te beginnen met de 'hillclimb' wedstrijden. Door zachte zand een steile berg, van dertien meter hoog opracen. Roger Reiman (toekomstig 200 winnaar) had deze vorm van motorsport al twee keer gewonnen in Daytona op zijn Harley. Hij bedwong de top in 1.95 seconde. Er werd gestreden in diverse klassen (Light Heavyweight/Medium Weight/Bantam weight, etc.). De allersnelste van de dag was Everett Wright met 1.78 seconde. Ook werden die dag de 'Scrambles Races' gehouden, ook hierbij diverse klassen en series. Races over vier en zes ronden. Eerst werden er diverse series verreden en de winnaars kwamen tegen elkaar uit in de finale. Op donderdag werd de "Reliability Run" gehouden, een uithoudingstestrace door bossen, rivieren en over wegen. Er stonden 117 coureurs aan de start van deze 100 mijls race, die werd gewonnen door Leroy Winters. Donderdagnacht werden er in het Municipal Stadium allerlei motorspelen gehouden. Vrijdagavond de traditionele uitreiking van alle awards van het jaar ervoor. Kampioenschappen, verkiezingen, etc. Op zaterdag dan de 100 mijls race voor amateurs en op zondag de race waar alles om draaide, de Daytona 200! 

  1958 kon als één van de minst spannende 200 mijlsraces de boeken in. De verdedigende kampioen Joe Leonard was een klasse apart dat jaar. Hij zette veruit de snelste kwalificatietijd neer met 190.53 km/u en reed direct van de start weg om zijn tweede achtereenvolgende overwinning te incasseren. Zijn gemiddelde snelheid van 160.67 km/u over de 200 mijl zou nooit meer gebroken worden op het strandcircuit. De concurrentie van Joe, dat jaar, zou hebben moeten komen van Brad Andres en Al Gunter. Andres, terug in de racerij na zijn afwezigheid van een jaar door blessures, reed een groot deel van de race op de tweede plaats, voor hij uitviel met koppelingsproblemen. Gunter, op Harley dat jaar, kwam niet hoger dan een achtste plaats, alvorens uit te vallen na negen doorkomsten. Tijdens de race klokte Leonard ongeveer zes seconden per ronde sneller dan Dick Mann die op de tweede plaats eindigde. Bijna had Mann helemaal niet deelgenomen aan de race. Hij was samen met Al Gunter, vlak voor de Daytona 200, de motoren aan het uitproberen op de openbare weg. Terwijl ze de bougies stonden te controleren, langs de weg, werden ze gearresteerd door de plaatselijke sheriff, deze had ze veel te hard zien rijden. Ze werden beide in een cel opgesloten en hadden het aan BSA-manager, Ted Hodgdon, te danken dat ze toch aan de race konden deelnemen. Hij betaalde hun borgtocht van $1000. Ook voor Hunter, die juist dat jaar, na vele jaren bij BSA in dienst te zijn geweest, was overgestapt naar Harley. Een jaar later zat hij weer terug bij BSA.... Het prijzengeld ($1500) dat Dick Mann met zijn 2e plaats won, ging dus grotendeels naar de regering. Niet alleen was Joe Leonard het snelste op het circuit, maar hij was ook het snelst in de pits. Met behulp van een nieuw ontwerp snelvulsysteem, kon hij 22 liter benzine in vijf seconden tanken! Dit was zeer snel voor die tijd. Op de finish bedroeg het verschil met nummer twee, Dick Mann, ook op een Harley, maar liefst 4,5 minuut. Het gerucht ging na de race, dat het wel eens de laatste Daytona 200 geweest kon zijn. Conflicten met projectontwikkelaars en huizenbouw in het gebied konden wel eens het einde betekenen van de racerij op het beroemde strand van Daytona Beach.  

Joe Leonard na zijn tweede achtereenvolgende zege.

 

1958: tijdens de Daytona 200 Speedweek werd op vrijdagavond altijd de 'awards' uitgedelld van het seizoen ervoor. Hier hebben Al Hunter en Leslie Pink de prijs gekregen van populairste man/vrouw motorsporters Dick Mann Joe Leonard passeert een achterblijver binnendoor. 

 

Dick Mann
* Dick "Bugsy" Mann zal de geschiedenis ingaan als één van de meest veelzijdige racers ooit. Tweemaal was hij A.M.A. ‘Grand National Champion’, Mann was één van de zeer weinig coureurs die op elk niveau uit de voeten kon. Of het nu dirttrack, wegrace of motorcross was, hij kon het allemaal. Toen hij zich, in 1974, uit het professionele racen terugtrok, was Mann tweede op de A.M.A. aller tijden lijst, met 24 nationale overwinningen en hij had een van de langste carrières in de motorsport achter de rug, met veel succes, die liep van de vroege jaren '50 tot aan de midden jaren '70. In 1971, werd Mann de eerste rijder die een motorsport ‘Grand Slam’ won, dus winst in alle vormen van het A.M.A. ‘Grand National Championship’: op de mijl, halve-mijl, shorttrack, TT en in de wegrace. Dick Mann werd geboren in Salt Lake City, Utah, op 13 juni 1934. Zijn eerste kennismaking met motorrijden, was tijdens zijn tienerjaren, toen hij op een scooter zijn krantenwijk deed. Mann en zijn collega’s, terroriseerden de buurten van Richmond in de vroege ochtenduren. Zijn dirttrack vaardigheden leerde hij tijdens deze ochtendklus. In de weekends, reed Mann in de heuvels op velden waar koeien hadden gelopen, dit gaf hem de off-road ervaring die hij later gebruiken bij de motorcross zou gebruiken. Na zijn schooltijd te hebben doorlopen, ging Mann als motorfietsmonteur aan de slag en werd een top werktuigkundige. Hij begon tijdens deze periode ook te racen, en in de zomer van 1954 maakte hij de overstap van amateur, onder begeleiding van veteraan Al Gunter, naar het professionele circuit. Mann pakte in zijn eerste Grote Nationale race, de Daytona 200 van 1955, direct een zeer mooie zevende plek. De daarop volgende drie jaar bouwde Mann geleidelijk een zeer goede naam op in het racecircuit. In 1957, eindigde hij voor de eerste keer bij de eerste tien, in de eindstand van het kampioenschap. Hij pakte een aantal podiumplaatsen, o.a. een tweede plek in de Daytona 200 en Laconia wegraces in 1958. De Peoria (Illinois) TT was de plaats waar Dick Mann zijn eerste nationale winst pakte in 1959. Het zou ook toevallig de plaats zijn waar Mann zijn allerlaatste nationale race zou winnen, 13 jaar later. Tegen het einde van de jaren '50, was Mann één van eliteracers in Amerika, hij eindigde tweede achter topper Carroll Resweber in de ‘A.M.A. Grand National Series’ van 1959. In 1963, greep Mann vijf podiumfinishes, en na winst op het circuit van Park Ascot in Gardena, Californië, won hij zijn eerste ‘A.M.A. Grand National Championship’. Het zou acht lange jaren duren alvorens Mann zijn tweede nationale titel zou winnen. In de tussentijd, bleef Dick Mann wel vele races winnen en hij vond ook de tijd om de motorcross sport in Amerika te helpen promoten. Mann vertegenwoordigde ook de Verenigde Staten in de beroemde 'Transatlantic Match Races', tussen de gevestigde sterren van Groot-Brittannië en Amerika.

Waarschijnlijk was Mann’s grootste en mooiste overwinning de Daytona 200, in 1970, op een nieuwe Honda CB750. Uiteindelijk had Mann de 200 al 15 keer meegedaan en was drie keer op de tweede plaats geëindigd, maar nu lukte het dan eindelijk om hem ook te winnen. Het was bovendien Honda's eerste winst in een nationale race van de A.M.A. In 1971, keerde Mann, op 37-jarige leeftijd, naar zijn grote liefde, BSA, en won zijn tweede ‘A.M.A. Grand National Championship’, als oudste rijder in de geschiedenis van de series. Het '71 seizoen betekende een tweede fase in Mann's carrière. Velen vonden hem te oud om met/tegen de nieuwe jonge sterren te racen, maar Mann bewees het ongelijk van deze pessimisten, door de seizoensopener, de Houston TT, te winnen en daarna, voor de tweede maal in successie, de Daytona 200. Hij zou daar nog twee keer winst in een wegrace, dat jaar, aan toevoegen. Mann werd uitgeroepen tot de populairste rijder van de A.M.A. dat jaar en ook in 1972 en 1973, op bijna 40 jarige leeftijd, bleef hij zijn races winnen en hoog in de eindstand eindigen. Dick Mann stopte in 1974 met racen, hij had in meer dan 230 A.M.A. races deelgenomen. Hij zou nog wel steeds aan allerlei trial- en veteranenraces mee blijven doen. 

Op 27 juli 2006, wordt er in de 'Motorcycle Hall of Fame Museum', een speciale ruimte geopend over de racecarrière van Dick Mann, de "SuperMann". De 73 jarige knipte zelf het lint door om de tentoonstelling te openen. Het museumpersoneel deelde aan de ongeveer 400 genodigden, strohoeden uit, in een hulde aan Mann, die bekend stond om het dragen van goedkope strohoeden als hij in de pits aan het werk was. De directeur van het museum memoreerde dat Mann de eerste man in geschiedenis was die in elke categorie van de ‘AMA Grand National competition’ wist te winnen. Maar Mann merkte nederig op dat het hem 20 jaar had gekost om dat te bereiken en dat de legende Kenny Roberts het in één jaar voor elkaar kreeg.

Dick Mann ontvangt de felicitaties van de museumdirecteur.

 

In 1959 waren de conflicten met de gemeenschap gelukkig voor het grootste deel opgelost. De 200 ging weer door en wel op 8 maart! Terwijl 1958 een race zonder veel spanning was, maakte de race van 1959 dat meer dan goed. De 101 coureurs stonden in zeven rijen opgesteld voor de massastart, met Everett Brashear op de gunstigste startpositie, na zijn snelste trainingstijd (nieuw record), gereden op vrijdag. Na ongeveer 3200 meter was de beruchte Noordbocht en iedereen probeerde uiteraard altijd om hier zo gunstig en snel mogelijk doorheen te gaan, maar hij was uiteraard veel te smal voor het complete veld! Na zo'n eerste doorkomst en als het stof was neergedaald, kon men zien welke rijders het niet hadden gered. De 200 mijl begon met vijf rijders in duel, het ging tussen de snelst gekwalificeerde Everett Brashear, Joe Leonard, Brad Andres, Tommy Morris en “rookie” Roger Reiman (1938-1997)*. Brashear was de eerste die afviel, aangezien hij onderuitging in de zuidelijke bocht, waar men het strand weer opdraaide, in de eerste ronde. Morris was de volgende, die met zijn machine ten onder ging, in de tiende ronde, maar de rest bleef 27 ronden als aan een touwtje bij elkaar, terwijl ze constant stuivertje met elkaar wisselden. Zij aan zij denderden ze met z'n drieën over het parcours, ze gingen alleen van elkaar af, als er een langzamere deelnemer gepasseerd moest worden. Links en rechts waaierden ze dan uit, maar voegden zich weer tot een "close" triootje als ze hem voorbij waren. Het was letterlijk en figuurlijk een stormachtige race dit jaar. Op de achterkant van het circuit (het asfalt gedeelte) stond een harde wind pal op de coureurs en op het strand werden hoge golven het strand opgeduwd. Dit maakte de race nog heftiger als dat hij in werkelijkheid al was. Andres en Reiman, gingen uiteindelijk gelijktijdig de pits in, waar de teams zeer snel hun werk deden, want als je iets langer stilstond, dan de ander, kon dat de race kosten. Beiden kwamen na exact 13 seconden weer de baan op en nu was het een duootje dat aan elkaar geklit was. Joe Leonard viel in de 29e ronde uit met een gebroken ketting en zijn droom om de allereerste te zijn met drie Daytona overwinningen op rij was uit (Leonard zou de overstap maken naar het autoracen en bijna de Indianapolis 500 race oftewel de "Indy 500" winnen. Hij lag tot een paar ronden voor het einde van de race aan de leiding. In 1971 & 1972 werd hij wel nationaal kampioen). Reiman bleef met Andres tot de 36ste doorkomst samen doorgaan, tot ook hij uitviel met een gebroken ketting en Andres de overwinning in de "schoot geworpen" kreeg. De race voor de rest van de negentien "geldplaatsen" was nog ongemeen spannend, dus er was voor de enthousiaste menigte nog genoeg te beleven. Zelfs na het uitvallen van een deel van de eerste kopgroep, pakten de  Harley-Davidson coureurs nog de eerste vijf posities aan de finish. 14.000 toeschouwers zagen de vijfde opeenvolgende overwinning van Harley dat jaar. Dick Mann finishte als tweede voor Tony Murquia, Jack Gholson en Bobby Sirkegian. Murqui was een eerste jaar "expert" (prof) die het hele veld (buiten Andres en Mann) op een ronde reed. Hij was als laatste gestart, omdat op de startlijn een defecte bougie hem parten speelde. Op het moment dat zijn monteur de bougie had vervangen, kwam het hele veld al weer het strand op, om de eerste ronde te voltooien. Hij begon dus met een volledige ronde achterstand aan de race. Om dan, zeker als 'rookie', nog het podium op te rijden, was een hele prestatie! Hij eindigde 56 seconden achter Dick Mann, die twee pitsstops had gemaakt, in de 24e en 47e ronde en een prima gemiddelde had gedraaid. Andres reed de race in 2 uur, 0 minuten en 36 seconden, de derde tijd ooit verreden op Daytona Beach en dat ondanks de zeer sterke wind (storm), deze wind en het daarmee gepaard gaande "soppige" strand, weerhielden hem ervan een nieuw en zeer sterk record neer te zetten. Het zware parcours en omstandigheden, grepen hun tol en bijna 70 rijders haalden de finish niet. Van de 101 deelnemers, kwamen er 38 over de finish. Van de eerste achttien aankomenden, waren er maar liefst twaalf op een Harley gestart. Onder de toppers die waren uitgevallen bevonden zich verder: Bart Markel (7e ronde), Carroll Resweber (16e), Bobby Hill (19e) en Johnny Gibson (36e). Zo liepen de jaren '50 ten einde en het was een prachtig racedecennium geweest. Norton overheerste het begin en Harley-Davidson het einde.  

1969: Bill Scott wint de 100 mijlsrace en krijgt o.a. felicitaties van William A. Davidson (rechter foto).

Bill Scott, een 20-jarige monteur uit Kewanee, Illinois, deed voor het eerst mee aan de 100 mijls race voor amateurs, over 25 ronden, en dit werd direct een daverend succes voor de jongeling. Halverwege de race nam hij de leiding en zou die niet meer uit handen geven. Een harde en koude noordoosten wind zorgde op de racezaterdag ervoor dat het geen recordwinnende race werd, maar daar zal Scott maling aan hebben gehad. Er gingen 56 rijders van start, waarvan er zeven bij de eerste doorkomst al niet meer in de race waren. In de eerste bocht had zich een massale valpartij voorgedaan, zonder noemenswaardige blessures. Ralph Tysor, de trainingssnelste, nam de leiding in de race, flink op de huid gezeten door Billy Holcomb. In de tiende ronde nam Scott, als derde getraind, de tweede plaats over van Holcomb en in de twaalfde doorkomst lag hij ook voor Tysor. Hij zou vanaf dat punt de leiding dus niet meer uit handen geven.

1959 betekende wel bijna het einde voor de befaamde en geliefde 200 mijls race, 'The Central Labor Union', die in 1954 de organisatie van Bill France Sr. had overgenomen, had financieel grote verliezen geleden en trok zich terug als promotor. Een kleine groep van moteleigenaars probeerde om redding te brengen. Dit leek een verloren zaak, aangezien ze totaal geen verstand van zaken hadden, maar ze wilden de race levend zien houden, tot aan het moment dat de races naar het nieuwe circuit zouden verhuizen. Dit circuit was op dat moment in aanbouw. Samen met diverse officials van de A.M.A. kregen ze het uiteindelijk voor elkaar om een prachtig raceprogramma, met totaal 1059 deelnemers, in elkaar te draaien, dat acht dagen zou duren. De groep moteleigenaars zou zich na een jaar al weer terugtrekken, omdat de kosten al waren opgelopen tot $54.000. De sanitaire zaken, verzekeringen, controle, kosten en andere problemen, maakten het voor deze mensen een onmogelijke zaak om de races te organiseren. Nu was het de promotor van een ander circuit, Ascot Park, die de nieuwe promotor werd. Dit was J.C. Agajanian. In 1961 zou de race onder de A.M.A. vlag worden verreden en op het nieuwe circuit van Bill France. 

1959, Tony Murquia, Brad Andres & Dick Mann

De Noordelijke bocht, die aansloot op de hobbelige strandweg

 

Roger Reiman

 

* Roger Reiman, uit Kewanee, Illinois, zou drie keer de Daytona 200 winnen. De Harley-Davidson dealer nam voor het eerst deel aan de 200 mijls race in 1959 en de laatste keer in 1974. Nadat hij zich uit de “Grand National Serie” van de A.M.A. terugtrok, zou Reiman jaren deelnemen aan veteranenraces in de jaren '80 en de  jaren '90. Op 51 jarige leeftijd, in 1990, ging Reiman ook weer meedoen in Daytona races, nl. de “AMA Harley-Davidson 883cc Road Racing Series” in het bijprogramma van de befaamde Daytona Speedweek. Reiman eindigde zijn eerste race in Daytona op een ongelooflijke zesde plaats, in die race, in een veld van vele jonge coureurs. Hij bleef tot 1995 meedoen met deze Harley-Davidson 883cc wedstrijd. Op 4 maart 1997, zou hij, tijdens een legendenrace op Daytona (hoe macaber) in het bijprogramma van de Daytona 200, om het leven komen op 58-jarige leeftijd.

Roger Reiman, "number One" in 1964, tijdens de shorttrack in Daytona 1965, die hij winnend afsloot.

Reiman in 1987 in actie tijdens de Pro Twins race in Daytona, waarin hij vierde werd. Rechter foto is in 1988, toen hij ook nog aan diverse races deelnam in de Daytona Speedweek. 

1960, autoraces op het Daytona Beachcircuit

                                                   

 

winnaar 1938 en 1939 Ben Campanale winnaar 1940 Babe Tancrede winnaar 1948 Floyd Emde winnaar 1953 Paul Goldsmith winnaar 1957 en 1958 Joe Leonard winnaar 1959 en 1960 Brad Andres

Het aanbrengen en gladmaken van de 33 graden steile kombaan.  © Don Emde Productions

 Het jaar 1960 is zeker voor de geschiedenis van Daytona erg belangrijk. De wedloop trekt dat jaar niet veeltoeschouwers en deelnemers meer. Het zand/asfalt traject is niet snel genoeg meer en de problemen met de oprukkende huizenbouw stapelen zich ook verder op. Vierentwintig jaar had de strandbaan haar diensten bewezen en honderdduizenden mensen zeer enerverende races voorgeschoteld. William "Big Bill" Henry Getty France Sr. (1909-1992), de grote ondernemer van de stad, had zijn vermogen opgebouwd door, persoonlijk, een groot deel van deze stad te bouwen. Geboren in Washington, "vluchtte" France in 1934, vanwege de Grote Depressie, met 100 dollar in zijn zak, met zijn familie naar Miami. Doordat zijn auto stuk ging in Daytona Beach en hij het een leuk stadje vond, besloot hij daar te blijven. Zelf deed hij ook veel aan stockcar racen. In 1953, bewust van de problemen van de races, besluit hij om te investeren en lanceert, bijna alleen, een groot plan. Jaren later kan hij zijn droom werkelijkheid maken. Hij maakt de keus om bijna tweehonderd hectaren moeras op te kopen, droog te leggen en begint een gigantische klus een paar mijl ten westen van het oude circuit en het strand. Hij bouwt een "speedway" die waanzinnige werkzaamheden met zich meebrengt en een totaal aan kosten, voor die tijd erg veel geld, van 3 miljoen dollar. Meer dan een miljoen meters grond worden verplaatst, honderden met beton gevulde vrachtwagens worden aangevoerd. Aan het einde van de klus vereist er een buitengewoon traject van 3,2 kilometers, met prachtige kombaanbochten, waar meer dan 60.000 toeschouwers op de tribunes kunnen plaatsnemen. En behalve een parkeerterrein voor 75.000 auto's - het is Amerika, alles groot, groter, grootst! - alles wat noodzakelijk is om 75.000 andere toeschouwers binnen het traject te ontvangen. Maar het belangrijkste idee is voortaan races op twee en vier wielen te verenigen. Buiten de autoraces in de stijl van stockcars (NASCAR), kon Daytona nu een nieuwe start aan zijn traditionele 200 mijlen (321.6 kilometer) geven. France was tevens de oprichter van de "Association for Stock Car Automobile Racing (NASCAR)" in februari 1948. Binnen 10 jaar bouwde France nog vele andere super speedways in Atlanta, Charlotte, Dover, Michigan, Pocono, Rockingham en in Talla. In 1959 organiseert France al de eerste stockcarrace en een jaar later de NASCAR autorace op het nieuwe circuit. De Daytona motorrace wordt, in 1960, nog op het oude circuit verreden, het zal de laatste zijn. Brad Andres de titelverdediger pakte de snelste trainingstijd, maar hij wist dat het een moeilijke race zou worden, want er reden maar liefst 84 andere coureurs op het type Harley zoals hij. Tweede in de training was Roger Reiman, voor Roy Durham, Jim Koplinski en Everett Brashear. Na een vijf minuten "countdown" procedure, viel de startvlag en 94 motoren gingen met een gigantisch gebrul van start. Andres en Reiman maakten hun snelle trainingstijden waar en lagen direct aan de leiding. Carroll Resweber (14e in de training), Joe Leonard (12e) en Larry Schafer (15e) hadden een  goede start, eveneens vanuit de eerste groep, en volgden de twee koplopers. Ook George Roedersloot zich vanaf de tweede startrij bij de kop aan. Uiteindelijk ontstond er een gevecht om de leiding van de race tussen Brad Andres, Roger Reiman en de nationale kampioen, de Texaan Carroll Resweber. Het drietal gaf elkaar niets toe en constant pakte een ander de kop in de eerste helft van de race. De leiding veranderde zo vaak dat het niet bij te houden was. Reiman reed op een "raket", Resweber was onklopbaar in de bochten en Andres zat op de machine die twee jaar achter elkaar de snelste in de training was gebleken. Deze combinaties betekenden een zeer felle strijd. Vlak achter dit trio zat nog een drietal dat in hun duel niet onder deed voor de leiders in de wedstrijd. Joe Leonard, Larry Schafer en George Roeder maakten elkaar het leven zuur voor de vierde plaats. Ook achter deze groep was er volop actie te beleven, terwijl de betere rijders door het veld manoeuvreerden. De stand bij de tiende doorkomst was als volgt: Reiman, Andres, Resweber, Leonard, Schafer, Roeder, Neil Keen, Jim Koplinski, Bart Markel en John Gibson. Dick Mann en Bates Molyneaux, twee Daytonaveteranen waren al uit de race. De volgende tien ronden gebeurde er weer van alles, zoals de volgorde na twintig ronden laat zien: Andres, Resweber, Reiman, Leonard, Roeder, Tony Murquia, Gibson, Schafer, Tom Clark en Gary Emmick. Koplinski en Brashear waren uitgevallen en Neil Keen was onderuit gegaan, maar reed weer. Tegen het midden van de race begonnen de pitcrews in beweging te komen. Het team van Resweber had een transistorradio op zijn lichaam geplakt en zonden hem zo signalen toe! Na ongeveer 100 mijl ging het mis in de kopgroep voor Roger Reiman, zijn tank begon serieus te lekken en hij moest naar de pits om zijn tank te laten vervangen. Dit duurde 3 ronden, maar uiteindelijk wist hij nog knap op een 18e plaats te eindigen. In de 30e ronde hadden alle coureurs hun pitsstop gemaakt en ondertussen was de strijd aan de kop onverminderd verder gegaan. Helaas was de race voor Resweber een paar ronden later ook ten einde toen zijn koppeling het begaf. Andres had een minuut voorsprong op Roeder op dat punt en zag dit niet meer in gevaar komen. Zo won Brad Andres, voor het tweede jaar op rij, wederom de race, en dus de laatste op het strand, voor George Roeder*(1936-2003) en Joe Leonard. Andres evenaarde met zijn winst het record van de drie overwinningen van Dick Klamfoth. De eerste 14 plaatsen aan de finish waren voor een Harley-Davidson berijder, een record wat nog altijd staat. De eerste coureur die geen Harley bereed, en dus vijftiende werd, was Pat McHenry op een BMW. Deze BMW had een flinke tank en daar reed hij bijna de hele afstand van 200 mijl mee, zonder te tanken. Echter een ronde voor het einde was dan toch zijn tank leeg. Hij had het geluk op precies voor de pits stil/droog te vallen. Van een concurrerende pitsbemanning kreeg hij benzine en zo kon hij toch nog over de finish komen als eerste niet-Harley. De eerste 20 rijders, waarvan 17 op een Harley, kregen prijzengeld. Slechts 35 rijders haalden de finish dit jaar. Er was tijdens deze editie van 1960, een toeschouwer te betreuren, die aangereden werd en kwam te overlijden.

George Roeder

George Roeder was één van de belangrijke “Grand National” racers van de A.M.A. tijdens de jaren '60. Hij won acht nationale races tijdens de jaren '60 en diverse titels en was een lid van het Harley-Davidson fabrieksteam. Naast één van de beste AMA racers in de dirttrack, zette Roeder ook snelheidsrecords met een 250cc Harley-Davidson, zoals in 1965 met een wereldrecord op de Zoutvlaktes bij Bonneville Salt Flats in Utah. Hij reed een record van ruim 285 km/u. op een 250cc machine, die hij de naam "the Streamliner" had gegeven. Roeder werd op 16 augustus 1936 geboren, in Monroeville, Ohio en begon op zijn zeventiende met racen. Hij werkte zich snel door de rangen van nieuwkomers en amateurs en begon een profloopbaan. Na een succesvol rookieseizoen in 1956, begon hij het seizoen van 1957 met een nieuwe Harley-Davidson aan de “Grand National” races. De daarop volgende jaren vocht hij, op het circuit, met andere toppers zoals Joe Leonard, Carroll Resweber, Everett Brashear, Dick Klamfoth, Dick Mann en Bart Markel. Hij won vele races de jaren die volgden. Na zijn terugtrekking uit de motorsport, in 1967, ging Roeder terug naar zijn boerderij om hier een bestaan op te bouwen. Hij reed nog wel eens een enkele keer een dirttrack wedstrijd, maar dat was het. Een paar jaar later, in 1972,  opende George een dealerschap van Harley-Davidson in zijn geboorteplaats Monroeville. Overdag was hij nu bezig op zijn boerderij en 's-avonds in de werkplaats. De motorzaak verkocht hij in 1993 aan zijn oudste zoon Will, maar hij was er nog elke dag te vinden. Op 8 mei 2003 overleed Roeder op 66-jarige leeftijd.

 

1963 George Roeder mist op één punt na "The Number One" titel van de A.M.A., die nu naar Dick Mann ging. Hij kreeg dit jaar (1963, foto) wel de A.M.A. trofee voor meest populaire coureur (zou deze ook in 1965 nog een keer winnen). Roeder wist nooit de Daytona 200 te winnen, maar werd wel 2x tweede en 2x derde. 

George had vijf kinderen onder wie drie zoons, die ook hun stappen in de racerij hebben gezet, Wil, George II en Jess.

De 250cc100 mijls race voor amateurs in 1960 (op de foto de start) werd gewonnen door de jonge Tommy Segraves, die vooraf ook een van de favorieten was. Hij had zich als zesde geplaatst voor de race achter John Persson, Len McGuire, Larry Palmgren, John Melniczuc en John Berlin. Op het moment dat de tachtig amateurs van start gingen nam Tommy Segraves direct de leiding, verloor deze nog even aan Eddie Warren, maar kwam weer terug aan de kop van het veld. Hij zou de rest van de race niet meer in gevaar komen en reed met een nieuw record over de finish. Persson en Warren moesten nog even uitmaken wie er twee en drie zou worden, maar nadat Warren dit gevecht in zijn voordeel had beslist, reden ook zij zonder verdere problemen naar de finish. Zij waren uiteindelijk de enige twee die niet door Tommy Segraves op een ronde achterstand werden gereden. 

 

 

1960, Carroll Resweber (#1) en Brad Andres (#4)

1960, het veld door de Noord bocht

1960, Winnaar Brad Andres, George Roeder & Joe Leonard

De eerste drie in de 100 mijls 250cc race voor amateurs, eveneens de eerste drie in de 200, op een Harley. Winnaar Tom Segraves (#95), Ed Warren en John Persson.

Monument ter nagedachtenis aan de tijd dat de Daytona 200 op het strand werd verreden van 1937 t/m 1960, met een foto erop van de start van de 1959-er 200 en foto's van de 12 winnaars. 1954, BSA reclame na winst in de Daytona 200

 

Het nieuwe circuit in 1961, het donkere is de baan die van 1961 t/m 1963 werd gebruikt. De buitenste baan is met de kombanen erin die vanaf 1964 ook voor de Daytona 200 werd gebruikt.

1961, de inwijding van het nieuwe circuit (voor de motoren), kent een nieuwe overwinning van de fabriek Harley-Davidson. Roger Reiman uit Kewanee, Illinois, wint, voor de Triumph van Don Burnett de wedstrijd met meer dan honderdenelf km gemiddeld, maar zonder daarvoor de grote kombaanbochten te gebruiken die juist het bijzondere van dit circuit eer aandoen: A.M.A., die eventuele ongevallen vreest, verbied nl. het gebruik ervan. Het is dus op de binnenste baan dat de motoren, die altijd met grote fietssturen "koeienhoorns" worden uitgerust, meer verwanten van dirt track blijven dan van de wegracewedstrijden. De meeste coureurs kwamen met hun dirttrackracers aan de start. Niemand had er bij stilgestaan dat je op de betonnen baan met echte wegracers van start moest gaan. Die waren in Amerika nog niet zo bekend, maar in Europa reed men er al enige jaren wedstrijden mee. Roger Reiman, Carroll Resweber* en Don Burnett, een Triumph coureur uit Massachusettes, dicteerden de race. Resweber had nooit veel geluk gehad in Daytona, maar had wel diverse andere races op zijn naam staan, dus was wel iemand om rekening mee te houden. Hij was de A.M.A. kampioen (The Number One) van 1958 t/m 1961. Na de trainingen hadden de Harley-Davidson fabrieksrijders drie van de eerste startplaatsen te pakken, Bart Markel was vijfde, George Roeder derde en Roger Reiman mocht van "pole" vertrekken. Carroll Resweber, ook op Harley, had de tweede tijd gerealiseerd. Bij het vertrek nam Larry Williamson uit Peoria, Illionois op eveneens een Harley de leiding, maar deze moest de kop al na een ronde afstaan aan Roger Reiman, die de rest van de race (99 ronden) de leiding niet meer uit handen zou geven! Carroll Resweber zou meer dan 50 ronden op een afstand van rond de 13 seconden achter Reiman rijden, echter ook dit jaar zat het niet mee, hij viel uit met schakelproblemen in de 52e van de 100 racerondes. De eenzaam rijdende, ex-winnaar van Daytona, Dick Klamfoth kreeg koppelingsproblemen en was ook uit de race. Het aantal rijders aan de kop van het veld dunde snel uit op deze manier, Larry Palmgren viel uit in de 73e ronde, liggend op een podiumplaats, nl. derde en de Canadees Garnet Koehler, moest een keurige vijfde plaats opgeven, toen hij vanwege motorproblemen in de 86e en 89e ronde, twee keer extra de pits in moest. Uiteindelijk was zijn achtste positie in de eindstand nog erg mooi. Terwijl de race vorderde hadden de toeschouwers wel in de gaten dat niemand, behalve pech, Reiman van de overwinning af kon houden. Hij reed de tweede 100 mijl zelfs nog sneller dan de eerste helft! Er kon eigenlijk niet veel meer mis gaan en Reiman reed onbedreigd naar de overwinning, en de daarbij horende cheque van $3750, met Burnett als goed tweede. Er waren slechts 54 coureurs aan de start verschenen en precies de helft was nog in competitie toen Reiman over de finish kwam. Van deze 27 machines kwamen er maar liefst 15 uit de fabriek uit Milwaukee, Harley-Davidson! Deze doorstonden de zware test voor mens en machine het best. Men had pas een maand voor de race de beslissing genomen om op het nieuwe parcours, met zes scherpe bochten uitgerust, te rijden en men wijdde hier de geringe belangstelling van slechts 7500 toeschouwers aan. Ook waren er diverse coureurs die hadden afgezegd, deze waren niet blij met het nieuwe circuit en loyaal aan de strandracebaan. Ook dit kostte uiteraard toeschouwers en het zou enige jaren duren eer de toeschouwersaantallen weer op niveau waren. Uiteraard niet te vergelijken met de honderdduizenden van hedentendage. Deze komen echter meer voor de show en het spektakel buiten de baan, als om de races op zich. 

1961:  Roger Reiman (1e), Dick Mann (39e) en Dick Klamfoth (45e), tijdens de trainingsdagen.

Roger Reiman      

1961, vrolijke Harley familie, v.l.n.r. William Harley, Walter Davidson, Roger Reiman, Judy Davis en de ouders van Roger.

 

Carroll Resweber

* Carroll Resweber, geboren op 6 januari 1936, in Port Arthur, Texas, was in 1961, de eerste man die vier opeenvolgende ‘Grand National Motorcycle Championships’ (record dat meer dan 30 jaar zou staan, tot in 1998, Scott Russell het evenaarde) wist te winnen. In de winter van 1955, stapte Resweber over naar de profklasse, na eerst enige tijd in de nieuwelingen- en amateurraces te hebben meegedaan. Hij ging naar Millwaukee, kocht daar zijn eerste Harley-Davidson en vormde met Ralph Berndt, een bekwame tuner, een perfect raceduo, zoals later zou blijken. Hij won dat eerste jaar direct twee dirttrack races, en eindigde daardoor op een vierde plaats in de eindrangschikking. In 1958, vocht Resweber het gehele seizoen om de “Number One” titel met één van de veteranen op de motorfiets, Joe Leonard, om uiteindelijk zijn eerste nationaal kampioenschap te winnen, met één punt voorsprong op de kampioen van '57, Joe Leonard. Carroll had de toenmalig kampioen, Leonard in 1953 al eens zien rijden, en hij was zijn grote voorbeeld sindsdien. Het seizoen was begonnen met een knappe vierde plaats in de Daytona 200, dit zou uiteindelijk zijn beste klassering ooit worden in Daytona, hoewel er veel meer in had gezeten, maar pech brak hem altijd op, als hij in Daytona was. Winst in 1959 in Sacramento, Springfield en voor de derde keer op een rij in St. Paul leverden hem ook de A.M.A. "Number One" in dat jaar op. Op weg naar zijn derde titel in 1960, won hij vier 'Grand Nationals' en versloeg wederom zijn grote rivaal en inmiddels vriend, Joe Leonard. Het daaropvolgende seizoen, bracht hem zelfs vijf overwinningen, waaronder zijn eerste wegrace-overwinning in Watkins Glen, New York. Wederom was Leonard tweede in de titelstrijd. Volgens ingewijden, was alleen Bart Markel in staat om Resweber, zo nu en dan, op een dirttrack circuit te verslaan. 

Op 16 September 1962, hard op weg om het vijfde achtereenvolgende kampioenschap in de wacht te slepen, beëindigde de carrière van Resweber plotseling. Tijdens een training in Lincoln, Illinois, viel Resweber samen met drie andere coureurs, Jack Gholson, een oude racevriend die het ongeval niet overleefde, Dick Klamforth en Babe Robertson. Gholson was onderuit gegaan, maar door de stofwolken hadden de andere drie rijders dit te laat in de gaten. De verwondingen van Resweber, een hersenbeschadiging, een gebroken nek, een gebroken borstbeen en zes breuken aan het rechterbeen, plaatsten hem voor negen maanden in een 'gipskostuum'. Het duurde verscheidene jaren voor Carroll redelijk hersteld was, en hoewel vele fans geloofden dat Resweber zou terugkomen als racer, deed hij dit nooit, omdat hij het psychisch niet aan kon. Zijn toewijding aan Harley-Davidson was gebleven en hij ging voor de Harley-Davidson Motor Company werken, en maakte speciale delen voor racemachines, totdat hij in 1992 met pensioen ging. Als men het in Amerika over de beste dirttrack racers heeft, komt altijd de naam van Resweber bovendrijven. Hij zou ook zonder het ongeluk nog jaren aan de top hebben meegedraaid, aangezien hij slechts 26 jaar oud was tijdens het ongeluk. Resweber won uiteindelijk totaal 19 'A.M.A. Grand Nationals' (negen halve mijlen, vijf mijlsraces, drie wegraces en twee shorttracks) in zijn korte, heftige zesjarige carrière. En als zijn loopbaan niet zo tragisch en plotseling aan zijn einde was gekomen, hadden er nog vele gevolgd.

Carroll Resweber links met zijn tuner, Ralph Berndt, in het midden neemt hij weer eens een prijs in ontvangst en rechts met zijn vrouw Delores, waarmee hij in 1955 al trouwde.

 

1962: een klassieke pitsstop van Jody Nicholas (6e in de race) uit Nashville, Tennessee. Tanken, olie bijvullen en een slok water. 

© Don Emde Productions

Don Burnett (foto links) uit Danvers, Massachusetts, op een Triumph, wint de wedstrijd in 1962, na een van de meest spannende races aller tijden in Florida. Carroll Resweber pakt de snelste trainingstijd en in de eerste 21 ronden lijkt het er op dat hij de pech, die hem vaak parten speelde, de baas te zijn. Op dat moment in de race heeft hij 15 sec. voorsprong op 2e man Joe Leonard. Echter dan slaat "de wet van Murphy" weer toe voor hem in Daytona. Zijn motor begeeft het en weer is er een kans op de felbegeerde trofee voorbij voor de man uit Cedarburg, Wisconsin. Het zal ook later zijn laatste kans blijken te zijn, als hij ernstig gewond raakt tijdens een dirttrackrace later dat seizoen en zijn carrière over is. Leonard lijkt dan op weg om de derde coureur te worden die de race drie keer wint, in navolging van Brad Andres en Dick Klamforth. In doorkomst 28 echter blijkt dat een aanrijding, voor de race die morgen, schade aan zijn kettingbevestiging heeft veroorzaakt. In de paraderonde was er een "con-collega" tegen hem aangereden en de toen niet geconstateerde schade deed hem nu het veld moeten verlaten. Nu kwamen Dick Mann en de nummer twee van vorig jaar, Don Burnett, samen aan de leiding. Mann zijn machine is sneller dan die van Burnett, maar tijdens een tankstop slaat zijn motor af en dit levert hem een 30 seconden achterstand op. Dit gebeurde echter pas halverwege de race en Mann zet de achtervolging in. Hij loopt zienderogen zijn achterstand op Burnett in en met nog 10 ronden te gaan is het gat tussen de twee kemphanen teruggebracht tot 10 seconden. Met het gegeven dat Mann elke ronde een seconde sneller is moest het wel een zeer spannende finale worden. En dat wordt het ook, het verschil in de laatste ronde is nog maar een paar machinelengtes. Het publiek gaat helemaal uit zijn dak en het verschil op de finish is slechts een fractie van een seconde, in het voordeel van Don Burnett op zijn Triumph. Ralph White wordt derde en de winnaar van de laatste editie, Roger Reiman wordt vierde. Deze diende op dat moment in het leger(169e Air Force Fighter Squadron) en had de toestemming van "Uncle Sam" gekregen om toch aan deze editie te mogen deelnemen. 

1963, start van de 200 mijlsrace

 

 

 

1963 winnaar 200 mijl, Ralph White

Ralph White, een universiteit student uit San Diego, brengt de trofee op 31 maart 1963 weer in de Harleystal terug. Dit is het jaar dat de A.M.A. voor het eerst, de in Europa gebruikte, stroomlijnen toestaat. Hierdoor krijgen de motoren een heel ander uiterlijk. Het zal blijken dat de snelheid hierdoor toe zal nemen. Voor de start was Dick Mann, de nummer twee van 1962, het middelpunt van een flinke rel. Hij had de tweede plaats in '62 behaald op een hele snelle Matchless motor. Deze bracht hij nu ook aan de start, maar het motorframe werd door de organisatie niet goedgekeurd. De controverse werd niet opgelost voor dat de race begon en Dick Mann moest de race vanaf de zijlijn bekijken. Kanshebber Dick Hammer (1939-2003) bleef staan bij het vallen van de vlag. Zijn monteur had problemen bij het vervangen van de "warmup" bougies voor de racebougies. Het kostte Hammer en zijn Harley een 37 seconden achterstand op de rest van het veld. Na verloop van tijd, op een kwart van de race, nestelden zich vijf Harley's op kop van het veld: Roger Reiman, Tony Murguia, George Roeder, Ralph White en de prima teruggekomen Dick Hammer. Na 100 mijl, op de helft van de race, was de leiding inmiddels in handen van een trio, Ralph White de snelste uit de training, Roger Reiman de winnaar van 1961 en lokaal favoriet Tony Murguia. In ronde 24 was White onderuit gegaan, kon de race wel weer snel hervatten op een vijfde plek en zat dus nu nog steeds in de top 3. Reiman kreeg problemen met zijn koppeling en moest twee maal naar de pits voor reparatie. Einde podiumplaats, maar hij werd nog wel knap 12e. Murquia kreeg nu de kop in de schoot geworpen en dit zou tot ronde 70 zo blijven, toen hij uitviel met een lekke band. Dick Hammer, had inmiddels zijn slechte start meer dan goed gemaakt, en pakte de leiding. Ongelofelijk, maar vier ronden later was door een uitgelopen lager ook zijn race ten einde (hij wist overigens dit jaar wel de 250cc race te winnen). Hierdoor kwam White dus weer terug op kop, dit door de pech van anderen. Hij eindigde uiteindelijk maar liefst 1,5 ronde voor tweede man, Larry Williamson op een Triumph, in een tijd van 2 uur, 34 minuten en 29.17 seconden. 

1963, 250cc 100 mijls race, winnaar Dick Hammer op H-D. Veel pech in de 200 mijls race.

 Vanaf 1963 werd er ook een 250cc race voor profs verreden over de halve afstand van de Daytona 200 race, over 100 mijl dus. Men had deze race al een paar keer georganiseerd voor amateurracers, maar nu werd het dus ook een race voor profs. De eerste winnaar van deze ook prachtige race, in een tijd van 1 uur, 23 minuten en 55.64 seconden, was Dick (Richard Hammer). Het was Tom Clark uit Knoxville die de eerste zes ronden het veld aanvoerde, daarna nam Ralph White op een Sprint (de winnaar van de 200) de leiding over. Roger Reiman (snelste in de training) en Dick Hammer gingen White samen in de negende ronde voorbij. Reiman viel uit en liet Hammer alleen over op kop, maar die kreeg daarna gezelschap van Buddy Elmore van El Paso, Texas en het werd een wiel aan wiel gevecht tot twee ronden voor het einde, toen de motor van Elmore het begaf en Hammer zijn victorie greep. Dit jaar werden de volgende races verreden: De 200, 250cc 100 mijl, nieuwelingen 76 mijl, 250cc 100 mijl voor amateurs, shorttrack en een lichtgewicht Sportsman race.

1963, Roger Reiman ontvangt een klok voor de snelste kwalificatietijd voor de 250cc race. Een jaar later zou hij de Daytona 200 winnen.

(Special thanks to Don Emde, winner of the 1972 Daytona 200, for using photographs from his book, The Daytona 200 1st edition untill 1991. He also made a 2nd edition up to 2003 and is currently working on the 3rd edition, which should be out in mid-2008)

(also many thanks to "Motorcycle Hall of Fame Museum" for using some of there pics) 

 

Deel 3, Daytona 1964-1969

HOME

©opyright 2006 Gerard van der Pot.