Start van
de Daytona 200 in 1956, met "slechts" 67 deelnemers dit jaar.
1956,
winnaar Johnny Gibson
Een
nieuw jaar, een nieuwe Daytona 200 en een nieuwe Harley-Davidson
winnaar! 1956
zou een zeer zware race worden en vele
coureurs zouden deze dag de finish niet halen. Uiteindelijk zouden slechts 16 van de gestarte 67
rijders de race tot een goed einde brengen. Men
was inmiddels in Daytona, in 1956, overgegaan op kwalificatierondes
rijden op vrijdag. Voorheen werden de startplaatsen bepaald bij loting.
De coureurs moesten een traject van een mijl (1.609 km) afleggen vanuit
een staande start. De gemiddelde tijd over die afstand was je
trainingstijd. Het tijdmeten in die tijd, uiteraard met stopwatch, werd
nog gedaan d.m.v. een draad die over de eindstreep was gespannen.
Brad
Andres op weg naar de snelste trainingstijd op vrijdag.
Brad
Andres reed de snelste tijd met 203.30 km/u, voor Joe Leonard. Deze tijd
van Andres zou op het strand
nooit meer verbeterd worden. Met 15.000 toeschouwers langs de kant van
het parcours ging de wedstrijd van start op zondag 11 maart. Vanaf de start ging Brad
Andres er voluit vandoor, met in zijn kielzog Al Gunter op een BSA en de
Harley-Davidson van Joe Leonard. De laatste moest het duel in de 9e
ronde staken en zijn plaats achter de twee overgebleven koplopers werd
ingenomen door Paul Goldsmith. Andres en Gunter moesten in de 14e ronde
het slechte voorbeeld van Leonard volgen en zo waren alle drie de
koplopers, met mechanische problemen, naar de kant. Paul Goldsmith had
nu de leiding in het gezelschap van Dick Mann. Ze bleven samen tot in de
36e doorkomst, toen Mann, door een defecte clutch, evenzeer de race aan
zich voorbij moest laten gaan. Nu leek Paul Goldsmith rechtstreeks naar
zijn tweede overwinning, na die in 1953, toe te rijden, maar niets was
minder waar. Twee ronden voor het einde sloeg ook voor hem het noodlot
toe. Zo waren er die dag vijf koplopers geweest en die waren nu allen
uit de race. Johnny Gibson, derde in 1955, erfde nu de vacante
koppositie en pakte de overwinning in 2 uur, 6 minuten en 21.51
seconden, voor meervoudig winnaar Dick
Klamfoth*, die op 22 seconden binnenkwam. Het duurde overigens wel even
eer Gibson zelf ook wist dat hij had gewonnen, want hij had er geen idee
van! Dick Klamfoth zijn 2e plaats betekende dat hij in acht deelnames,
drie maal tweede en drie maal eerste was geworden!
1956
Harley Davidson Model KRTT
Daytona
1956 winnaar Johnny Gibson..
1956
Harley Davidson Model KRTT
De
Harley-Davidson Dealers Assocation had in Daytona dit jaar een
tentoonstelling ingericht. Duizenden toeschouwers bezochten dit gebeuren
en keken hun ogen uit bij de nieuwe modellen voor 1956 en de vele
toekomstmodellen, antieke modellen en opgetuigde speciale motoren. Ook
was er op zaterdagavond weer een groot Harley-Davidson dealers diner,
waar honderden mensen (dealers en fabriekspersoneel) voor uitgenodigd werden. Zoals elk jaar waren er
dit jaar ook diverse verkiezingen, zoals "The Populair Girl"
verkiezing. Ook de uitreiking van de bokaal van de verkiezing van
populairste coureur vond weer plaats in Daytona. De winnaar van het jaar
1965 was Everett Brashear uit Beaumont, Texas, met 7040 stemmen uit het
hele land. De rest van de uitslag van de top-10 was als volgt: Brad
Andres (6780), Joe Leonard (4060), Al Gunter (4000), George Roeder
(3970), Don Rees (3880), Ed Kretz Jr. (3860), Al Bergquist (3840), Sal
Scripo (3820) en tiende Paul Goldsmith met 3710 stemmen.
1956,
winnaar 250cc 100 mijls
race voor amateurs, Bates Molyneaux
De
250cc amateur-race werd een prooi voor Bates Molyneaux, uit Corpus
Christi, Texas, in 1 uur, 4 minuten en 6.72 seconden. Bates nam in het
begin de koppositie in de race, op zijn Harley-Davidson type K, en
leidde in de meeste van de 24 ronden. De overwinning bracht eer en
glorie aan het Amerikaanse leger, want Bates diende bij de marine. Bates
had zich het afgelopen jaar goed verbeterd, aangezien hij in 1955 nog
tiende werd. Jack Schlaman werd tweede voor Roger Armstrong.
BSA type Y13
replica waar Dick Mann mee reed.
BSA
type 6R 400 replica waar Bobby Hill mee reed in 1954.
Dick Klamfoth
*
Dick Klamfoth is geboren op 30 September 1928, in
Columbus, Ohio, Dick zijn leven was gewijd aan de motorsport
en alle zaken die met motorfietsen
te maken hadden. Hij was ook de stuwende kracht achter het project, om
een monument (in 2002) op het strand te plaatsen, om de jaren van de
Daytona strandrace te herdenken. Dick begon te racen, rond het
landbouwbedrijf waar hij tijdens de vroege jaren '40 opgroeide, toen hij
14 jaar oud was. Na wat lokale races, ging hij in 1948 naar Daytona, om
daar mee te doen aan de amateur-race. Hij pakte daar direct een tweede
plaats en besloot, nadat hij een jaar later zijn “nationale plaat”
kreeg, om aan het echte werk mee te doen. Tijdens deze eerste poging, in
1949, op de zeer jonge leeftijd van 20, wist Dick al de fameuze 200 te
winnen. Om dat opnieuw te doen, in 1951 en 1952, daardoor zal Klamfoth
voor altijd met de Daytona geassocieerd
worden. Hij was ook de eerste de drie maal winnaar van deze race werd.
Dick maakte na zijn racecarrière de overgang naar een dealerschap voor
Honda. Buiten drie keer winnaar in de Daytona 200 ('49, '51, '52) won hij
ook - Laconia 1949, 1951, 1952; Heidelberg 1958, 1959; Richmond, 1951,
1954; Shreveport 1951; Ohio State Champ vijf
keer; en was de populairste Amerikaanse coureur in 1962. Dit waren
alleen
de nationale en regionale kampioenschappen en ook daarbuiten pakte hij nog
vele overwinningen. Klamfoth trok zich in 1962 terug en eindigde in al
zijn racejaren, op twee keer na, bij de top 10 in het eindklassement.
Hij boekte in zijn carrière totaal 12 nationale A.M.A. overwinningen en
één internationale (Canada) winst. Dick verdiende respect op de
circuits als rijder, monteur en sportman, en toonde ook zijn
capaciteiten door de grootste Honda motorfietshandelaar van de V.S. te
worden in de midden jaren ‘60.
1956: Dick
Mann (#23) vocht 80 mijl lang een harde strijd met Paul Goldsmith
(#3) om de leiding, totdat de koppeling van zijn BSA het begaf.
Mann kwam elk jaar terug naar Florida en in zijn 14e optreden, in
1970, won hij de 200 mijler, om dat een jaar later nogmaals te
evenaren.
1956: 1953
winnaar Paul Goldsmith (#3) slingert zich tussen een flinke
valpartij door, om de leiding te nemen. Dertien km. (8 mijl)
voor het einde van de race zal hij met machineproblemen
uitvallen.
Begin
van de race in 1957, boven met no: 1, A.M.A. kampioen '56 en
winnaar Daytona '57, Joe Leonard.
Tijdens
de speedweek van 1957, ging de aandacht voornamelijk uit naar Al Gunter
en Joe Leonard. Beide rijders hadden vaak aan de kop van een Daytona 200
gereden, maar door mechanische problemen nooit de overwinning gepakt. Ze
waren beiden in topvorm naar Daytona gekomen. Gunter vertegenwoordigde
BSA en Leonard droeg de kleuren van Harley-Davidson. Leonard bereed dit
jaar de winnende Harley (1955) van Brad Andres. Brad was ernstig gewond geraakt tijdens een valpartij in het naseizoen van 1956. Hij zou
het volledige seizoen van 1957 moeten missen. Gunter kwalificeerde zich met de snelste tijd van
bijna 186.83 km/u. Leonard was tweede met een tijd van 185.64 km/u. Bij
het vallen van de vlag, begon direct het te verwachten duel. Ze
vertokken zo agressief, dat zij aan het eind van de derde ronde al een
voorsprong van 22 seconden op nummer drie hadden. Hun snelheid werd er
niet minder om en zo snelden ze de eerste 100 mijl over het parcours. Ze
vochten een fantastisch gevecht uit om de leiding en wisselden constant
van positie. Gelijktijdig stormden ze
de pits in voor brandstof en een nieuwe bril en beiden reden ook
weer gelijktijdig de pits uit om het duel nogmaals 100 mijl te gaan
voortzetten. Tijdens zijn pitsstop hadden zich echter
problemen voor Al Gunter voorgedaan, i.p.v. een nieuwe bril had
zijn team hem weer zijn oude, vol met krassen zittende, bril gegeven. Hij kreeg steeds minder zicht,
maar hij zette door. Joe Leonard begon echter langzaam weg
te lopen en Gunter wist dat als hij zou stoppen voor een nieuwe bril, hij
nooit meer bij Leonard in de buurt zou komen. Hij bleef dus voortgaan,
ook al had hij bijna geen zicht meer. Uiteindelijk gooide hij zijn bril
af en ging zonder verder. Leonard handhaafde de marge ten
opzichte van Gunter tot aan de finish en zijn eerste Daytona 200
victorie was een feit.Hij had door de jaren heen al vele overwinningen geboekt, maar
deze overwinning op 3 maart 1957, was wel de belangrijkste in zijn carrière.
De winst was de derde op rij voor Harley-Davidson, dat slechts
vijf jaar daarvoor volledig uit competitie was geweest. Al Hunter kwam
toch nog als tweede over de streep, met door het zand zwaar geteisterde
ogen.
Leonard
wordt als winnaar afgevlagd.
Joe
Leonard met miss en Leonard Andres, vader van Brad en toptuner.
1957 Starter Jim Davis
zwaait de vlag voor de finish van Joe Leonard (#1), die op de finishlijn bijna
nog Warren Wolfe (#23), die twaalfde wordt, op een ronde achterstand
zet.
Begin van de
race, Al Gunter voor Joe Leonard
De
toeschouwers die de gehele week aanwezig waren hadden zich niet verveeld, er
waren in Florida, vele bezienswaardigheden in de omgeving: (John F.) Kennedy
Space Center (Cape Canaveral), vanaf 1949 testterrein voor de lancering van
raketten en later (1958) dienstdoende als
NASA-lanceerbasis voor o.a. de maanlandingen en vandaag de dag voor de
lancering van de Space Shuttles. De stad Orlando met de Universal Studios, Sea
World en het Walt Disney World Resort (vanaf 1971) met al hun pretparken. De
Florida Keys, een reeks van ongeveer 1700 kleine eilandjes. Nationaal park de
Everglades, een gigantisch natuurpark. Silver Springs, alles wat je maar op watergebied
kunt bedenken, Six Gun Territory, een grote westernstad. Verder Marineland,
Cypress Garden, Busch Gardens, tec, teveel om op tenomen. En uiteraard Daytona
Beach met zijn bijna 40 km. zandstrand langs de Atlantische Oceaan. Dus voor
ieder wel iets om te bezichtigen. Verder werden de mensen uiteraard geamuseerd
met vele races van divers kaliber.
Marineland
1957:
boven: Bill Holcomb wordt als tweede afgevlagd in de 100 mijl
race. onder: Roger Reiman in de 'hillclimb'
De
Daytona Speedweek begon in 1957 met diverse 'drag races' (sprintraces)
series op dinsdag 26 februari.
1957:
'drag races'
De
volgende dag nam het aantal motorsportactiviteiten flink toe, te
beginnen met de 'hillclimb' wedstrijden. Door zachte zand een steile berg, van dertien meter hoog opracen. Roger Reiman (toekomstig 200
winnaar) had deze vorm van motorsport al twee keer gewonnen in Daytona
op zijn Harley. Hij bedwong de top in 1.95 seconde. Er werd gestreden in
diverse klassen (Light Heavyweight/Medium Weight/Bantam weight, etc.).
De allersnelste van de dag was Everett Wright met 1.78 seconde. Ook
werden die dag de 'Scrambles Races' gehouden, ook hierbij diverse
klassen en series. Races over vier en zes ronden. Eerst werden er
diverse series verreden en de winnaars kwamen tegen elkaar uit in de
finale. Op donderdag werd de "Reliability Run" gehouden, een uithoudingstestrace
door bossen, rivieren en over wegen. Er stonden 117
coureurs aan de start van deze 100 mijls race, die werd gewonnen door
Leroy Winters. Donderdagnacht werden er in het Municipal Stadium
allerlei motorspelen gehouden. Vrijdagavond de traditionele uitreiking
van alle awards van het jaar ervoor. Kampioenschappen, verkiezingen,
etc. Op zaterdag dan de 100 mijls race voor amateurs en op zondag de
race waar alles om draaide, de Daytona 200!
1958 kon als één van de minst spannende 200 mijlsraces de boeken in. De
verdedigende kampioen Joe Leonard was een klasse apart dat jaar. Hij
zette veruit de snelste kwalificatietijd neer met 190.53 km/u en reed
direct van de start weg om zijn tweede achtereenvolgende overwinning te
incasseren. Zijn gemiddelde snelheid van 160.67 km/u over de 200 mijl
zou nooit meer gebroken worden op het strandcircuit. De concurrentie van
Joe, dat jaar, zou hebben moeten komen van Brad Andres en Al Gunter.
Andres, terug in de racerij na zijn afwezigheid van een jaar door
blessures, reed een groot deel van de race op de tweede plaats, voor hij
uitviel met koppelingsproblemen. Gunter, op Harley dat jaar, kwam niet
hoger dan een achtste plaats, alvorens uit te vallen na negen
doorkomsten. Tijdens de race klokte Leonard ongeveer zes
seconden per ronde sneller dan Dick Mann die op de tweede plaats
eindigde. Bijna had Mann helemaal niet deelgenomen aan de race. Hij was
samen met Al Gunter,
vlak voor de Daytona 200, de motoren aan het uitproberen op de openbare
weg. Terwijl ze de bougies stonden te controleren,
langs de weg, werden ze gearresteerd door de plaatselijke sheriff, deze
had ze veel te hard zien rijden. Ze werden beide in een cel opgesloten
en hadden het aan BSA-manager, Ted Hodgdon, te danken dat ze toch aan de
race konden deelnemen. Hij betaalde hun borgtocht van $1000. Ook voor
Hunter, die juist dat jaar, na vele jaren bij BSA in dienst te zijn
geweest, was overgestapt naar Harley. Een jaar later zat hij weer terug
bij BSA.... Het prijzengeld ($1500) dat Dick Mann met zijn 2e plaats
won, ging dus grotendeels naar de regering. Niet alleen was Joe Leonard
het snelste op het circuit, maar hij was ook het snelst in de pits. Met
behulp van een nieuw ontwerp snelvulsysteem, kon hij 22 liter benzine in vijf seconden tanken! Dit was zeer snel voor
die tijd. Op de finish bedroeg het verschil met nummer twee, Dick Mann,
ook op een Harley, maar liefst 4,5 minuut. Het gerucht ging na de race,
dat het wel eens de laatste Daytona 200 geweest kon zijn. Conflicten met projectontwikkelaars en
huizenbouw in het gebied konden wel eens het einde betekenen van
de racerij op het beroemde strand van Daytona Beach.
Joe Leonard na zijn tweede achtereenvolgende zege.
1958:
tijdens de Daytona 200 Speedweek werd op vrijdagavond
altijd de 'awards' uitgedelld van het seizoen ervoor. Hier hebben
Al Hunter en Leslie Pink de prijs gekregen van populairste
man/vrouw motorsporters
Dick
Mann
Joe
Leonard passeert een achterblijver binnendoor.
Dick Mann
* Dick
"Bugsy" Mann zal de geschiedenis ingaan als één van
de meest veelzijdige racers ooit. Tweemaal was
hij A.M.A. ‘Grand National Champion’, Mann was één van de
zeer weinig coureurs die op elk niveau uit de voeten kon. Of het
nu dirttrack, wegrace of motorcross was, hij kon het allemaal.
Toen hij zich, in 1974, uit het professionele racen terugtrok,
was Mann tweede op de A.M.A. aller tijden lijst, met
24 nationale overwinningen en hij had een van de langste carrières
in de motorsport achter de rug, met veel succes, die liep van de
vroege jaren '50 tot aan de midden jaren '70. In
1971, werd Mann de eerste rijder die een motorsport ‘Grand
Slam’ won, dus winst in alle vormen van het A.M.A.
‘Grand National Championship’: op de mijl, halve-mijl,
shorttrack, TT en in de wegrace. Dick
Mann werd geboren in Salt Lake City, Utah, op 13 juni 1934. Zijn eerste kennismaking met motorrijden, was
tijdenszijn tienerjaren,
toen hij op een scooter zijn krantenwijk deed. Mann en zijn
collega’s, terroriseerden de buurten van Richmond in de vroege
ochtenduren. Zijn dirttrack vaardigheden leerde hij tijdens deze
ochtendklus.In de weekends, reed Mann in de
heuvels op velden waar koeien hadden gelopen, dit gaf hem de
off-road ervaring die hij later gebruiken bij de motorcross
zou gebruiken. Na zijn schooltijd te hebben doorlopen, ging Mann
als motorfietsmonteur aan de slag en werd een top
werktuigkundige. Hij begon tijdens deze periode ook te racen, en
in de zomer van 1954 maakte hij de overstap van amateur, onder
begeleiding van veteraan Al Gunter, naar het
professionele circuit. Mann pakte in zijn eerste Grote Nationale
race, de Daytona 200 van 1955, direct een zeer mooie zevende
plek. De daarop volgende drie jaar bouwde Mann geleidelijk een
zeer goede naam op in het racecircuit. In 1957, eindigde hij
voor de eerste keer bij de eerste tien, in de eindstand van het
kampioenschap. Hij pakte een aantal podiumplaatsen, o.a. een
tweede plek in de Daytona 200 en Laconia wegraces in 1958. De
Peoria (Illinois) TT was de plaats waar Dick Mann zijn eerste
nationale winst pakte in 1959. Het zou ook toevallig de plaats
zijn waar Mann zijn allerlaatste nationale race zou winnen, 13
jaar later. Tegen het einde van de jaren '50, was Mann één van
eliteracers in Amerika, hij eindigde tweede achter topper
Carroll Resweber in de ‘A.M.A. Grand
National Series’ van 1959. In 1963, greep Mann
vijf podiumfinishes, en na winst op het circuit van Park Ascot
in Gardena,
Californië, won hij zijn eerste ‘A.M.A.
Grand National Championship’. Het zou achtlange jaren duren alvorens Mannzijn tweede nationale titel zou winnen.In de tussentijd, bleef Dick Mann wel vele races winnen
en hij vond ook de tijd om de motorcross sport in Amerika te
helpen promoten. Mann vertegenwoordigde ook de Verenigde
Staten in de beroemde 'Transatlantic Match Races', tussen de
gevestigde sterren van Groot-Brittannië en Amerika.
Waarschijnlijk
was Mann’s grootste en mooiste overwinning de Daytona 200,in 1970, op een nieuwe Honda CB750. Uiteindelijk had Mann
de 200 al 15 keer meegedaan en was drie keer op de tweede plaats
geëindigd, maar nu lukte het dan eindelijk om hem ook te
winnen.Het was
bovendien Honda's eerste winst in een nationale race van de
A.M.A. In 1971, keerde Mann, op 37-jarige leeftijd, naar zijn
grote liefde, BSA,en won
zijn tweede ‘A.M.A. Grand National
Championship’, als oudste rijder in de geschiedenis van
de series. Het '71 seizoen betekende een tweede
fase in Mann's carrière. Velen vonden hem te oud om met/tegen de
nieuwe jonge sterren te racen, maar Mann bewees het ongelijkvan deze pessimisten, door de seizoensopener, de Houston TT,
te winnen en daarna, voor de tweede maal in successie, deDaytona
200. Hij zou daar nog twee keer winst in een wegrace, dat jaar,
aan toevoegen. Mann werd uitgeroepen tot de populairste rijder
van de A.M.A. dat jaar en ook in 1972 en 1973, op bijna 40
jarige leeftijd, bleef hij zijn races winnen en hoog in de
eindstand eindigen. Dick Mann stopte in 1974 met racen, hij had
in meer dan 230 A.M.A. races deelgenomen. Hij zou nog wel steeds
aan allerlei trial- en veteranenraces mee blijven doen.
Op 27 juli 2006, wordt er in de 'Motorcycle Hall of Fame
Museum',
een speciale
ruimte geopend over de racecarrière van Dick Mann, de "SuperMann".
De 73 jarige knipte zelf het lint door om de tentoonstelling te
openen. Het museumpersoneel deelde aan de
ongeveer 400 genodigden, strohoeden uit, in een hulde aan Mann,
die bekend stond om het dragen van goedkope strohoeden als hij
in de pits aan het werk was. De directeur van het museum
memoreerde dat Mann de eerste man in geschiedenis was die in
elke categorie van de ‘AMA Grand
National competition’ wist te winnen. Maar Mann merkte
nederig op dat het hem 20 jaar had gekost om dat te bereiken en
dat de legende Kenny Roberts het in één jaarvoor
elkaar kreeg.
Dick
Mann
ontvangt de felicitaties van de museumdirecteur.
In 1959 waren de conflicten met de gemeenschap gelukkig voor het
grootste deel opgelost. De 200 ging weer
door en wel op 8 maart! Terwijl 1958 een race
zonder veel spanning was, maakte de race van 1959 dat meer dan goed.
De 101 coureurs stonden in zeven rijen opgesteld voor de massastart, met
Everett Brashear op de gunstigste startpositie, na zijn snelste
trainingstijd (nieuw record), gereden op vrijdag. Na ongeveer 3200 meter
was de beruchte Noordbocht en iedereen probeerde uiteraard altijd om
hier zo gunstig en snel mogelijk doorheen te gaan, maar hij was
uiteraard veel te smal voor het complete veld! Na zo'n eerste doorkomst
en als het stof was neergedaald, kon men zien welke rijders het niet
hadden gered. De 200 mijl begon met vijf rijders in duel, het ging tussen de snelst
gekwalificeerde Everett Brashear, Joe Leonard, Brad Andres, Tommy Morris
en “rookie” Roger Reiman (1938-1997)*.
Brashear was de eerste die afviel, aangezien hij onderuitging in de
zuidelijke bocht, waar men het strand weer opdraaide, in de eerste
ronde.
Morris was de volgende, die met zijn machine ten onder ging, in de
tiende ronde, maar de rest bleef 27 ronden als aan een touwtje
bij elkaar, terwijl ze constant stuivertje met elkaar wisselden. Zij aan
zij denderden ze met z'n drieën over het parcours, ze gingen alleen van
elkaar af, als er een langzamere deelnemer gepasseerd moest worden.
Links en rechts waaierden ze dan uit, maar voegden zich weer tot een
"close" triootje als ze hem voorbij waren. Het was letterlijk
en figuurlijk een stormachtige race dit jaar. Op de achterkant van het
circuit (het asfalt gedeelte) stond een harde wind pal op de coureurs en
op het strand werden hoge golven het strand opgeduwd. Dit maakte de race
nog heftiger als dat hij in werkelijkheid al was. Andres en Reiman,
gingen uiteindelijk gelijktijdig de pits in, waar de teams zeer snel hun
werk deden, want als je iets langer stilstond, dan de ander, kon dat de
race kosten. Beiden kwamen na exact 13 seconden weer de baan op en nu
was het een duootje dat aan elkaar geklit was. Joe Leonard
viel in de 29e ronde uit met een gebroken ketting en zijn droom om de
allereerste te zijn met drie Daytona overwinningen op rij was uit (Leonard
zou de overstap maken naar het autoracen en bijna de Indianapolis 500
race oftewel de "Indy 500" winnen. Hij lag tot een paar ronden
voor het einde van de race aan de leiding. In 1971 & 1972 werd hij
wel nationaal kampioen). Reiman bleef met Andres tot de 36ste doorkomst
samen doorgaan, tot ook hij uitviel met een gebroken ketting en Andres
de overwinning in de "schoot geworpen" kreeg. De race voor de
rest van de negentien "geldplaatsen" was nog ongemeen
spannend, dus er was voor de enthousiaste menigte nog genoeg te beleven.
Zelfs na het uitvallen van
een deel van de eerste kopgroep, pakten de Harley-Davidson
coureurs nog de eerste vijf posities aan de finish. 14.000 toeschouwers
zagen de vijfde opeenvolgende overwinning van Harley dat jaar. Dick Mann
finishte als tweede voor Tony Murquia, Jack Gholson en Bobby Sirkegian.
Murqui was een eerste jaar "expert" (prof) die het hele veld
(buiten Andres en Mann) op een ronde reed. Hij was als laatste gestart,
omdat op de startlijn een defecte bougie hem parten speelde. Op het
moment dat zijn monteur de bougie had vervangen, kwam het hele veld al
weer het strand op, om de eerste ronde te voltooien. Hij begon dus met
een volledige ronde achterstand aan de race. Om dan, zeker als 'rookie',
nog het podium op te rijden, was een hele prestatie! Hij eindigde 56
seconden achter Dick Mann, die twee pitsstops had gemaakt, in de 24e en
47e ronde en een prima gemiddelde had gedraaid. Andres reed de race in 2
uur, 0 minuten en 36 seconden, de derde tijd ooit verreden op Daytona
Beach en dat ondanks de zeer sterke wind (storm), deze wind en het
daarmee gepaard gaande "soppige" strand, weerhielden hem ervan
een nieuw en zeer sterk record neer te zetten. Het zware parcours en
omstandigheden, grepen hun tol en bijna 70 rijders haalden de finish
niet. Van de
101 deelnemers, kwamen er 38 over de finish. Van de eerste achttien
aankomenden, waren er maar liefst twaalf op een Harley gestart. Onder de
toppers die waren uitgevallen bevonden zich verder: Bart Markel (7e
ronde), Carroll Resweber (16e), Bobby Hill (19e) en Johnny Gibson (36e).
Zo liepen de jaren '50 ten
einde en het was een prachtig racedecennium geweest. Norton
overheerste het begin en Harley-Davidson het einde.
1969:
Bill Scott wint de 100 mijlsrace en krijgt o.a. felicitaties van
William A. Davidson (rechter foto).
Bill
Scott, een 20-jarige monteur uit Kewanee, Illinois, deed voor het eerst
mee aan de 100 mijls race voor amateurs, over 25 ronden, en dit werd
direct een daverend succes voor de jongeling. Halverwege de race nam hij
de leiding en zou die niet meer uit handen geven. Een harde en koude
noordoosten wind zorgde op de racezaterdag ervoor dat het geen
recordwinnende race werd, maar daar zal Scott maling aan hebben gehad.
Er gingen 56 rijders van start, waarvan er zeven bij de eerste doorkomst
al niet meer in de race waren. In de eerste bocht had zich een massale
valpartij voorgedaan, zonder noemenswaardige blessures. Ralph Tysor, de
trainingssnelste, nam de leiding in de race, flink op de huid gezeten
door Billy Holcomb. In de tiende ronde nam Scott, als derde getraind, de
tweede plaats over van Holcomb en in de twaalfde doorkomst lag hij ook
voor Tysor. Hij zou vanaf dat punt de leiding dus niet meer uit handen
geven.
1959
betekende wel bijna het einde voor de befaamde en geliefde 200 mijls
race, 'The
Central Labor Union', die in 1954 de organisatie van Bill France Sr. had
overgenomen, had financieel grote verliezen geleden en trok zich terug
als promotor. Een kleine groep van moteleigenaars probeerde om redding
te brengen. Dit leek een verloren zaak, aangezien ze totaal geen
verstand van zaken hadden, maar ze wilden de race levend zien houden,
tot aan het moment dat de races naar het nieuwe circuit zouden
verhuizen. Dit circuit was op dat moment in aanbouw. Samen met diverse
officials van de A.M.A. kregen ze het uiteindelijk voor elkaar om een
prachtig raceprogramma, met totaal 1059 deelnemers, in elkaar te
draaien, dat acht dagen zou duren. De groep moteleigenaars zou zich na
een jaar al weer terugtrekken, omdat de kosten al waren opgelopen tot
$54.000. De sanitaire zaken, verzekeringen, controle, kosten en andere
problemen, maakten het voor deze mensen een onmogelijke zaak om de races
te organiseren. Nu was het de promotor van een ander circuit, Ascot
Park, die de nieuwe promotor werd. Dit was J.C. Agajanian. In 1961 zou
de race onder de A.M.A. vlag worden verreden en op het nieuwe circuit
van Bill France.
1959, Tony Murquia, Brad
Andres & Dick Mann
De
Noordelijke bocht, die aansloot op de hobbelige strandweg
Roger Reiman
*
Roger Reiman, uit Kewanee, Illinois, zou drie keer de Daytona 200
winnen. De Harley-Davidson dealer nam
voor het eerst deel aan de 200 mijls race in 1959 en de laatste
keer in 1974. Nadat hij zich uit de “Grand
National Serie” van de A.M.A. terugtrok, zou Reiman jaren deelnemen
aan veteranenraces in de jaren '80 en de jaren '90. Op 51 jarige leeftijd, in 1990, ging Reiman ook
weer meedoen in Daytona races, nl. de “AMA Harley-Davidson 883cc Road
Racing Series” in het bijprogramma van de befaamde Daytona Speedweek.
Reiman eindigde zijn eerste race in Daytona op een ongelooflijke zesde
plaats, in die race, in een veld van vele jonge coureurs.
Hij bleef tot 1995 meedoen met deze Harley-Davidson 883cc wedstrijd. Op
4 maart 1997, zou hij, tijdens een legendenrace op Daytona (hoe macaber)
in het bijprogramma van de Daytona 200, om het leven komen op 58-jarige
leeftijd.
Roger Reiman, "number One" in 1964, tijdens de shorttrack in
Daytona 1965, die hij winnend afsloot.
Reiman
in 1987 in actie tijdens de Pro Twins race in Daytona, waarin
hij vierde werd. Rechter foto is in 1988, toen hij ook nog aan
diverse races deelnam in de Daytona Speedweek.
Het jaar 1960 is zeker voor de
geschiedenis van Daytona erg belangrijk. De wedloop trekt dat jaar niet
veeltoeschouwers en deelnemers meer. Het zand/asfalt traject is niet
snel genoeg meer en de problemen met de oprukkende huizenbouw stapelen
zich ook verder op. Vierentwintig jaar had de strandbaan haar diensten
bewezen en honderdduizenden mensen zeer enerverende races
voorgeschoteld. William "Big Bill" Henry Getty France Sr. (1909-1992),
de grote ondernemer van de stad, had zijn vermogen opgebouwd door,
persoonlijk, een groot deel van deze stad te bouwen. Geboren in
Washington, "vluchtte" France in 1934, vanwege de Grote
Depressie, met 100 dollar in zijn zak, met zijn familie naar Miami.
Doordat zijn auto stuk ging in Daytona Beach en hij het een leuk stadje
vond, besloot hij daar te blijven. Zelf deed hij ook veel aan stockcar
racen. In 1953, bewust van de problemen van de races, besluit hij om te
investeren en lanceert, bijna alleen, een groot plan. Jaren later kan
hij zijn droom werkelijkheid maken. Hij maakt de keus om bijna
tweehonderd hectaren moeras op te kopen, droog te leggen en begint een
gigantische klus een paar mijl ten westen van het oude circuit en het
strand. Hij bouwt een "speedway" die waanzinnige werkzaamheden
met zich meebrengt en een totaal aan kosten, voor die tijd erg veel
geld, van 3 miljoen dollar. Meer dan een miljoen meters grond worden
verplaatst, honderden met beton gevulde vrachtwagens worden aangevoerd.
Aan het einde van de klus vereist er een buitengewoon traject van 3,2
kilometers, met prachtige kombaanbochten, waar meer dan 60.000
toeschouwers op de tribunes kunnen plaatsnemen. En behalve een
parkeerterrein voor 75.000 auto's - het is Amerika, alles groot, groter,
grootst! - alles wat noodzakelijk is om 75.000 andere toeschouwers
binnen het traject te ontvangen. Maar het belangrijkste idee is voortaan
races op twee en vier wielen te verenigen. Buiten de autoraces in de
stijl van stockcars (NASCAR), kon Daytona nu een nieuwe start aan zijn
traditionele 200 mijlen (321.6 kilometer) geven. France was tevens de
oprichter van de "Association for Stock Car Automobile Racing (NASCAR)"
in februari 1948. Binnen 10 jaar bouwde France nog vele andere super
speedways in Atlanta, Charlotte, Dover, Michigan, Pocono, Rockingham en
in Talla. In 1959 organiseert France al de eerste stockcarrace en een
jaar later de NASCAR autorace op het nieuwe circuit. De Daytona
motorrace wordt, in 1960, nog op het oude circuit verreden, het zal de
laatste zijn. Brad
Andres de titelverdediger pakte de snelste trainingstijd, maar hij wist
dat het een moeilijke race zou worden, want er reden maar liefst 84
andere coureurs op het type Harley zoals hij. Tweede in de training was
Roger Reiman, voor Roy Durham, Jim Koplinski en Everett Brashear. Na een
vijf minuten "countdown" procedure, viel de startvlag en 94
motoren gingen met een gigantisch gebrul van start. Andres en Reiman
maakten hun snelle trainingstijden waar en lagen direct aan de leiding. Carroll
Resweber (14e in de training), Joe Leonard (12e) en Larry Schafer (15e)
hadden een goede start, eveneens vanuit de eerste groep, en volgden
de twee koplopers. Ook George Roeder* sloot zich vanaf de tweede startrij
bij de kop aan. Uiteindelijk ontstond er een gevecht om
de leiding van de race tussen Brad Andres, Roger Reiman en de
nationale kampioen, de Texaan Carroll Resweber. Het drietal gaf elkaar
niets toe en constant pakte een ander de kop in de eerste helft van de
race. De leiding veranderde zo vaak dat het niet bij te houden was.
Reiman reed op een "raket", Resweber was onklopbaar in de
bochten en Andres zat op de machine die twee jaar achter elkaar de
snelste in de training was gebleken. Deze combinaties betekenden een
zeer felle strijd. Vlak achter dit trio zat nog een drietal dat in hun
duel niet onder deed voor de leiders in de wedstrijd. Joe Leonard, Larry
Schafer en George Roeder maakten elkaar het leven zuur voor de vierde
plaats. Ook achter deze groep was er volop actie te beleven, terwijl de
betere rijders door het veld manoeuvreerden. De stand bij de tiende
doorkomst was als volgt: Reiman, Andres, Resweber, Leonard, Schafer,
Roeder, Neil Keen, Jim Koplinski, Bart Markel en John Gibson. Dick Mann
en Bates Molyneaux, twee Daytonaveteranen waren al uit de race. De
volgende tien ronden gebeurde er weer van alles, zoals de volgorde na
twintig ronden laat zien: Andres, Resweber, Reiman, Leonard, Roeder,
Tony Murquia, Gibson, Schafer, Tom Clark en Gary Emmick. Koplinski en
Brashear waren uitgevallen en Neil Keen was onderuit gegaan, maar reed
weer. Tegen het midden van de race begonnen de pitcrews in beweging te
komen. Het team van Resweber had een transistorradio op zijn lichaam
geplakt en zonden hem zo signalen toe! Na ongeveer 100 mijl ging het mis
in de kopgroep voor Roger Reiman, zijn tank begon serieus te lekken en
hij moest naar de pits om zijn tank te laten vervangen. Dit duurde 3
ronden, maar uiteindelijk wist hij nog knap op een 18e plaats te
eindigen. In de 30e ronde hadden alle coureurs hun pitsstop gemaakt en
ondertussen was de strijd aan de kop onverminderd verder gegaan. Helaas
was de race voor Resweber een paar ronden later ook ten einde toen zijn
koppeling het begaf. Andres had een minuut voorsprong op Roeder op dat
punt en zag dit niet meer in gevaar komen. Zo won Brad Andres, voor het
tweede jaar op rij, wederom de race, en dus de laatste op het strand, voor George
Roeder*(1936-2003) en Joe Leonard. Andres evenaarde met zijn winst het record van de
drie overwinningen van Dick Klamfoth. De eerste 14 plaatsen aan de
finish waren voor een Harley-Davidson berijder, een record wat nog
altijd staat. De eerste coureur die geen Harley bereed, en dus
vijftiende werd, was Pat McHenry op een BMW. Deze BMW had een flinke
tank en daar reed hij bijna de hele afstand van 200 mijl mee, zonder te
tanken. Echter een ronde voor het einde was dan toch zijn tank leeg. Hij
had het geluk op precies voor de pits stil/droog te vallen. Van een concurrerende
pitsbemanning kreeg hij benzine en zo kon hij toch nog over
de finish komen als eerste niet-Harley. De eerste 20 rijders,
waarvan 17 op een Harley, kregen prijzengeld. Slechts 35 rijders haalden
de finish dit jaar. Er was tijdens deze editie
van 1960, een toeschouwer te betreuren, die aangereden werd en kwam te
overlijden.
George Roeder
*
George
Roeder was één van de belangrijke “Grand National” racers
van de A.M.A. tijdens de jaren '60. Hij won acht nationale races
tijdens de jaren '60 en diverse titels en was een lid van het
Harley-Davidson fabrieksteam. Naast één van de beste AMA
racers in de dirttrack, zette Roeder ook snelheidsrecords met
een 250cc Harley-Davidson, zoals in 1965 met een wereldrecord op
de Zoutvlaktes bij Bonneville Salt Flats in Utah. Hij reed een
record van ruim 285 km/u. op een 250cc machine, die hij de naam
"the Streamliner" had gegeven. Roeder werd op 16
augustus 1936 geboren, in Monroeville, Ohio en begon op zijn
zeventiende met racen. Hij werkte zich snel door de rangen van
nieuwkomers en amateurs en begon een profloopbaan. Na een
succesvol rookieseizoen in 1956, begon hij het seizoen van 1957
met een nieuwe Harley-Davidson aan de “Grand National”races. De daarop volgende jaren vocht hij, op het
circuit, met andere toppers zoals Joe Leonard, Carroll Resweber,
Everett Brashear, Dick Klamfoth, Dick Mann en Bart Markel. Hij
won vele races de jaren die volgden. Na zijn terugtrekking uit
de motorsport, in 1967, ging Roeder terug naar zijn boerderij om
hier een bestaan op te bouwen. Hij reed nog wel eens een enkele
keer een dirttrack wedstrijd, maar dat was het. Een paar jaar
later, in 1972, opende George een dealerschap van
Harley-Davidson in zijn geboorteplaats Monroeville. Overdag was
hij nu bezig op zijn boerderij en 's-avonds in de werkplaats. De
motorzaak verkocht hij in 1993 aan zijn oudste zoon Will,
maar hij was er nog elke dag te vinden. Op 8 mei 2003 overleed
Roeder op 66-jarige leeftijd.
1963 George Roeder
mist op één punt na "The Number One" titel van de
A.M.A., die nu naar Dick Mann ging. Hij kreeg dit jaar (1963,
foto) wel de A.M.A. trofee voor meest populaire coureur (zou
deze ook in 1965 nog een keer winnen). Roeder wist nooit de
Daytona 200 te winnen, maar werd wel 2x tweede en 2x
derde.
George
had vijf kinderen onder wie drie zoons, die ook hun stappen in
de racerij hebben gezet, Wil, George II en Jess.
De 250cc100 mijls race
voor amateurs in 1960 (op de foto de start) werd gewonnen door de
jonge Tommy Segraves, die vooraf ook een van de favorieten was. Hij had
zich als zesde geplaatst voor de race achter John Persson, Len McGuire,
Larry Palmgren, John Melniczuc en John Berlin. Op het moment dat de tachtig amateurs
van start gingen nam Tommy Segraves direct de leiding, verloor deze nog
even aan Eddie Warren, maar kwam weer terug aan de kop van het veld. Hij
zou de rest van de race niet meer in gevaar komen en reed met een nieuw
record over de finish. Persson en Warren moesten nog even uitmaken wie
er twee en drie zou worden, maar nadat Warren dit gevecht in zijn
voordeel had beslist, reden ook zij zonder verdere problemen naar de
finish. Zij waren uiteindelijk de enige twee die niet door Tommy
Segraves op een ronde achterstand werden gereden.
1960, Carroll Resweber (#1)
en Brad Andres (#4)
1960, het
veld door de Noord bocht
1960, Winnaar Brad Andres,
George Roeder & Joe Leonard
De
eerste drie in de 100 mijls 250cc race voor amateurs, eveneens de eerste drie in
de 200, op een Harley. Winnaar Tom Segraves (#95), Ed Warren en
John Persson.
Monument
ter nagedachtenis aan de tijd dat de Daytona 200 op het strand
werd verreden van 1937 t/m 1960, met een foto erop van de start
van de 1959-er 200 en foto's van de 12 winnaars.
1954,
BSA reclame na winst in de Daytona 200
Het
nieuwe circuit in 1961, het donkere is de baan die van 1961 t/m 1963
werd gebruikt. De buitenste baan is met de kombanen erin die vanaf 1964
ook voor de Daytona 200 werd gebruikt.
1961, de inwijding van het
nieuwe circuit (voor de motoren), kent een nieuwe overwinning van de fabriek
Harley-Davidson.
Roger Reiman uit Kewanee, Illinois, wint, voor de Triumph van Don Burnett de wedstrijd met meer dan
honderdenelf km gemiddeld, maar zonder daarvoor de grote kombaanbochten te
gebruiken die juist het bijzondere van dit circuit eer aandoen: A.M.A., die
eventuele ongevallen vreest, verbied nl. het gebruik ervan. Het is dus op de
binnenste baan dat de motoren, die altijd met grote fietssturen
"koeienhoorns" worden uitgerust, meer verwanten van dirt track
blijven dan van de wegracewedstrijden. De meeste coureurs kwamen met hun
dirttrackracers aan de start. Niemand had er bij stilgestaan dat je op de
betonnen baan met echte wegracers van start moest gaan. Die waren in Amerika
nog niet zo bekend, maar in Europa reed men er al enige jaren wedstrijden mee.
Roger Reiman, Carroll
Resweber* en Don Burnett, een Triumph
coureur uit Massachusettes, dicteerden de race. Resweber
had nooit veel geluk gehad in Daytona, maar had wel diverse andere races op
zijn naam staan, dus was wel iemand om rekening mee te houden. Hij was de
A.M.A. kampioen (The Number One) van 1958 t/m 1961. Na de trainingen hadden de
Harley-Davidson fabrieksrijders drie van de eerste startplaatsen te
pakken, Bart Markel was vijfde, George Roeder derde en Roger Reiman
mocht van "pole" vertrekken. Carroll Resweber, ook op Harley,
had de tweede tijd gerealiseerd. Bij het vertrek nam Larry Williamson
uit Peoria, Illionois op eveneens een Harley de leiding, maar deze moest
de kop al na een ronde afstaan aan Roger Reiman, die de rest van de race
(99 ronden) de leiding niet meer uit handen zou geven! Carroll Resweber
zou meer dan 50 ronden op een afstand van rond de 13 seconden achter
Reiman rijden, echter ook dit jaar zat
het niet mee, hij viel uit met schakelproblemen in de 52e van de 100
racerondes. De eenzaam rijdende, ex-winnaar van Daytona, Dick Klamfoth kreeg
koppelingsproblemen en was ook uit de race. Het aantal rijders aan de
kop van het veld dunde snel uit op deze manier, Larry Palmgren viel uit
in de 73e ronde, liggend op een podiumplaats, nl. derde en de Canadees
Garnet Koehler, moest een keurige vijfde plaats opgeven, toen hij
vanwege motorproblemen in de 86e en 89e ronde, twee keer extra de pits
in moest. Uiteindelijk was zijn achtste positie in de eindstand nog erg
mooi. Terwijl de race vorderde hadden de toeschouwers wel in de gaten
dat niemand, behalve pech, Reiman van de overwinning af kon houden. Hij
reed de tweede 100 mijl zelfs nog sneller dan de eerste helft! Er kon
eigenlijk niet veel meer mis gaan en Reiman reed onbedreigd naar de overwinning,
en de daarbij horende cheque van $3750, met
Burnett als goed tweede. Er waren slechts 54 coureurs aan de start verschenen
en precies de helft was nog in competitie toen Reiman over de finish
kwam. Van deze 27 machines kwamen er maar liefst 15 uit de fabriek uit
Milwaukee, Harley-Davidson! Deze doorstonden de zware test voor mens en
machine het best. Men had pas een maand voor de race de beslissing
genomen om op het nieuwe parcours, met zes scherpe bochten uitgerust, te rijden en men wijdde hier de geringe
belangstelling van slechts 7500 toeschouwers aan. Ook waren er diverse
coureurs die hadden afgezegd, deze waren niet blij met het nieuwe circuit en
loyaal aan de strandracebaan. Ook dit kostte uiteraard toeschouwers en het zou
enige jaren duren eer de toeschouwersaantallen weer op niveau waren. Uiteraard
niet te vergelijken met de honderdduizenden van hedentendage. Deze komen
echter meer voor de show en het spektakel buiten de baan, als om de races op
zich.
1961: Roger Reiman
(1e), Dick Mann (39e) en Dick Klamfoth (45e), tijdens de trainingsdagen.
Roger Reiman
1961, vrolijke Harley
familie, v.l.n.r. William Harley, Walter Davidson, Roger Reiman, Judy
Davis en de ouders van Roger.
Carroll
Resweber
*
Carroll
Resweber, geboren op 6 januari 1936, in Port Arthur, Texas, was in 1961,
de eerste man die vier opeenvolgende ‘Grand
National Motorcycle Championships’ (record
dat meer dan 30 jaar zou staan, tot in 1998, Scott Russell het
evenaarde) wist te winnen. In de winter van 1955, stapte Resweber
over naar de profklasse, na eerst enige tijd in de nieuwelingen- en
amateurraces te hebben meegedaan. Hij ging naar Millwaukee, kocht daar
zijn eerste Harley-Davidson en vormde met Ralph Berndt, een bekwame
tuner, een perfect raceduo, zoals later zou blijken. Hij won
dat eerste jaar direct twee dirttrack races, en eindigde
daardoor op een vierde plaats in de eindrangschikking. In 1958, vocht
Resweber het gehele seizoen om de “Number One” titel met één van
de veteranen op de motorfiets, Joe Leonard, om uiteindelijk zijn
eerste nationaal kampioenschap te winnen, met één punt
voorsprong op de kampioen van '57, Joe Leonard. Carroll had de toenmalig
kampioen, Leonard in 1953 al eens zien rijden, en hij was zijn grote
voorbeeld sindsdien. Het seizoen was begonnen met een knappe vierde
plaats in de Daytona 200, dit zou uiteindelijk zijn beste klassering
ooit worden in Daytona, hoewel er veel meer in had gezeten, maar pech
brak hem altijd op, als hij in Daytona was. Winst in 1959 in Sacramento,
Springfield en voor de derde keer op een rij in St. Paul leverden hem
ook de A.M.A. "Number One" in dat jaar op. Op weg naar zijn
derde titel in 1960, won hij vier 'Grand Nationals' en versloeg wederom
zijn grote rivaal en inmiddels vriend, Joe Leonard. Het daaropvolgende
seizoen, bracht hem zelfs vijf overwinningen, waaronder zijn eerste
wegrace-overwinning in Watkins Glen, New York. Wederom was Leonard
tweede in de titelstrijd. Volgens ingewijden, was alleen Bart Markel in
staat om Resweber, zo nu en dan, op een dirttrack circuit te
verslaan.
Op
16 September 1962, hard op weg om het vijfde achtereenvolgende
kampioenschap in de wacht te slepen, beëindigde de carrière
van Resweber plotseling. Tijdens een training in Lincoln, Illinois, viel
Resweber samen met drie andere coureurs, Jack Gholson, een oude
racevriend die het ongeval niet overleefde, Dick Klamforth en Babe
Robertson. Gholson was onderuit gegaan, maar door de stofwolken hadden
de andere drie rijders dit te laat in de gaten. De verwondingen van
Resweber, een hersenbeschadiging, een
gebroken nek, een gebroken borstbeen en zes breuken aan het rechterbeen,
plaatsten hem voor negen maanden in een 'gipskostuum'. Het duurde
verscheidene jaren voor Carroll redelijk hersteld was, en hoewel vele
fans geloofden dat Resweber zou terugkomen als racer, deed hij dit
nooit, omdat hij het psychisch niet aan kon. Zijn toewijding aan
Harley-Davidson was gebleven en hij ging voor de Harley-Davidson Motor
Company werken, en maakte speciale delen voor racemachines, totdat hij
in 1992 met pensioen ging. Als men het in Amerika over de beste
dirttrack racers heeft, komt altijd de naam van Resweber bovendrijven.
Hij zou ook zonder het ongeluk nog jaren aan de top hebben meegedraaid,
aangezien hij slechts 26 jaar oud was tijdens het ongeluk. Resweber
won uiteindelijk totaal 19 'A.M.A. Grand Nationals' (negen halve mijlen,
vijf mijlsraces, drie wegraces en twee shorttracks) in
zijn korte, heftige zesjarige carrière. En als zijn loopbaan niet zo
tragisch en plotseling aan zijn einde was gekomen, hadden er nog vele
gevolgd.
Carroll
Resweber links met zijn tuner, Ralph Berndt, in het midden neemt hij
weer eens een prijs in ontvangst en rechts met zijn vrouw
Delores,
waarmee hij in 1955 al trouwde.
1962:
een klassieke pitsstop van Jody Nicholas (6e in de race) uit Nashville,
Tennessee. Tanken, olie bijvullen en een slok water.
Don Burnett (foto links) uit Danvers, Massachusetts, op een Triumph, wint de
wedstrijd in 1962, na een van de meest spannende races aller tijden in
Florida. Carroll
Resweber pakt de snelste trainingstijd en in de eerste 21 ronden lijkt
het er op dat hij de pech, die hem vaak parten speelde, de baas te zijn.
Op dat moment in de race heeft hij 15 sec. voorsprong op 2e man Joe
Leonard. Echter dan slaat "de wet van Murphy" weer toe voor
hem in Daytona. Zijn motor begeeft het en weer is er een kans op de
felbegeerde trofee voorbij voor de man uit Cedarburg, Wisconsin. Het zal
ook later zijn laatste kans blijken te zijn, als hij ernstig gewond
raakt tijdens een dirttrackrace later dat seizoen en zijn carrière over
is. Leonard lijkt dan op weg om de derde coureur te worden die de race
drie keer wint, in navolging van Brad Andres en Dick
Klamforth. In doorkomst 28 echter blijkt dat een aanrijding, voor de
race die morgen, schade aan zijn kettingbevestiging heeft veroorzaakt.
In de paraderonde was er een "con-collega" tegen hem
aangereden en de toen niet geconstateerde schade deed hem nu het veld
moeten verlaten. Nu kwamen Dick Mann en de nummer twee van vorig jaar,
Don Burnett, samen aan de leiding. Mann zijn machine is sneller dan die
van Burnett, maar tijdens een tankstop slaat zijn motor af en dit levert
hem een 30 seconden achterstand op. Dit gebeurde echter pas halverwege
de race en Mann zet de achtervolging in. Hij loopt zienderogen zijn
achterstand op Burnett in en met nog 10 ronden te gaan is het gat tussen
de twee kemphanen teruggebracht tot 10 seconden. Met het gegeven dat
Mann elke ronde een seconde sneller is moest het wel een zeer spannende
finale worden. En dat wordt het ook, het verschil in de laatste ronde is
nog maar een paar machinelengtes. Het publiek gaat helemaal uit zijn dak
en het verschil op de finish is slechts een fractie van een seconde, in
het voordeel van Don Burnett op zijn Triumph. Ralph White wordt derde en
de winnaar van de laatste editie, Roger Reiman wordt vierde. Deze diende
op dat moment in het leger(169e Air Force Fighter Squadron) en had de
toestemming van "Uncle Sam" gekregen om toch aan deze editie
te mogen deelnemen.
1963, start van de 200
mijlsrace
1963
winnaar 200 mijl, Ralph White
Ralph White, een universiteit student
uit San Diego, brengt de trofee op 31 maart 1963
weer in de Harleystal terug. Dit is het jaar dat de A.M.A. voor het
eerst, de in Europa gebruikte, stroomlijnen toestaat. Hierdoor krijgen
de motoren een heel ander uiterlijk. Het zal blijken dat de snelheid
hierdoor toe zal nemen. Voor de start was Dick Mann, de nummer twee van
1962, het middelpunt van een flinke rel. Hij had de tweede plaats in '62
behaald op een hele snelle Matchless motor. Deze bracht hij nu ook aan
de start, maar het motorframe werd door de organisatie niet goedgekeurd.
De controverse werd niet opgelost voor dat de race begon en Dick Mann
moest de race vanaf de zijlijn bekijken. Kanshebber Dick Hammer (1939-2003) bleef staan bij het vallen van de vlag. Zijn monteur had
problemen bij het vervangen van de "warmup" bougies voor de
racebougies. Het kostte Hammer en zijn Harley een 37 seconden
achterstand op de rest van het veld. Na verloop van tijd, op een kwart
van de race, nestelden zich vijf Harley's op kop van het veld: Roger
Reiman, Tony Murguia, George Roeder, Ralph White en de prima
teruggekomen Dick Hammer. Na 100 mijl, op de helft van de race, was de
leiding inmiddels in handen
van een trio, Ralph White de snelste uit de training, Roger Reiman de
winnaar van 1961 en lokaal favoriet Tony Murguia. In ronde 24 was White
onderuit gegaan, kon de race wel weer snel hervatten op een vijfde plek
en zat dus nu nog steeds in de top 3. Reiman
kreeg problemen met zijn koppeling en moest twee maal
naar de pits voor reparatie. Einde podiumplaats, maar hij werd nog wel
knap 12e. Murquia kreeg nu de kop in de schoot geworpen en dit zou tot
ronde 70 zo blijven, toen hij uitviel met een lekke band. Dick Hammer, had inmiddels zijn
slechte start meer dan goed gemaakt, en pakte de leiding. Ongelofelijk,
maar vier ronden later was door een uitgelopen lager ook zijn race ten
einde (hij wist overigens dit jaar wel de 250cc race te winnen).
Hierdoor kwam White dus weer terug op kop, dit door de pech van anderen.
Hij eindigde uiteindelijk maar liefst 1,5 ronde voor tweede man, Larry
Williamson op een Triumph, in een tijd van 2 uur, 34 minuten en 29.17
seconden.
1963,
250cc 100 mijls race, winnaar Dick Hammer op H-D. Veel pech in de 200
mijls race.
Vanaf 1963 werd er ook een 250cc race
voor profs verreden over de halve afstand van de Daytona 200 race, over 100 mijl
dus. Men had deze race al een paar keer georganiseerd voor amateurracers,
maar nu werd het dus ook een race voor profs. De eerste winnaar van deze ook prachtige race,
in een tijd van 1 uur, 23 minuten en 55.64 seconden, was Dick (Richard
Hammer). Het was Tom Clark uit Knoxville die de eerste zes ronden het
veld aanvoerde, daarna nam Ralph White op een Sprint (de winnaar van de
200) de leiding over. Roger Reiman (snelste in de training) en Dick
Hammer gingen White samen in de negende ronde voorbij. Reiman viel uit
en liet Hammer alleen over op kop, maar die kreeg daarna gezelschap van
Buddy Elmore van El Paso, Texas en het werd een wiel aan wiel gevecht
tot twee ronden voor het einde, toen de motor van Elmore het begaf en
Hammer zijn victorie greep. Dit jaar werden de volgende races verreden:
De 200, 250cc 100 mijl, nieuwelingen 76 mijl, 250cc 100 mijl voor
amateurs, shorttrack en een lichtgewicht Sportsman race.
1963,
Roger Reiman ontvangt een klok voor de snelste kwalificatietijd
voor de 250cc race. Een jaar later zou hij de Daytona 200
winnen.
(Special
thanks to Don Emde, winner of the 1972 Daytona 200, for using photographs from his book, The
Daytona 200 1st edition untill 1991. He also made a 2nd edition up
to 2003 and is currently working on the 3rd edition, which should be out
in mid-2008)
(also
many thanks to "Motorcycle Hall of Fame Museum" for using some
of there pics)