|
Geschiedenis
van de '200 miles races' van Daytona
|

|
|
Daytonabeach
1920 |
 |
|
De
stad van Daytonabeach 1937 met rechts bovenaan de pier aan het
einde van de hoofdstraat. ©
Don Emde Productions |
Daytona was een rustige zeebadplaats
van Florida (The Sunshine State), met een mooi strand van wit zand van
37 kilometer lang, die een tempel van de motorsport werd. Geschiedenis
Florida: Florida werd in 1513 door Juan Ponce de Leon ontdekt.
Daarna reisden andere ontdekkingsreizigers naar het gebied. Dat waren in
1528 Narvaéz daarna de Soto tussen 1539 en 1542 en daarna nog vele
anderen. Toen werd er in 1565 door Pedro Mendendéz St-Augustine
gesticht. Hij moordde daarvoor eerst een Franse stam uit. In 1586 ging
Francis Drake naar Florida en verwoeste St-Augustine. In 1607 vestigde
de Engelsen zich in Virginia. Daardoor werden de Spanjaarden naar het
zuid-oosten “geduwd” Daarna trokken de Engelsen verder naar het
zuiden en moesten de Spanjaarden het opgeven in 1763. De Engelsen
verdeelden Florida in oost- en west Florida. In 1783 kregen de
Spanjaarden het weer in handen. Maar in 1819 werden de Spanjaarden door
het Adams-Onis-verdrag gedwongen Florida aan de V.S. te geven. Dat kwam
omdat Andrew Jackson in 1818 Florida was binnen gevallen. Toen kwamen er
veel blanken in Florida wonen en die kregen ruzie met de Indianen.
Daardoor begon de Seminolenoorlog die van 1835 tot 1842 duurde. In 1845
werd Florida de 27ste staat van de V.S. Tijdens de burgeroorlog hoorde
Florida bij het zuiden. Daarna werd Florida een welvarend
land/staat. In
de tweede helft van de 19e eeuw kwamen er zeer veel rijke Amerikanen uit
het Noorden naar het zuiden, omdat zij in Florida veel toekomst voor
investeringen zagen. Een van deze investeerders was Matthias Day, de
oprichter van wat toen Daytona werd genoemd. Hij bouwde het eerste
hotel, in 1874, het Huis Palmetto. Deze tendens zette zich voort met
andere ondernemers, die een stad van vooral handel poogden te bouwen,
wat ook lukte. Daytona Beach, is vandaag de dag een vakantieplaats, met het "Beroemdste Strand van de Wereld", die erom bekend staat populair te zijn
voor de (seksuele) uitspattingen van jongeren tijdens hun voorjaarsvakantie (spring
break) en natuurlijk de Daytona 200 (motorraces) en Daytona 500 (autoraces). De
Daytona International Speedway, één van 's-werelds beroemdste
racebanen, ligt zuidelijk van Daytona Beach, ongeveer acht kilometer
vanaf de Atlantische Oceaan. Vanaf de buitenkant lijkt de kombaan een
uit grijs beton opgetrokken bolwerk, een bolwerk van de snelheid.
Daytona is echter ook een trekpleister voor ouderen, studenten,
toeristen, scholieren, die elk jaar, vanuit heel Amerika naar "The
world's most famous beach" trekken. Het strand is breed, vlak en
spierwit. Tweemaal per etmaal wordt het overspoeld door de vloed, welke
het strand effent tot een perfecte gladde zandbaan, waarop auto's en
motoren zonder problemen kunnen rijden, zij het met een gelimiteerde
snelheid van 10 mijl per uur, waar zeer streng op wordt
gecontroleerd..
 

De grondslag van de
Daytona Speedweek lag eigenlijk in Savannah, Georgia (The Peach State).
In 1932, was er een groep genaamd 'Southeastern Dealers Association', die
hier de 200 mijls race oprichtte. Het moest een A.M.A. 'klasse c' race
worden, dit hield in dat men met standaardmotoren diende te rijden,
waarvan de uitlaat en koplampen waren verwijderd. Men reed eerst in
Savannah om de Vanderbilt Cup (bekend om de autoraces), maar in 1933 werd de race al verplaatst,
omdat de organisatie veel geld verloor doordat de race van 1932, i.v.m. een
erge storm bijna geen bezoekers trok. De race ging in 1933 naar een
circuit in Camp Foster nabij Jacksonville (Florida), hier kwamen 35
rijders aan de start en dit werd wel een succes. In 1935 was het aantal
deelnemers al uitgegroeid tot 68 stuks en trok men een aanzienlijk
aantal motorsportliefhebbers naar Jacksonville. De 200 bekwam een
nationale status. De vijfde editie van de 200, gewonnen door Ed Kretz
Sr., was weer terug verhuisd naar Savannah. De race was een groeiend
succes en de race trok dat jaar al deelnemers uit 35 van de 50 Staten
van Amerika en er deden 120 coureurs mee aan de race. Ze moesten per
twintig coureurs starten en dan na tien seconden de volgende groep. Bij
de derde groep aangekomen, besloot iedereen van start te gaan, anders
werden degene die in de laatste groep moesten starten al op een ronde
gezet door de eerste groep! De latere winnaar Ed Kretz had startnummer
120 getrokken (kwalificatie ging in die tijd via loting), dus moest vanaf de laatste startrij vertrekken. Het
circuit bestond voor het grootste deel uit zand en vooral de bochten
werden door de 120 coureurs flink omgeploegd en er ontstond een flinke
geul in het rulle zand en de enige manier om daar na een paar ronden
door heen te komen, was snelheid en Kretz kon dit als de beste. In 1937
verhuisde de 200 mijl terug naar Florida en wel naar Daytona Beach, waar
het zou uitgroeien tot het grootste motorevenement ter wereld. De historie van Daytona is eigenlijk net
zo oud als de motorsport zelf.
In 1903 werden al de
eerste (klein opgezette) autoraces gehouden op het strand van Daytona.
Ook motoren kwamen dat jaar voor het eerst in actie. De Zweed Carl Oscar Hedström,
een van de oprichters van het merk 'Indian', reed een snelheidsrecord op
het strand. In 1904, hetzelfde jaar dat de F.I.M. (Federation
Internationale de Motocyclisme) werd opgericht, werd een poging gedaan
door een 26 jarige durfal, de ex-wielrenner en motorfiets- en
motorenontwerper Glenn Hammond Curtiss, die op een van alle overbodige
onderdelen ontdane motorfiets een snelheidsrecord vestigde over de mijl
van 60 mijl (96 km.) per uur. Deze snelheid betekende een record, maar
Curtiss was er niet tevreden over en hij beloofde om terug te komen om
een echt record neer te zetten. Zijn voorbereidingen duurden twee jaar
en toen kwam hij terug naar Daytona met een motorfiets, waarin hij een
vliegtuigmotor, een achtcilinder V-motor van 4300 cc, geknutseld had.
Het "ding" haalde een ongehoorde snelheid van 137 mijl (221
km.) per uur. Hij reed met deze machine nog verschillende
officieuze wereldrecords. Deze waren niet officieel omdat hij er nooit
in slaagde binnen de gestelde tijd een tweede run in tegenovergestelde
richting te doen. Deze machine was noodgedwongen uitgerust met een
cardan omdat er nog geen kettingen of riemen bestonden die het vermogen
van 40 pk aankonden. De motor was ontstaan doordat Curtiss voor een
vriend een "voortbewegingmotor" voor een zeppelin maakte. Hij bouwde het
blok in een motorfiets omdat hij het op die manier kon testen. Curtiss
was behalve een gepassioneerd recordrijder ook de uitvinder van het
draaibare gashendel. Hij werd ook wereldberoemd als uitvinder en
constructeur van vliegtuigen en vliegtuigmotoren. Destijds versleten de
toeschouwers hem echter voor stapelgek. Wie meer dan 220 kilometer per
uur durfde te rijden, moest wel knettergek zijn! Meer dan 20 jaar
brulden de motoren van recordjagers over Daytona Beach. Dit was
uiteraard niet van gevaar ontbloot, de rijders moesten altijd op hun
hoede zijn voor de ribbels, die soms door het terugtrekkende water op
het strand achterbleven. Daarnaast kon de verraderlijke zeewind voor
vreemde effecten zorgen. In 1937 maakten de mensen in Daytona dus weer
kennis met iets onbekends. Snelheidsrecords was één ding, maar een
race van 200 mijl over het strand was helemaal van de gekke!
|
Jaar
|
Circuit
|
Winnaar
|
|
|
|
1932
|
Savannah
|
Ralph
Edwards
|
USA
|
Harley-Davidson
|
|
1933
|
Jacksonville
|
Bert
Baisden
|
USA
|
Harley-Davidson
|
|
1934
|
Jacksonville
|
Brennan
Sykes
|
USA
|
Harley-Davidson
|
|
1935
|
Jacksonville
|
Arthur
Bradley
|
USA
|
Indian
|
|
1936
|
Savannah
|
Ed
Kretz
|
USA
|
Indian
|
In Florida, de zuidelijkste staat op
het vasteland van de VS, wonen ongeveer 14 miljoen mensen. Het
schiereiland scheidt de Atlantische Oceaan van de Golf van Mexico en
strekt zich uit in de richting van het Caribische gebied. Van de
noordgrens tot de zuidpunt is Florida zo'n 690 km lang. De staat heeft
een oppervlak van 151.714 km2 en is daarmee vrijwel even
groot als Engeland. De hoofdstad van Florida is Tallahassee, een
relatief kleine stad in de Panhandle, de smalle reep land die langs de
kust van de Golf van Mexico naar het westen loopt. Florida's
belangrijkste steden zijn echter Miami en Orlando. Orlando is bekend om
zijn pretparken (o.a. Walt Disney World Resort). De historie van de motorsport in
Florida begint in 1937... "Daytona week", de
week van Daytona, is wanneer ontstaan? Waar? En waarom? Wat is er gebeurt dat een kleine wedloop op het strand
later de krankzinnigste motorweek van de wereld werd? Ormond Beach,
Daytona Beach... in dit prachtige deel van Florida, alle namen lopen met "beach"
af: het strand, enorm, dat van het zuiden van Florida doorloopt. Florida heeft een subtropisch
klimaat en de naam is afgeleid van La Florida
(Spaans voor De Bloemrijke). Florida werd veelal bevolkt door gepensioneerden en
wat vakantiegangers. Aan de andere kant van de
Atlantische Oceaan, bevond/bevindt zich het uitgebreidere equivalent van de Côte
d'Azur.
Besloten werd, i.v.m. de rustige toestand en daarmee samenhangende lage
inkomsten, door de plaatselijke
autoriteiten, nu (2007) zeventig jaar geleden om er enige nieuw vertier te creëren.
Een week per jaar, voor het begin van de lente in Florida, wordt Daytona Beach voor enkele dagen
een heksenketel... Er werd op een ovaal circuit van 4,8
kilometers gereden en de races zullen de kleine stad bekend maken. Voor
de race gebruikt de wedloop van Daytona één van de wezenlijke
kenmerken van deze zeebadplaats: het strand. Door een klein traject van minder
dan vijf kilometers, gebruiken de organisatoren de
plaatselijke mogelijkheden: het strand, met een lang "recht einde",
twee kilometers hard zand die de motoren vol gas nemen alvorens te draaien
op een plek waar het zand was opgehoogd om
het in omgekeerde richting nogmaals te doen, maar dan via de smalle verharde
weg, de boulevard, die deze naam in die tijd nog niet verdiende. Ook hier was aan het einde een verhoging van zand gemaakt waar de
coureurs weer het strand opgingen. Het traject voerde de
coureurs dwars door de duinen. De machines uit die tijd waren speciaal
uitgerust voor dit zandbaanparcours en hadden i.p.v. de grote
voetplanken, kleinere steuntjes, brede sturen en verende zadels. Ook de
vering, motor en het remsysteem waren aangepast. Voor deze eerste race,
vroeg in 1937, hadden zich 98 deelnemers ingeschreven, onder wie Bill Cummings, de
regerend kampioen van de wereldbefaamde autorace, de Indianapolis 500.
Hij werd uiteindelijk 27e in de 200 mijls race, later zou Cummings de
eerste stock-car race op het strand van Daytona winnen. Het
prijzengeld, 870 dollar, is nog niet
fantastisch te noemen maar dat maakt niets uit, het gaat om het idee. Een deel van het parcours verandert in een echte modderpoel.
Uitputtend voor de deelnemers evenals voor de machines. De machines
bestonden dat jaar uit: Harley-Davidson's, Indians, Nortons, een Rudge,
een Vincent, een BMW en een Ariel. Duizenden toeschouwers stroomden van
heinde en ver naar het strand voor de grote race, ze nestelden zich
rijen dicht aan de binnen- en buitenzijde van het parcours en gaven
niets om het stuivende zand, dat door de spinnende wielen werd
opgeworpen. Er waren slechts
20 rijders die deze eerste zeer zware 200 mijlsrace uit zouden rijden.
De meeste waren wel zo slim geweest om een soort provisorisch
luchtfilter te maken, maar het opgeworpen zand was als fijn poeder en
vele moesten uitvallen door zand in hun motorblok. Ook veel rijders
smoorden in het zand, in de vele kraters die ontstonden in de zanderige
bochten en als men vanaf het asfalt het zand inreed en niet goed
uitkwam, stond de motor vaak wel erg snel stil, terwijl de berijder
nog met een gangetje doorging... Ook de strandweg c.q.
"boulevard" veroorzaakte vele problemen en ongelukken. Het
asfalt was gewoon over het zand gestort, dus dan heb je wel een idee hoe
"strak" dit parcours erbij lag. Op sommige hobbels vlogen de motoren
meters door de lucht. De meeste coureurs vonden het
"asfaltstuk" beangstigender dan het strand. De snelle jongens
waren bang voor de achterblijvers en de achterblijvers waren bang voor
de snelle jongens, om niet van de sokken gereden te worden. Het was
uiteraard heel erg moeilijk om een strakke lijn aan te houden op deze
baan. Ook een overstekende toeschouwer was een grote angst voor de
racers. Het stuk asfalt kreeg al snel de naam het meest schrikwekkende
stukje asfalt in de racerij te zijn. Toch uitte men weinig kritiek op
het circuit, iedereen vond het een fascinerende uitdaging en alleen het
uitrijden van deze race was al een prestatie op zich. En voor de
fabrikanten gold dat, mocht een motor de race uitrijden, zonder motor-
of versnellingsbakproblemen, dit automatisch wel een goed merk moest
zijn, dus goed voor de verkoopcijfers.

 |
| De
winnende 737cc Indian van Ed Kretz met het nummer van 1938 |
 |
| Ed Kretz
1937 |
Ed "Iron Man" Kretz Sr.(1911-1996)*,
wordt de eerste overwinnaar, op 24 januari 1937, en maakte goede reclame voor de motorfabriek
die het hem mogelijk maakte om te winnen: Indian**. Hij nam in de 2e ronde
de leiding over van de Canadees, Miller, op een Norton, om die niet meer uit handen te geven in de rest van de race.
Sterker nog, hij zou het hele veld van 86 rijders, uit 28 staten en
Canada, (meer mochten er niet starten) op minimaal één
ronde zetten. Hij had tijdens de race nog wel een hachelijk moment, toen
hij met veel moeite een hond moest ontwijken, die de weg overstak! De tweede plaats ging naar Clark Trumbull op een Norton,
met Ellis Pearce derde op een Harley-Davidson. Een menigte van ongeveer
15.000 toeschouwers was er getuige van om Kretz de eerste Daytona 200 te
zien winnen. De overwinning leverde Kretz $300 op, de eerste acht
plaatsen wonnen een geldbedrag. Elk jaar werden er weer weddenschappen
op Kretz afgesloten, maar hij zou de race nooit meer winnen, ondanks het
feit dat hij diverse keren aan de leiding van het veld zou liggen.
Mechanische problemen maakten altijd weer een einde aan zijn illusie. Het enige probleem van het nieuwe
circuit waren de continu veranderende getijden. De race van '37 begon
met laagwater, maar naarmate de wedstrijd vorderde werd het hoogwater,
zodat de coureurs, of ver van de zee, in het diepe zand moesten gaan
rijden of net door de branding. Eb en vloed speelden dus een grote rol
tijdens deze eerste Daytona 200. In 1938 werd dit probleem opgelost door
de race met de kentering van vloed naar eb te beginnen. Op deze manier
had de race zes uren de tijd om verreden te worden, zonder een
getijdenprobleem. Dit was slechts drie uur in 1937. De organisatoren van
deze eerste 200 mijler hadden er geen notie van dat ze de basis hadden
gelegd voor het grootste motorfietsenfestijn ter wereld en
waarschijnlijk aller tijden. Het zijn veelal de Amerikaanse
motoren waarop in het eerste jaar wordt deelgenomen: vijf Indian's en twee Harley-Davidson's
bij de acht eersten van Daytona, tijdens zijn eerste versie.
Harley-Davidson, de
beroemdste van de Amerikaanse merken, schrijft de volgende jaren drie overwinningen
op zijn naam. Ben Campanale (1914-2003) won in 1938 en 1939 en de
winnaar in 1940 was, Babe
Tancrede (1906-1995). Daarna krijgen
ook de Europeaanse motormerken zin in het spektakel en komen direct succesvol voor de
dag op de kusten van Florida: de Canadees Billy Matthews (†
1980) , in 1941, behaalt de eerste niet-
Amerikaanse overwinning door aan het stuur van een Britse Norton als eerste te eindigen. In 1942 werd de Daytona-race niet
gehouden, dit alles in verband met de Tweede Wereldoorlog. Door de
oorlog kwamen ook de rantsoeneringen op banden, motoronderdelen en
vooral benzine.
|
Ed Kretz Sr. |
|
*
Ed “Iron
Man” Kretz, Sr., geboren op 24 september 1911 in San Diego,
won dus de eerste 200 mijls race in Savannah, in 1936, maar zal
voor altijd herinnerd worden als de man die de allereerste race
op Daytona Beach won, in 1937. De bijnaam de "Iron
Man" (man van ijzer) kreeg hij, omdat hoe langer, zwaarder
en ruwer de race was, hoe sneller hij ging! In tegenstelling tot
de meeste coureurs, begon Kretz pas met motorracen toen hij
twintig was, op vrij hoge leeftijd dus. Na enige tijd met veel
succes in de regionale wedstrijden uit te zijn gekomen, kreeg
hij van de fabriek Indian, in 1936, een contract, dat hem $200
opleverde in de maand, buiten zijn reis- en verblijfskosten. Dit
was in die tijd, van de grote recessie, erg veel geld. Hij werd
in 1937 ook kampioen bij de A.M.A. op zijn Indian. Ed
weigerde echter de #1 plaat dat jaar, omdat hij het niet zijn
geluksgetal vond. Hij overheerste een tiental jaren in de
wegrace, rijdende onder nummer 38, hij won vele wedstrijden,
o.a. A.M.A. national
wedstrijden in Langhorn, 1937, 1938, 1940 en 1948; Laconia in
1938 en 1945; Daytona in 1937 en Savannah in 1936, Kretz werd
verkozen als de
populairste coureur in Amerika in 1938 en 1948. Dit alles op
zijn Indian met meestal #38.
 |
|
Ed Kretz
Sr. en Jr. met hun team op het strand van Daytona in
1950. |
|
©
Motorcycle
Hall of Fame Museum
|
 In
de jaren vijftig kwam zijn zoon, Ed Kretz Jr., hem gezelschap
houden tijdens de races, toen deze in de voetsporen van zijn
vader trad. Hij was ook wel succesvol, maar nooit zo als zijn
vader. In 1950, reed Junior de 250cc race voor amateurs, in
Daytona, op de Indian waarmee zijn vader in 1937 de 200 won. Tot
een halve mijl voor de finish leidde Kretz de race, helaas kreeg
hij toen mechanische problemen, waardoor hij slechts twaalfde
werd. Junior reed, ter ere van zijn vader, in zijn amateurtijd,
ook altijd met nummer 38. Senior trok zich in 1952 gedeeltelijk
terug uit de actieve wegracerij, maar toen hij, in 1954 in
Duitsland hoorde over een 100 mijls race in Ascot, kon hij
daar niet aan weerstaan. Hij won in Ascot alles wat er te winnen
viel en hield $1.100 over aan die
dag en dat was veel meer dan hij ooit voorheen had gewonnen,
zelfs niet in een Nationale race. Joe Leonard was op dat moment
de “Number One” en Kretz gaf zelfs hem een ronde achterstand
aan zijn broek. Op de leeftijd van 44, kwam Kretz nogmaals terug
voor een race, de ’Pacific Coast TT Championship’ een race
over 100 ronden, in 1954, en ook deze won hij vrij gemakkelijk,
hierbij vele jonge, snelle rijders verslaand. Hij zou ook tot
1959 elk jaar in de Daytona 200 uit blijven komen, maar hem in
zijn 15 optredens, nooit meer winnen, ondanks dat hij heel vaak
aan de leiding zou gaan. Vele mechanische problemen deden hem
nooit meer dat prachtige gevoel van 1937 herbeleven.
 |
| motorsportzaak
Kretz in de jaren '50. |
Na
de tweede wereldoorlog, waarin hij jonge soldaten rijles gaf op
Indian's en Harley-Davidson's, opende Kretz een motorsportzaak,
die hij, samen met zijn zoon, tot 1986 zou behouden. Tien jaar
later overleed Ed op 85-jarige leeftijd.
|
Bovenste
foto Ed Kretz Sr. in 1937 op de winnende Indian.
Onderste
foto Ed Kretz Jr. |

|

Ed
Kretz Sr. krijgt de zwart-wit geblokte vlag in 1937

Ed
Kretz Sr. rijdt een ereronde tijdens de Daytona 200 van 1990 op de
winnende
Indian van 1937, op 79 jarige leeftijd. |
|
Indian |
|
**
Indian
is het eerste motormerk van Amerika, opgericht in 1900 door George W. Hendee
en Carl Oscar Hedström (The Great Medicine Man genoemd)
onder de naam Hendee Manufacturing Company in Springfield, Massachusetts. Tot 1913 zou Indian de grootste motorenfabriek van Amerika
zijn, Harley was in die dagen een "ukkie" vergeleken
met Indian. Het meest populaire model van de fabriek zou de 'Indian
Scout' worden, veelvuldig gebruikt in de Daytona 200, met als
goed tweede de 'Indian Chief'. In de twee
wereldoorlogen, was het de Indian die duizenden Amerikaanse soldaten
naar het slagveld voerde, de Indian was door zijn grote betrouwbaarheid
gekozen als legervervoermiddel (evenals overigens de Harley-Davidson). Hedström (1913, pensionering) en Hendee (1916,
verstoorde werkomstandigheden) trokken zich terug, waarna vele
wisselingen van de leiding het merk aan de rand van de afgrond brachten.
In 1930 kocht verfmagnaat Paul Du Pont,
die ook het automerk DuPont had opgericht, het merk, waarna de Indians
in 24 kleuren leverbaar werden. In die tijd verscheen ook de getooide
indianenkop op de tank.
De enorme fabriek, in Springfield, van Indian
werd ‘de Wigwam’ genoemd, en de inheemse (Indiaanse) Amerikaanse
beeldspraak werd veel gebruikt in en voor reclamedoeleinden.
In 1940 verkocht Indian bijna net zo veel motoren als zijn grootste
rivaal, Harley-Davidson. In die tijd, vervaardigde het bedrijf ook
andere producten zoals vliegtuigmotoren, fietsen, bootmotoren en
airconditioners.
Aan het einde van de tweede wereldoorlog werd het merk verkocht aan
Ralph Burden Rogers, deze nam in 1949 ontslag en het bedrijf werd in
tweeën gesplitst: de productie kwam in handen van Atlas-Titeflex en de
verkoop kwam bij de Indian Sales Corporation.
Indian importeerde na de Tweede Wereldoorlog veel Engelse merken, en
werd in 1953 opgenomen in het Engelse AMC-concern. Er werden nu ook
Engelse Royal Enfield-machines van het Indian-merk voorzien, maar de
laatste echte Indian werd in 1953 gebouwd. Daarna importeerde Indian nog
enkele jaren het merk Matchless in de USA. Heden ten dage worden er nog
wel wat motoren onder de merknaam gemaakt en verkocht, dit na jarenlange
doorverkoop en getouwtrek van en om de merknaam.
Indian
Scout 1932
|
Indian
Scout 1932
©
Motorcycle
Hall of Fame Museum
 |
| Ed Kretz
met zijn team 1937 |
| ©
Motorcycle
Hall of Fame Museum |
Het was Bennie Campanale uit
Providence, Rhode Island, die de 200 mijls ‘National
Championship Road Racing’ kroon in 1938 zou dragen, 30 januari
was de grote dag voor Bennie toen hij zijn Harley-Davidson WLDR over de
finishlijn in Daytona Beach stuurde, een ‘cheers’ van 15.000
enthousiaste toeschouwers begeleiden hem erbij. Zijn winnende tijd was 2
uren, 42 minuten, en 10 seconden, één minuut en 27 seconden sneller dan
de race van 1937 en de snelste tijd ooit, in de zeven jaar
oude gebeurtenis van de 200 mijl race in de Verenigde Staten. De
consistentie en het uithoudingsvermogen van de paardekrachten van de
Harley-Davidson werden steeds meer benadrukt in deze grote
winterklassieker van het Zuiden, aangezien zes van de eerste acht
finishers op een H-D WLDR model reden. Vanaf meer dan een week vóór de
grote race, waren de motorfietsen en hun berijders, 117 in totaal, in
Daytona aangekomen. Deze “gelukszoekers” kwamen om hun kansen in de
200-mijl te pakken, wat hun bekendheid, goud, en kampioenschapseer zou
kunnen brengen. Terwijl de dag van de race naderde, trokken duizenden
toeschouwers, met inbegrip van honderden motorrijders vanuit alle hoeken
van de Verenigde Staten, naar Daytona Beach. Opwinding liep op naar
koortshoogte. De inschrijflijst betrof een recordaantal deelnemers en
beloofde een prachtig gevecht voor de belangrijkste plaatsen te worden.
De nacht voor de race, belegde secretaris E.C. Smith een A.M.A. (American
Motorcycle Association) vergadering
voor alle deelnemers en hun pitbemanningen. De officiële
“scheidsrechter”, Jim Davis (1896-2000), veteraan in vele snelheidswedstrijden, lag zorgvuldig al de regels uit aan alle
aanwezigen. De officiële starter
"Smokey" Joe Petrali beschreef daarna het gebruik van het
gekleurde vlaggensysteem, waarna de pitsmanager "Fats"
McCullough de regels die in de pits van kracht zouden zijn
besprak.
 |
| Een
deel van het startveld, vol verwachting wat zo komen gaat. |
Zondagmorgen vroeg begonnen de
toeschouwers bijeen te komen rond het circuit, enthousiast zoekend, om de
beste posities langs het parcours te vinden. De
hele morgen lang kwamen er vele motorgeluiden vanuit de lange rij in de
pitstraat, op het zuideinde van het circuit. De meest in smetteloos wit
geklede monteurs en andere teamleden krioelden door elkaar om eventuele
“last minute” aanpassingen te maken. Diverse leden van de
organisatie liepen er ook tussendoor om te kijken of alles goed en
volgens de regels verliep, en de 117 coureurs, zenuwachtig aan de
gashandels draaiend, wachtend op hetgeen er komen ging. De start was
gepland om 12 uur, en ver voor dat uur, werd het strand ontruimd door
de efficiënte strandpatrouille van de motorfietspolitie. Op een gegeven
ogenblik werd er dan omgeroepen dat de rijders zich klaar moesten maken
en zich moesten melden in de volgorde van de startnummers die ze hadden
getrokken. De rijders met nummers
1 t/m 20 bezetten zo de eerste rij enz, enz. Elke rij werd onderverdeeld
in groepen van vijf en elke groep mocht starten als het zijn beurt was.
Precies om 12 uur, liet starter Joe Petrali, houder van het sprintrecord van de A.M.A.,
op ditzelfde strand, de vlag vallen voor de eerste groep en weg brulden
de coureurs. Elke rij wuifde Petrali zo weg, met een vijf seconden
interval, tot 117 brullende motoren de lucht, met een machtig gezoem
vulden. DE STRIJD WAS LOS! Spoedig vlamde de parade van zoevende motoren
voorbij de tribune van de jury. Zelfs in de eerste ronden, betekenden
kettingproblemen, sputterende motoren en valpartijen voor velen al een
gedwongen opgave. De menigte koos snel hun eigen favorieten en
schreeuwden luid als zij voorbij kwamen. Onder de
leiders waren Tancrede, Campanale, Kretz, Anthony, Hillbish, Miller,
Hays, Kathcart, Johnston, Reiber, en nog verscheidene anderen. Halverwege de race, werd de aandacht van de menigte
gevestigd op de vlotte, gemakkelijke en snelle rijstijl van Campanale,
toen men aankondigde dat hij nog steeds met de leiders mee zat en meer
deed dan alleen bijbenen.
Ook *, Tommy Hayes
en Indian rijder Lester Hillbish. Op
een zeker moment, dwong Hillbish Campanale van het circuit. Dit
maakte Ben, op de in groene en witte kleuren gespoten Harley, razend en hij reed als een gek achter Hillbish aan.
Hij haalde hem weer in, ging naast hem rijden en schopte tegen
het voorwiel van Hillbish. Deze schrok daar heel erg van, en Campanale
reed bij hem weg om met één minuut voorsprong op Hillbish, te winnen, Hayes werd op afstand derde. Na de race,
kwamen Hillbish en een groep van zijn vrienden langs, om tegen
het ruwe rijden van ‘Campy’ te protesteren. Gelukkig voor
Campanale, had A.M.A. official, starter en vroegere racegrootheid, Jim
Davis*, zien gebeuren dat Hillbish, Campanale van de baan af reed
en het protest werd niet aangenomen.
Om te winnen, had Campanale met 116 concurrenten af moeten rekenen. Om
dit mogelijk te maken, voltooide hij de 200 mijlen in een nieuwe
recordtijd van 2 uur, 42 minuten en 10 seconden. In deze tijd werd
de Daytona 200 ook wel,
door lokale schrijvers, de “Handlebar Derby”
genoemd. Dit betekende vrij vertaald zoveel als 'derby van het
stuur'.
 |
|
1938:
de coureurs die geld opstreken met de Daytona 200 race, oftewel
zoals ze dat noem(d)en, 'The Money Finishers'. |
|
*
Jim
Davis (1896-2000), reed zowel voor de Indian als voor de
Harley-Davidson fabriek van voor de jaren '20 en tot in de jaren
'30. Hij wist 21 'A.M.A. Grand Nationals' te winnen. Hij was na
zijn racecarrière jarenlang de officiele A.M.A. starter voor de
"Grand Nationals' en dus ook van Daytona. (zie ook de
Daytona 2000) |
| Plaats |
Naam |
Tijd |
| 1. |
Ben
Campanale |
2.42.10 |
| 2. |
Lester
Hillbish |
2.43.10 |
| 3. |
Tom
Hayes |
2.44.00 |
| 4. |
Griffin
Kathcart |
2.46.45 |
| 5. |
Billie
Armstrong |
2.48.45 |
| 6. |
Jack
Johnson |
2.49.30 |
| 7. |
Earl
Robinson |
2.49.30 |
| 8. |
Herb
Reiber |
2.49.50 |
| 9. |
Burrell
Copeland |
2.52.15 |
| 10. |
Kenny
Ingle |
2.53.20 |
| 11. |
Ed
Davis |
2.53.35 |
| 12. |
Bud
Manzione |
2.54.00 |
| 13. |
Duck
Groce |
2.54.20 |
| 14. |
Frenchy
Castonguay |
2.57.35 |
| 15. |
Mel
Rhoads |
2.57.35 |
| 16. |
Roy
Egeberg |
2.58.18 |
| 1938
boven: Campanale wordt gefeliciteerd door H-D directeur en
oprichter S. Harley, daaronder Earl Robinson (6e in de 200) en
Grif Kathcart (4e). |
17. |
W.F.
Parham |
2.58.20 |
| 18. |
Raoul
Mikes |
2.58.33 |
| 19. |
R.M.
Buckley |
2.58.57 |
| 20. |
Fred
Metz |
3.01.45 |
 |
 |
 |
 |
| Herb
Reiber, 8e in 1938 |
Jack
Johnson,
7e in 1938 |
Vol
verwachting zijnde toeschouwers in
1938 |
1938,
de achterkant van het circuit, zie de controleurs boven de weg! |
 |
|
Ben Campanale
passeert Sam Arena binnendoor in de Noord bocht op Daytona Beach
in 1939. |
In tegenstelling tot het grote
startveld, 117 coureurs, van 1938 kwamen er in 1939 slechts 47 aan de
start. De verwachte krachtmeting was die tussen de winnaars van de
eerste twee Daytona 200 mijlsraces. Kretz, de winnaar van '37 was terug
om revanche te nemen voor zijn rampzalige verlies in 1938, Campanale,
wilde de titel behouden die hij een jaar daarvoor had gewonnen. De
strijd was extra pikant, omdat Kretz een Indian bereed, terwijl
Campanale een Harley coureur was. In het begin, schoot Kretz direct naar
de leiding en probeerde om in de eerste vier/vijf rondes een flink gat
te slaan. Buiten de eerste tien plaatsen in het begin van de race,
bewoog Campanale zich langzaam naar voren naar de tweede plaats in de
zevende ronde. Op dit punt, lag Kretz 10,3 seconden voor hem, maar
Campanale vloog over het parcours en begon hard op Kretz in te lopen.
Aan het eind van de negende ronde, had Campanale zijn achterstand
teruggebracht tot 5,8 seconden. Het leek of het gevecht zou gaan
beginnen, maar helaas, voor het tweede jaar op rij sloeg het noodlot toe
voor Ed Kretz, zijn Indian vloog in brand en hij verloor vier ronden
alvorens hij terug in het strijdperk kwam. Met Kretz uit de race,
Campanale leek de race op zijn gemak te gaan winnen, maar hij had nog
met één rijder af te rekenen om de overwinning op te kunnen
eisen. Sam Arena (1912-2002), de 'A.M.A. National Hillclimb Champion 1947-1950', een Harleyrijder uit San Jose, Californië nam de
leiding over van Campanale. Hij reed tien ronden op kop tot hij in één
van de zachte zandige draaiingen crashte en een lading zand in zijn
motor kreeg. Vanaf dat moment, kwam de de overwinning van Campanale niet
meer in gevaar. Hij werd zo de eerste 2-voudige (2 op een rij)
overwinnaar van Daytona 200. Er werd in 1939, buiten de 200 mijls race,
voor de eerste keer, ook een race voor "nieuwelingen"
georganiseerd. Deze eerste race werd gewonnen door Woody
Simmons (USA, Harley-Davidson).
 |
 |
|
1938:
Ben Campanale wordt gefeliciteert met zijn overwinning door
William S. Harley (links) en Walter Davidson (met witte broek)
de oprichters van Harley-Davidson. |
1939:
Ben Campanale op de schouders na zijn tweede overwinning op rij.
Teammaat Babe Tancrede (rechts) deelt mee in de vreugde. Hij
werd dit jaar vijfde, om in 1940 zelf de wedstrijd te winnen en
in '41 tweede te worden. |
©
Don Emde |
|
Ben
Campanale |
|
 |
| Ben
met zijn "ijsboot" in 1934 |
| ©
Don
Emde |
*
Ben
Campanale, geboren in Worcester, Massachusetts, op 19 September
1914, was een van de eerste A.M.A. sterren, hij was een van
beste racers in New England tijdens de midden jaren '30. Hij
maakte naam door als eerste twee keer achter elkaar, winnaar te
worden, van de Daytona 200, de klassieker die hij in 1938 en
1939 won, oftewel de tweede en derde editie. Campanale kwam in
aanraking met de snelheidssporten, als tiener, omdat hij altijd
op zoek was naar een nieuwe uitdaging. Campanale wilde een
“ijsboot” bouwen om over de bevroren meren dichtbij zijn
huis te "varen". Hij
kwam in contact met een boer, die een oude Harley-Davidson, in
losse onderdelen, achter zijn schuur had liggen. Campanale
betaalde vijf dollar voor de oude motorfiets en begon deze
opnieuw op te bouwen. Hij kreeg de motor weer aan het lopen, en
met de toevoeging van een oude propeller van een nabijgelegen
luchthaven, had hij de belangrijkste ingrediënten om zijn
“ijsboot” te bouwen. Na diverse aanpassingen, lukte het
Campanale om over het ijs te racen, waarmee hij één van de
populairste tieners op het meer werd. Degenen die geen angst
hadden, hingen, op hun schaatsen, aan touwen achter de boot en “vlogen” over het ijs, met
snelheden van tegen de 130 km/u. In de lente knapte Campanale het frame, van de oude 1924er Harley,
op, installeerde de
motor, en leerde achter zijn huis de motor te berijden. In 1934,
reed Campanale zijn eerste race, het nationale TT kampioenschap
in Keene, New Hampshire. De negentienjarige, betaalde één
dollar aan de A.M.A. voor een lidmaatschap en was klaar om te
racen. Die dingen waren vrij eenvoudige in die dagen. De
controleur van de A.M.A. bekeek de oude “motor” en zal zeker
een grijns niet hebben kunnen onderdrukken, nadat hij het
apparaat goed had bekeken. De tegenstanders van Ben zullen niet
anders gekeken hebben, maar na de race piepten de meesten wel
anders, want Campanale verraste iedereen door als vijfde te
eindigen. Campanale werd daarna al snel een lokale beroemdheid,
na zijn uitstekende prestatie in Keene en zijn reputatie steeg
alleen maar, door het winnen van regionale TT kampioenschappen
en trialwedstrijden bergop in New England. Hij
deed, om aan geld te komen tijdens de opbouw van zijn
raceloopbaan, ook stuntwerk, zoals door een afzetting met
planken heen rijden. Toen hij echter een keer te sterke planken
had gebruikt, en geblesseerd raakte, stopte hij ermee. In 1938, ging
Campanale naar Daytona Beach, Florida, om aan de 200 deel te
nemen. Campanale was nationaal nog vrij onbekend, en moest het
dit keer opnemen tegen meer dan 100 van de beste
motorfietsracers in het land. Zijn motorfiets was een
Harley-Davidson WLDR straatfiets,
met de koplampen eraf gehaald. Zoals beschreven bracht Campanale
de 200 op zijn naam. In 1939 kwam Campanale
uiteraard terug in Daytona, maar was nu niet meer de underdog.
Dit keer bereed hij een fabrieks Harley-Davidson en Campanale
won wederom de race. Campanale overleefde, in Oakland, Californië, in 1941 een verschrikkelijk
ongeluk tijdens de race. De rijder, Juni
McCall, ging onderuit met een zeer hoge snelheid, tijdens de Oakland
200. Campanale en
verscheidene andere coureurs kwamen eveneens hard ten val,
tijdens het proberen om McCall te ontwijken. Campanale werd
gedwongen om tegen de buitenomheining van de baan aan te rijden,
in een poging het incident te ontwijken. Tommy Hays en Juni
McCall kwamen tragisch om het leven. Volgens getuigen leek het
alsof er een bom was ontploft op het circuit, met allemaal
uitgestrooide rijders en fietsen. Ben en Jim Kelly werden beiden voor maanden in het ziekenhuis opgenomen.
De artsen hadden Ben minder dan 50% kans gegeven op overleven.
Hij overleefde het ongeval echter wel, en na WO-II hervatte hij
zijn racecarrière en won verscheidene titels. Hij verhuisde
naar Californië en opende een Harley-Davidson dealerschap,
zoals velen van zijn con-collega’s, in Pomona. In 2003
overleed hij op 89-jarige leeftijd.
|
 |
Ben Campanale
(l) en Babe Tancrede poseren in Daytona in 1938 op hun
Harley-Davidson WLDR's, "straatmotoren" met de
koplampen eraf gehaald. Zij wonnen dus, op hun Amerikaanse
trots, de edities van 1938 t/m 1940.
©
Don Emde Productions
|
 |
|
Winnaar
1938 en 1939 Ben Campanale ©
Don Emde Productions |
|
Ben Campanale
na zijn overwinning in 1938, hij herhaalde zijn overwinning dus
een jaar later en werd daarmee de 1e winnaar die de race 2x
achter elkaar won. In 1941 werd hij nog 4e en in 1950, 5e. ©
Don Emde Productions |

 |
| Babe
Tancredi |
 |
| Ben
Campanale |
| ©
Motorcycle
Hall of Fame Museum |
De race van 1940 zou een strijd
tussen de coureurs van Rhode Island en van Californië worden. Voor de
verdedigende kampioen Ben Campanale van Providence, Rhode Island stond
er een hoop op het spel bij deze gebeurtenis. Een derde Daytona 200
overwinning zou Ben permanent in het bezit brengen van de "City of Daytona
trophy". Hij had het geluk om van de eerste rij te vertrekken (er
werd geloot voor de startposities) en greep de leiding direct in de
openingsronde. In de tweede draai van de tweede ronde gleed Campanale
onderuit, stond snel weer op en kon de race vervolgen met slechts een
paar posities verlies. Op dit moment kwam Californiër Ed Kretz Sr. aan
de leiding, die deze tot ronde 32, van de totaal 63, in handen zou
houden. Door mechanische problemen kwam er aan zijn race een eind.
Campanale had inmiddels zijn achterstand, opgelopen na zijn valpartij,
weer goedgemaakt en nam nu wederom de kop van de wedstrijd over. Echter
het geluk was ook niet aan de kant van Campanale die dag, zijn Harley
begaf het in de 38ste doorkomst, daarmee vervloog ook zijn hoop op het mogen
behouden van de Daytona trofee. Sam Arena, die in 1939 in winnende
positie onderuit ging erfde de leiding met het uitvallen van Kretz en
Campanale. Jammer genoeg voor de rijder uit Californië, in de 43ste
ronde moest ook hij naar de kant met een motorprobleem. Op dit punt
pakte Babe Tancrede uit Woonsocket, Rhode Island, de eerste plaats op
zijn Harley-Davidson WLDR. Tancrede reed erg goed, maar hij moest met
nog een andere rijder uit Californië, Jimmy Kelly afrekenen, op een
Indian Scout. Deze passeerde Tancrede in de 57ste raceronde. Het duel
was kortstondig, omdat twee rondes later Kelly's Indian het af liet
weten. Tancrede had nu de race onder controle en hij eiste de
overwinning voor zich op. Zijn winnende tijd bedroeg 2 uren, 39
minuten en 45 seconden, een gemiddelde van 120.88 km/u. De race van 1940
werd slechts met 15 van de 77 gestarte coureurs beëindigd! Het was een
race geweest die heel veel van mensen en machines had gevergd.
 |
|
Jimmy Kelly
aan de start van de race van 1941. Kelly was een grote
pechvogel, zowel in 1940 (4 ronden voor het einde), als in 1941
(130 mijl op kop) viel hij uit met motorische problemen.
©
Don Emde Productions |
In 1941 introduceerde de
Harley-Davidson Motor Company het nieuwe model, de WR TT, waarmee ze
hoopten om de winst van de afgelopen jaren te prolongeren. Het
stormachtige weer dit jaar bracht de gehele week vele vertragingen met
zich mee. Tijdens de start op de racedag deed zich ook een flink
probleem voor. De normale startprocedure was als volgt: om de 5 seconden
ging er een rij van start, deze tijdverschillen werden bij de finish
weer verwerkt. Dit jaar echter ging de tweede rij om de een of andere
reden vlak na de eerste rij van start. Dit bracht zoveel commotie dat de
rest van het startveld er ook direct maar achteraan ging. De zorg van de
organisatie was, wat er zou gebeuren als het veld van 67 rijders aan de
andere kant de eerste draai met z'n allen bereikten. Gelukkig, ging
iedereen veilig door de draai en de race ging zonder problemen verder.
Bij het begin, ging Billy Mathews uit Canada er als een raket
vandoor op zijn Britse Norton. In ronde drie echter, kwam Mathews ten
val door zijn agressieve manier van rijden en hij hapte in het zand. De
nieuwe leider, Ted Edwards bouwde een flinke voorsprong op tot in ronde
17 zijn motor het liet afweten. Aan de leiding ging nu Jimmy Kelly, met
Billy Mathews knap terug in de tweede positie na zijn valpartij in de
derde ronde. De twee leiders handhaafden hun voorsprong ronde na ronde.
Op kop, reed Jimmy Kelly, op een Indian Sport Scout een vlotte race en
leek op zeker te gaan winnen. Maar zoals in de afgelopen jaren bleek ook
nu dat je pas zeker was van de overwinning, als de zwart/wit geblokte vlag was
gevallen. Dat ontdekte ook Kelly, die in ronde 58 van de 62, zijn
machine met motorische problemen aan de kant moest zetten. Mathews reed
nu onbedreigd naar de overwinning. Hiermee was hij de eerst buitenlandse
winnaar (Canada) en ook de eerste overwinning van een niet Amerikaans
motormerk (het Britse Norton).
1942 - 1945 de
oorlogsjaren: minder dan tien maanden na de Daytona 200 van 1941 raakten
de Verenigde Staten betrokken bij de Tweede Wereldoorlog, na de aanval
van Japan op Pearl Harbor op 7 december 1941. Terwijl men
hoopte en dacht dat de onderbreking kort zou zijn, zouden de races niet
eerder dan in 1947 weer plaatsvinden. De motorfietsliefhebbers hadden
zich uiteindelijk, na de oorlog, verheugt op het hervatten van de
Daytona 200 race in 1946. Zij waren teleurgesteld toen ze ontdekten dat
er geen race zou zijn. De motorfietsfabrikanten waren van mening dat de
nieuwe machines nog niet in voldoende aantallen beschikbaar waren om een
nationale gebeurtenis van het niveau van Daytona te houden.

 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
| winnaar
1937 Ed Krezt sr. |
winnaar
1954 Bobby Hill |
Jimmy
Chann |
winnaar
1941 en 1950 Billy Mathews |
Bill
Tuman |
Sam
Arena |
Tommy
McDermott |
| ©
Motorcycle
Hall of Fame Museum |

 Een
Anglo-American match volgt in 1947, na de lange onderbreking van de
tweede wereldoorlog, tekent zowel de opleving van Daytona als de liefde die zij bij de Amerikanen veroorzaakt.
Het aantal deelnemers bedraagt maar liefst 142! Maar liefst 27.500 toeschouwers waren op het evenement afgekomen
om te zien hoe het gevecht zou verlopen om de $1.000 prijzengeld voor de
eerste plaats. Grote
promotor van de race is ondernemer Bill France, die het totale
prijzengeld dit jaar verhoogde naar $10.000. Hij was een groot
voorstander van de race. Hij verplaatste, in 1948, het "strandwegracehuis"
naar het zuiden, zodat de rijders meer "elleboogruimte"
kregen. Vroeg in deze race van 1947, brak er brand uit in het
kreupelhout naast de baan. Windvlagen voedden de brand en op één punt
van het circuit reden de coureurs eigenlijk door de vlammen. De
uiteindelijk vierde finisher, Bob Stuth, liep een verbrande en
verschroeide hand op toen hij door de brand reed. Toen de brand uit was,
concentreerde men de aandacht weer op de actie op de baan. In het begin
van de wedstrijd ontwikkelde zich een gevecht tussen Ed Kretz (dit jaar
op een Norton) en Floyd Emde (1919-1994)*. In ronde 6, stopte de Harley van Emde
ermee en hij was uit de race. Kretz leidde nu voor Johnny Spiegelhoff,
een Indian coureur van Millwaukee, Wisconsin. De pech voor Kretz
herhaalde zich en zijn ketting brak in de twaalfde doorkomst. Met Kretz
eruit, nam Spiegelhoff de leiding en de
geschiedenis herhaalde zich ook hier en het is opnieuw een
Indian die overwint: Johnny Spiegelhoff (1915-1975) won met een gemiddelde van 123,9 kilometers
per uur. Ted Edwards uit Atlanta bracht een andere Indian
Scout binnen op de tweede plaats op ruim een minuut. Alli Quattrochi op
een Harley-Davidson werd derde. Het is
eveneens de laatste race op het originele circuit. Het daaropvolgende jaar, besluiten de organisatoren om het traject te wijzigen: enkele kilometers
verder, in een kalmere en minder populaire omtrek, wordt een nieuw parcours
uitgezet van 6,4 kilometers. Dit was mede gezien het feit dat men bij
het oude circuit nieuwe huizen ging bouwen. De bochten op dit nieuwe parcours laten een
veel hogere topsnelheid toe. De race van 1948 bracht wederom een nieuw
recordaantal deelnemers, 153 coureurs zouden op het nieuwe circuit
elkaar gaan bestrijden. De vroegere winnaars Ed Kretz sr., Ben Campanale,
Babe Tancrede, Billy Mathews en Johnny Spiegelhoff waren allen aanwezig
om te proberen de race te winnen, maar aan het eind van de
racedag is het geen van hen die de lauwerkrans in ontvangst neemt.
Het is wederom een
overwinning voor de Indianfabriek: Floyd Emde, wint de versie van 1948 met meer dan 129 km/h
gemiddeld. Op de rechte einden betekende dat, dat hij meer dan 180 km/h
gereden moest hebben en dat voor een bijna standaardmachine! Het
is de eerste winnaar die de race van start tot finish zal leiden. Alleen de winnaar van 1941, Billy Mathews uit Canada
maakte het Emde tot het halverwege de race erg moeilijk. Deze heeft
echter problemen tijdens zijn pitsstop en als hij terug op de baan komt, ligt
hij ruim een minuut achter Floyd Emde en gaat de overwinning aan zijn
neus voorbij, wel wordt hij nog tweede. Emde ontving $2.000 uit de
totale prijzenpot van $5.500 voor ongeveer 24.000 toeschouwers.
|
|
|
|
1948,
Billy Mathews (2e) feliciteert winnaar Floyd Emde, na zijn winst in
de Daytona 200. |
|
©
Motorcycle
Hall of Fame Museum
|
|
Floyd Emde |
|
|
1948,
Floyd Emde na zijn overwinning op de Indian
Big Base Scout. Het was de
laatste Daytona overwinning ooit voor Indian. Floyd heeft hier de
trofee van de winnaar in zijn linkerhand. De “City of Daytona”
beker in zijn rechterkant, was een wisseltrofee waarin de namen van
de winnaar werd gegraveerd en elk jaar moest worden
ingeleverd, totdat een coureur de race drie keer won. Die eer ging
naar Dick Klamfoth, die permanent in het bezit kwam van deze beker
in 1952.
|
*
Floyd
Emde was de zoon van een motorfietspolitieagent, Joe Emde, in
Californië die ook racete in begin 1900. Floyd Emde was één van de
beste coureurs van de jaren '40. Hij won vele motorfietsraces tijdens
zijn tien jaar durende carrière,
maar zijn beste resultaat was zijn overwinning in de 1948-er Daytona 200
race. Twee decennia later volgden zijn drie zonen in zijn voetstappen om
de derde generatie motorcoureurs te worden. Als zijn zoon, Don, de
Daytona 200 wint, in 1972, zijn zij de enige vader en zoon combinatie,
die de meest prestigieuze race van Amerika gewonnen hebben. Zonder enige
twijfel, is de naam Emde één van meest bijzondere in de geschiedenis
van de motorsport in Amerika. Floyd Emde werd geboren in Seeley,
Californië, op 7 Maart 1919. Emde
blonk uit in alle vormen van de motorsport en hij wordt in de beginjaren
‘40 al prof, maar de Tweede Wereldoorlog, maakt een, voorlopig, einde aan zijn ambities. Na de oorlog, was Emde
terug op de circuits en reeg zijn overwinningen aan elkaar, met dus als
hoogtepunt de Daytonawinst. In de beginjaren ’50 trok Floyd zich terug
uit de actieve motorsport, om zich, met zijn vrouw Florence, toe te gaan
leggen op zijn motorsportzaak. Hij bleef wel actief in de motorsport,
als monteur en tuner voor zijn drie racende zoons (Don, Bob & David†),
als wel als
bestuurslid van de A.M.A. in het San Diego district. Bob was Ascot
kampioen in de vroege jaren '60 en over Don en David hebben we het later
nog. Floyd had ook nog twee dochters, JoAnn en Nancy, waarvan Nancy ook
racete, ze was diverse malen kampioen bij de vrouwen, in Zuid-California,
in de dirttrack racerij. Ze organiseert nu, met haar man, trialtochten
door Amerika. Floyd Emde overleed op 31 december 1994.

Nancy
Emde-Steward
|
 |
 |
 |
|
1948,
Jack Horn (7-voudig deelnemer) op de foto met vier Daytona 200
winnaars, v.l.n.r. Ben Campanale, Jack Horn, Babe Tancrede, Ed
Kretz sr. en Johnny Spiegelhoff.
©
Don Emde Productions |
1948,
Winnaar Floyd Emde (vader van Don Emde) neemt even wat te
drinken na zijn overwinning, terwijl zijn vrouw Florence (l) en
winnaar van 1937, Ed Kretz sr. (r) wachten om hem te
feliciteren. ©
Don Emde Productions |
Floyd Emde
met zijn vrouw Florence met naast haar de tuner van de Indian
648 Big Base Scout, waarmee Floyd de 200 won. Links op de foto
staat de 'president' van de Indian Company, Ralph Rodgers. |
 |
 |
|
1949,
Jack Horn aan de leiding van de Daytona 200, aan het stuur van
zijn Triumph, op het rechte stuk op het strand. Hij zou
uiteindelijk, na een halve race aan de leiding, uitvallen met
motorpech en 44e worden. Hij zou 7x deelnemen aan de race, maar
door pech nooit finishen.
©
Don Emde Productions |
1948,
Winnaar Dick Klamfoth, bezig met zijn 1e bezoek aan Daytona
Beach, en dan direct de winst mee naar Ohio nemen op zijn Norton. ©
Don Emde Productions |
 |
 |
|
1949:
no 98: winnaar Dick Klamforth (tevens winnaar '51 & '52) en
2e in 1949 Billy Mathews (winnaar in '41 & '50). |
1949
programma |
1949 markeert de terugkeer van de
stal Norton met drie officiële motoren, bereden door Dick Klamforth,
Billy Mathews
en Tex Luse. Bij Norton wilden ze proberen om hun vooroorlogse overwinning
te evenaren en doet daar alles aan. Klamforth, Mathews en Luse
rijden alle 3 een perfecte race en beëindigen de wedstrijd ook in deze
volgorde. Het evenement van 1949 betekende “het wisselen van de wacht”
in Daytona. De 16.500 fans zagen vele nieuwe namen en nieuwe
motorfietsmerken die serieuze kanshebbers bleken te zijn onder de 152
deelnemers. In het begin
neemt Jack Horn uit Californië met een Engelse Triumph de leiding.
Ontstekingsproblemen zijn echter de oorzaak van zijn uitvallen in de 35e
doorkomst. Dick Klamfoth, een twintig jaar oude boerenzoon, "rookie"
in 1949, uit Ohio, kwam nu aan de leiding. Hij had het in 1948 erg goed
gedaan, door tweede te eindigen in de 100-mijls amateursrace. Hij won
dus uiteindelijk de race voor zijn stalgenoten Mathews en Luse. Het was
voor het eerst dat er geen Amerikaanse motoren bij de top 3 eindigden.
De verhoogde concurrentie van de Britten kwam ook uit het kamp van
Triumph met de indrukwekkende race van Jack Horn. De ooit dominante
Indian Scouts en Harley-Davidson WR’s moesten het afleggen tegen de
Britse machines. De Harley’s en Indian's gebruikten nog een ouderwetse
voetkoppeling, en beiden hadden een slecht remsysteem in vergelijking
met hun Britse concurrenten. De jaren '50 begonnen zoals de jaren '40
waren geëindigd, met Britse machines die Daytona domineerden.
 |
1949, het BSA 'Gold
Star' team op het strand van Daytona Beach, met v.l.n.r. Hubert Simon
(29e in de race van 1949), Tommy McDermott (6e), in '50 en '54 op het
podium (3e), '56 (4e) en '57 (5e), eveneens op BSA. Bert Perregio (BSA's
racemanager), Gene Thiessen (78e en 3e in '57) en Al Rich (BSA-distributeur). |

 |
|
1950,
het 4.1 mijl lange parcours, gezien vanaf de noordkant
©
Don Emde Productions |
 |
|
1950,
een vrolijk Norton gezelschap na de race. V.l.n.r. Fritzie Baer
van Indian, winnaar Billy Mathews, Jimmy Hill van Indian, Bill
Tuman (4e plaats), met bril: Francis Baert (teamchef Norton),
Dick Klamfoth (2e) en zijn moeder.
©
Don Emde Productions |
Een vrij kleine menigte, voor Daytona,
van 8.000 toeschouwers bezochten de editie van 1950. Het werd een strijd tussen de Nortons
van eerdere winnaars Dick Klamfoth en Billy Mathews en de winnaar van
1937, Ed Kretz op een Triumph Twin. Zoals gebruikelijke pakte Kretz de
koppositie. Hij bouwde spoedig een voorsprong op van ongeveer een minuut
en het zag er goed voor hem uit halverwege de wedstrijd. Toen kreeg
Kretz, zoals zo vaak in Daytona, problemen. Een trage pisstop die meer dan een
minuut duurde, en een defecte koppeling, die hem wederom voor reparatie
naar de pits noopte te gaan, brachten hem uiteindelijk een
teleurstellende 20ste positie aan de finish. Nu was het een duel tussen
twee identieke fabrieks Nortons. Klamfoth, die vanaf de voorste rij was
begonnen, lag voor op Mathews op de baan. Billy Mathews, leidde
eigenlijk de race omdat hij vanaf rij zes was gestart. Hij zou dus aan
de finish 30 seconden extra tijd krijgen ten opzichte van Klamfoth.
Zoals vermeld, kregen de rijders aan het eind van de race de seconden
gecrediteerd die bij het begin werden verloren door een andere startrij
te loten. Billy Mathews won in een nieuw baanrecord van meer dan honderdeenenveertig
kilometers
gemiddeld. Klamfoth werd tweede en Tommy
McDermott derde op een BSA. De hoogst eindigende Amerikaanse
machine was een Harley-Davidson bereden door Ben
Campanale die als vijfde binnenkwam.
 
 |
|
1951, Bobby Hill (2e) en Dick Klamfoth (1e)
© Don Emde Productions |
In 1951, haalt Norton's racechef
Francis Beart in Engeland een serie 500cc Norton Manx machines. Na twee
overwinningen op rij wilde Beart ook drie op een rij. De verdedigende
kampioen Billy Mathews kon in 1951 niet meedoen wegens
immigratieproblemen, zodoende kreeg Dick Klamfoth teamversterking van
Bobby Hill, Bill Tuman en Dick Curtner. Er waren in 1951 weer wat meer
toeschouwers op de races afgekomen, nl. 15.000. Zij zagen de Ohio jongens,
Klamfoth en Hill vanaf de start ver van de rest van het veld wegrijden.
Uiteindelijk, versloeg Klamfoth Hill op de finishlijn en pakte zijn tweede
overwinning in de Daytona 200 en gaf Beart zijn derde victorie op een rij.
De uitslag was zeer slecht dat jaar voor de Amerikaanse machines. Slechts
44 Harleys deden mee aan de race tegen 78 in 1948. De beste uitslag voor
een Harley-Davidson in de wedstrijd van 1951 was een achtste plaats. De
Indian Scout rijders waren bijna helemaal uit het beeld. In 1951 kocht de
'Birmingham Small Arms Company’ (BSA) het eveneens Britse Triumph, en
maakte van dit merk de grootste producent van motorfietsen ter wereld in
de jaren 50. Oorspronkelijk begon BSA als
fabriek voor wapentuig ten tijde van de Krimoorlog, in 1861. Na deze
oorlog bleef het bedrijf bestaan, men verlegde echter de productie naar
fietsen (1880) en later dus naar motorfietsen (1903). In de jaren vijftig was BSA de grootste motorfietsenproducent
ter wereld, met een productie van 75.000 stuks per jaar. In 1960 werd
Daimler (in 1909 aangekocht voor de motoren van auto's) verkocht aan
Jaguar, en begon BSA de pijn te voelen van Duitse en Japanse concurrentie.
Ruim tien jaar later had BSA het zo moeilijk dat het bedrijf werd
overgenomen door Manganese Bronze Ltd., in het kader van een reddingsplan.
De meeste in het verleden aangekochte bedrijfsonderdelen werden in het
kader van dit plan weer afgestoten. De motorfietsbranche kreeg het erg moeilijk, en men trachtte de merken Norton, Triumph en BSA gezamenlijk van de ondergang te redden. Door
arbeidspolitieke redenen kreeg men dit niet voor elkaar, en BSA en
Norton gingen failliet. In 1971 sloot BSA de poorten, maar
het concern zou nog tot 1975 drijven op de productie van Triumph. Het
enige bedrijf uit de samenwerking dat deze strijd overleefde was NVT
Motorcycles Ltd., zij verkregen het BSA merkrecht, en hernoemden het
bedrijf naar BSA Company. Na nog enkele naamswijzigingen en fusies
ontstond in 1994 de BSA Regal Group, een bedrijf dat voornamelijk
reserveonderdelen produceert, en soms een kleine oplage motorfietsen in
retro-stijl. Retro staat voor het teruggrijpen op producten en ontwerpen
uit het verleden. Deze ontwerpen en producten worden vervolgens opnieuw
gehanteerd en geproduceerd. De fabriek van het Engelse motormerk Norton, was in
1898 opgericht door James Lansdowne Norton. Oorspronkelijk maakte hij
kettingen en onderdelen voor fietsen en een enkel motorfietsframe. Na 1902
en een verhuizing naar in Birmingham volgden lichte motorfietsen. In 1907
won Norton (coureur Rem Fowler) de TT van Man met een Norton-Peugeot. Een
jaar later bouwde Norton zijn eerste eigen motorblokken, zowel één- als
tweecilinders. Nadat het bedrijf in 1913 bijna failliet ging, werd Bob
Shelley mededirecteur en veranderde de naam in Norton Motors Ltd. James
Norton overleed in 1925. Bob Shelley's zwager Dan "Wizard"
O'Donovan ontwikkelde op Brooklands de 490 cc Brooklands Special (of BS),
de eerste productieracer ter wereld. In 1953 trad Norton toe tot een
groep, genaamd de AMC, deze ging in 1966 failliet en werd overgenomen door
de miljonair Dennis Poore (Manganeze Bronze Holdings). Deze was al
eigenaar van Villiers en begin jaren zeventig kocht hij op aandringen van
de Britse regering de BSA-groep (met o.a. Triumph), waardoor NVT (Norton-Villiers-Triumph)
ontstond. Het ging echter slecht met de Britse motorindustrie en de
laatste Norton Commando 850 rolde in 1977 van de band.
Een
bijzonder tintje aan de race van 1951 was, dat de winnaar van de eerste
editie, Ed Kretz Sr. (6e) en zijn zoon Ed Kretz Jr. (57e) beiden in deze
race uitkwamen. Dit zouden ze tot 1959 doen, het laatste jaar dat senior
en junior meededen.
|
|
|
|
1950, Tom Byars, 36e in zijn
enige deelname, zijn zoon Tommy Jr. nam vier keer deel van
1975-1979, beste resultaat, 11e in 1975. |
1951,
Bobby Hill (2e) en Dick Klamfoth (1e)
|
1951 Dick Klamfoth (1e)
|
|
©
Don Emde |

 |
| 1952,
de "Indian Wrecking Crew" (v.l.n.r.) Bill Tuman, Bobby
Hill en Ernie Beckman |
| ©
Motorcycle
Hall of Fame Museum |
 |
|
Ernie Beckman
|
In 1952 speelde het weer een
grote rol van betekenis in Daytona
speedweek. De zware regen, de harde winden en de lage temperaturen, de
ochtend van het race, zorgden ervoor dat de 200-miler werd uitgesteld.
Door de
weersomstandigheden bleven ook de toeschouwers ver achter, slechts 6.000
zouden deze editie bezoeken. De
race werd verplaatst naar de volgende dag, maar ook toen lag het circuit
er zeer slecht bij. Beide keerpunten stonden volledig onder water. De
organisatie was 24 uur in de weer om de baan in bruikbare conditie te
krijgen. De eerste helft van de race hield de baan het redelijk, de
laatste 100 mijl echter werden de keerpunten zeer diep en ruw en vele
rijders vielen hier letterlijk en figuurlijk uit de race. Na
bijna het begin van de race te hebben gemist reed Dick Klamfoth een vlotte race en reed onbedreigd naar de
overwinning.

Een
communicatiestoornis kostte Dick Klamforth bijna zijn 3e overwinning.
Hij had begrepen dat de race niet één maar twee dagen was uitgesteld.
Het parcours zou twee dagen nodig hebben om genoeg te kunnen drogen.
Aangezien hij dus dacht een dag vrij te hebben besloot hij op maandag te
gaan vissen. Hij stond vroeg op en toog naar de kust ten westen van het
circuit. Hij had zijn vissersboot klaargemaakt en besloot in een
restaurant nog wat broodjes te gaan halen. Een klant van het restaurant
herkende hem en wenste hem succes met de race vandaag. Nee zei Dick die
is morgen. De klant liet hem de ochtendkrant zien en Klamforth schrok
zich "te barsten". Hij stapte in zijn auto en reed zo snel als
hij kon naar de Norton garage in de stad. Teanchef Francis Beart en de
andere rijders van het team waren echter al naar het circuit vertrokken
en rekenden niet meer op de heersende kampioen. Het team had de truck
meegenomen, dus kleedde Dick zich om en reed op zijn racemotor naar het
circuit, waar hij nog net op tijd aankwam om aan de race te kunnen
deelnemen!
Dick was nu de enige die drie keer
winnaar van de Daytona 200 was geworden en kwam permanent in bezit van
de prestigieuze "City of Daytona trophy". De mensen van Norton
hadden ook goede reden om hun vierde winst op rij te vieren. Ook de
andere twee belangrijke Britse merken, Triumph en BSA, kwamen goed voor
de dag. Californiërs Al Gunter (BSA) werd vijfde en Jimmy Phillips (Trumph)
derde. Norton pakte met Clifford Farwell (2e) en Bobby Michale (4e) de
rest van de top 5 plaatsen. De BSA van Gunter werd geklokt op 212.40
km/u op het rechte eind. Maar liefst de eerste 14 plaatsen werden door
Britse motoren ingenomen. Harley-Davidson WR, eens een onverslaanbare
machine in Amerika, was nu zwaar verouderd. Klamforth, de winnaar van
ook de race van 1949, gaf dus twee keer een vervolg voor Norton aan deze
overwinning door ook te winnen in '51 en '52.
 |
| 1953,
Trevor Deeley (#23) uit Canada. |
| ©
Motorcycle
Hall of Fame Museum |
Door de vier superieure
overwinningen op rij, besluit de organisatie, met het doel om het
Amerikaanse product te bevorderen, het volgende jaar om bepaalde
kenmerken te verbieden: De A.M.A. (Amerikaanse motorbond) verbood
bovenliggende nokkenassen. Voor de Engelsen, betekende deze maatregel
"einde oefening". Hun motoren waren allemaal voorzien van
deze bovenliggende nokkenassen. De Nortonfabriek, overwinnaar van de
afgelopen vier jaren, verlaat woedend Florida. Niemand zal nu nog de
ambities van Harley tegenwerken die, gedurende vele jaren, de
overwinningen voor zich opeist. De enige spelbreker, zal in deze lange
reeks van successen in 1954 de overwinning van Bobby Hill, aan het stuur
van een Britse BSA zijn. De winnaar van 1953, Paul Goldsmith zou
ook in 1958 op Daytona Beach een autorace (stockcar) winnen. Hij is de
enige die dit in de lange historie van Daytona races gepresteerd
heeft.
 |
|
Waar het
allemaal begon... |
Harley-Davidson
1904
|
 |
 |
 |
 |
H-D
50 jaar logo |
Arthur
Davidson (1881-1950) kwam om het leven tijdens een auto-ongeluk,
samen met zijn vrouw. Zijn zoon James overkwam, ook samen met
zijn vrouw, hetzelfde in 1966.
|
William
A. Davidson (1870-1937) was de oudste en meest menselijke van de
Davidson broers. Hij had een zeer goed contact met zijn
personeel en was erg bedroefd toen ze in '37 de bond binnen het
bedrijf haalden. Twee dagen na het tekenen van een contract met
de bond, overleed William.... |
Walter
Davidson (1876-1942) was de eerste president van de
Harley-Davidson fabriek
|
William
S. Harley (1880-1943) bouwde samen met zijn jeugdvriend, Arthur
Davidson, in 1901 de eerste motorfiets. Harley was de technicus
van het viertal en ook de enige die zelf ooit meedeed aan
wegraces. Hij ging heel graag naar de Daytona 200, maar heeft er
helaas niet veel mee mogen maken. |
Harley-Davidson
1907
|
 |
 |
 |
 |
|
©
Motorcycle
Hall of Fame Museum |

 Na 13 jaar, sinds
1940 zonder winst, was het
op 15 maart 1953 dus dan eindelijk weer de Harley-Davidson Motor
Company die aan het langste eind trok. Dit was zeer prettig voor Harley,
die juist in 1953 hun vijftig jarig bestaan vierde, officieel opgericht
in 1903 door William S. Harley,
Walter; William & Arthur
Davidson. Met een gloednieuw type Harley werd het op het strand een
indrukwekkende overwinning voor Paul Goldsmith*
uit Michigan, die in de 23e ronde de kop had overgenomen van
"good old" Ed Kretz Sr. en die niet meer afstond. Hij reed de 48 ronden in een nieuw
record van 2 uur, 7 minuten en 0.33 seconden, een verbetering van het
oude record, van 1951, met 2 minuten en 15.38 seconden. Tweede finisher
was, op een Triumph, Hugh McAfee. Goldsmith had een perfecte, constante
race gereden, er ging al aan het begin van de race, een trilling door de
13.000 chauvinistische toeschouwers, toen twee roodkleurige vaderlandse
Harley's, van Paul Goldsmith en Everett Brashear, het veld van maar
liefst 113 coureurs aanvoerden. Het was maar goed voor Harley dat
Goldsmith de race won, want de 2e H arley die over de streep kwam deed
dat pas in achtste positie met in het zadel Buck Brigance. De nieuwe
Harley deed het prima, maar had nog wel enige tijd nodig om ook
daadwerkelijk een echte winnaar te zijn. Na
de overheersing sinds 1949, verloor het machtige Nortonteam definitief
zijn onverslaanbaar geachte status. De 1952 winst zou achteraf de
laatste zijn voor het Britse merk. Dick Klamfoth en Bobby Hill maakten
beide de eerste 10 ronden niet vol en Milton Lassiter's derde plaats was
het hoogst haalbare. Slechts 39 van de gestarte 113 rijders, haalden de
finish. Een droevige gebeurtenis tijdens de 1953 race was
het betreuren van het eerste dodelijke slachtoffer, van de race, sinds
het begin van 1937. De Veteraan Cliff "Red" Farwell (2e plaats
in 1952) uit Puyallup, Washington, raakte een toeschouwer die de baan overstak
tijdens de race. Farwell overleed later aan zijn verwondingen,
evenals de toeschouwer. In dezelfde race raakte ook veteraan Jimmy Chann
(1915-1984) zwaar gewond tijdens een ongeval met eveneens een toeschouwer, daarbij
betrokken. Deze ongelukken en het feit dat de toeschouwers moeilijk
onder controle waren te houden, deden "Big Bill" France besluiten
zich terug te trekken als promotor van de 200 mijl. De organisatie werd
overgenomen door een groep van mensen uit alle lagen van de bevolking,
'The Central Labor Union' en ook zij verrichtten een prima job.
1953,
rennerskwartier op het
strand
 |
 |
 |
|
1953:
winnaar Paul Goldsmith op een Harley-Davidson, die jarenlang de
meest succesvolle motor was. In 1997 zou Yamaha zijn 17e
overwinning pakken en daardoor Harley voorbijgaan. |
Start
van de 200 mijls race van 1955 |
Niet
zo'n fijne manier van finishen voor coureur en vooral
starter.... |
|
Paul Goldsmith |
|
*
Paul Goldsmith (geboren 2
oktober 1925 in Parkersburg, West-Virginia) was één van top racers
tijdens de jaren '40 en tot
midden jaren '50. Paul verhuisde, als tiener, met zijn familie naar
Detroit waar hij later bij de Chrysler fabriek zou gaan werken. Hij
begon zijn motorrace carrière vlak na de Tweede Wereldoorlog. Paul reed
diverse jaren met veel succes, maar zijn eerste grote nationale A.M.A.
winst, was in 1952, tijdens de Mijl van Millwaukee. In 1953 werd hij
uitgeroepen tot de meest populaire rijder in Amerika. Goldsmith zijn
mooiste, van zijn vijf nationale overwinningen bij de AMA, kwam in 1953,
nl. de winst in de Daytona 200, aan het stuur van een Harley-Davidson.
Na het terugtrekken uit de wegrace (1955), begon Goldsmith een zeer
succesvolle autoracecarrière bij de USAC en NASCAR. Paul zou nog wel
twee keer op een motor stappen om de Daytona 200 te rijden. Hij won de
laatste autorace bij de NASCAR die op het strand van Daytona Beach werd
gehouden, in 1958, voor men naar de huidige speedway verhuisde. Hij reed
ook verscheidene keren in de Indianapolis 500, die hij in 1960 als derde
beëindigde.
Goldsmith
werd onmiddellijk één van de sterren van de NASCAR series, hij reed
voor Pontiac en Chrysler. Hij was één van de weinig mensen die in de
Daytona 200, Daytona 500 en Indy 500 te bewonderen was, en de enige
racer die zowel de Daytona 200 als de Daytona 500 zou winnen. Hij werd
nationaal kampioen bij de USAC in 1961 & 1962. Tijdens zijn
autosportloopbaan werd Goldsmith een van de eerste die naar alle races
zou vliegen. Zijn vlieghobby
werd uiteindelijk een bloeiende zaak. Nadat hij zich geheel terugtrok
uit de racerij, in 1969, concentreerde hij zich op een loopbaan in de
luchtvaart. Hij bezit heden ten dage een luchtvaartmaatschappij in
Noordelijk Indiana, een aantal Burger King restaurants en twee raspaardenranches in Ocala, Florida. Terwijl Goldsmith zeker de
middelen heeft om zich terug te trekken, wil/kan hij dit nog steeds
niet. Toen hij 74 jaar oud was, vloog hij nog meer dan 600 uren per
jaar. Hij heeft één zoon en dochter. Zijn zoon is een commerciële
piloot.
|
Jaar
|
Nummer
|
Startplaats
|
Finish
|
Ronden
|
 |
|
1958
|
31
|
16
|
30
|
0
|
|
1959
|
99
|
16
|
5
|
200
|
|
1960
|
99
|
26
|
3
|
200
|
|
1961
|
10
|
17
|
14
|
160
|
|
1962
|
53
|
26
|
26
|
26
|
|
1963
|
99
|
9
|
18
|
149
|
|
Indy 500 resultaten
|
Ray
Nichels (teameigenaar en tuner) & Paul Goldsmith ontvangen
de trofee na winst in de 150-mile USAC race in Milwaukee in
augustus 1962 |
|

 |
|
1954,
Al Gunter (4e) en Norm Smith (66e)
|
1954:
BSA had de afgelopen jaren aangetoond een flink potentieel in huis te
hebben en in '54 viel dat allemaal op zijn plaats. Dick Klamfoth (3 voudig
winnaar) en Bobby Hill waren beide overgestapt van Norton op BSA. De
"Indian Sales Company", was door financiële problemen, gestopt
met de racerij, zodoende had BSA direct de twee toppers overgenomen. Dit
zou gaan resulteren in de eerste Daytona overwinning van BSA. Direct na de
start ontstond er een gevecht tussen de winnaar van 1953, Paul Goldsmith,
Joe Leonard*
en de altijd aanwezige Ed Kretz sr. Tussen de 5e en 7e ronde
echter, kreeg het trio mechanische problemen en vielen alle drie terug in
de race. Bobby Hill nam nu de honneurs waar tot in de 24e ronde, wanneer
teamgenoot Dick Klamfoth hem aflost aan de leiding. Hill liet dit echter
niet op zich zitten en pakte de kop van het veld weer over in ronde 37 van
de in totaal 48. Hij won uiteindelijk met 25 seconden voorsprong, op zijn
teammaat, de race. Zij werden op plaats 3 t/m 5 gevolgd, door eveneens BSA
rijders, Tommy McDermott, Al Gunter en Kenny Eggers. Het was dus een
fenomenale overwinning voor BSA. Uitgezonderd McDermott, die een
ééncilinder 500cc BSA Gold Star bereed, reden de andere vier allen, een
speciaal uit de fabriek in Engeland over laten komen, tweecilinder BSA
model.
BSA 1954
Meestal
kwamen de coureurs, een paar dagen voor de race begon, al naar Daytona
toe om hun motoren aan het klimaat te laten wennen. Dagen voor het
evenement hoorde je dan al de hele dag de motoren met een bloedgang over
het strand heen en weer rijden. Het was niet verrassend dat hier wel
eens een ongeluk gebeurde en in 1954 zelfs een coureur om het leven bij
kwam. Hij kwam in botsing met een auto, die ook gewoon op het strand
mochten komen. In de midden 50er jaren verbood de A.M.A. dan ook dit
"pre-racen". Er werd indertijd op Daytona nog geen
kwalificaties gehouden, maar geloot voor de startplaatsen. Ook al konden
de coureurs de bochten niet oefenen, ze wilden toch hun motoren
"laten wennen" en afstellen. Zodoende ging men op zoek naar
een andere plek om hun machines in te rijden. Dit gebeurde op een weg
waarlangs heel veel bomen en planten stonden. De weg werd in die tijd
omgedoopt tot "The Jungle Road" (de weg door de
jungle). De slechts vijf meter brede weg, zat vol met kuilen en
bulten en was links en rechts dus omgeven door zeer dicht struikgewas,
waar door de jaren heen vele coureurs in verdwenen en zwaar gehavend
weer uit te voorschijn kwamen. Op een keer reed er zelfs een
coureur de "rimboe" in, zijn motor in brand vloog en er
vervolgens een flinke vuurzee in het bos ontstond.
 |
|
2004:
Bobby Hill, de winnaar van de 200 in 1954, 50 jaar later in Daytona. |
|
Joe Leonard |
|
*
Joe Leonard (geboren
4 Augustus 1932 in San Diego, Californië), was een Amerikaanse
motorfiets- en autocoureur. Als tiener, werkte Leonard bij de lokale
motorfietswinkel in San Diego als klusjesman. Één van zijn klusjes was
om zeelieden van de nabijgelegen zeebasis, voor de allereerste keer in
hun leven, motorrijles te geven, terwijl Joe achterop zat bij zijn
leerlingen!
Het was ook in San
Diego dat Leonard begon te racen als “novice” (nieuweling). Op
zijn 19e, ging Leonard naar San Francisco om zijn racecarrière na te
streven. Hij reed Triumph en kreeg de reputatie van een moeilijk te
kloppen, en enigszins wilde rijder. De legendarische motorenbouwer Tom
Sifton herkende het ruwe talent van Leonard en huurde hem spoedig in om
voor zijn Harley-Davidsonzaak in San Jose te komen rijden.
Leonard won de
eerste “Grand National” serie van het A.M.A. kampioenschap (The Number One titel) in
1954 en won hem nogmaals in 1956 en 1957. De jaren vóór 1954 werd het
nationale kampioenschap beslist op basis van één enkele race, de Mijl
van Springfield (Illinois). Vanaf 1954, moesten de rijders in een grote
verscheidenheid van racedisciplines op circuits door het hele land
elkaar bestrijden. Leonard, tweede jaars prof, won acht van de (toen) 18
Grote Nationale races, op zijn Harley-Davidson.
Zijn totaal aan overwinningen bedraagt 27 maal winst, met inbegrip van
de Daytona 200 in 1957 en 1958. Hij trok zich terug uit de motorfiets
racerij aan het einde van het seizoen 1961 en begon aan zijn autosportcarrière.
Leonard
racete in de “USAC championship Car Serie”, in de seizoenen
1964-1974, waarin hij 98
maal aan de start verscheen, inclusief 8 maal voor de befaamde : “Indy
500”, oftewel de Indianapolis 500. In 1968 vertrok hij in de “Indy
500”, vanaf pole-position, in een Lotus, hij zou deze race als
twaalfde beëindigen, nadat hij aan de leiding liggend,
carburatieproblemen kreeg. Zijn beste resultaat in de Indianapolis 500,
was twee keer een podiumplaats (3e), in 1967 en in 1972. Hij eindigde in
zijn carrière 60 keer bij de eerste tien. Waaronder zes keer winst, drie
keer in Millwaukee (1965, 1970 & 1972), een keer in Ontario (1971),
Brooklyn (1972) en Pocono (1972). Zijn overwinningen in 1971 en 1972
maakten hem mede
“USAC Championship Car Season Champion”. Hij versloeg in de
jaren grote namen, zoals Mario Andretti, A.J. Foyt en de befaamde
familie Unser (Al en Bobby). Hij is de enige Amerikaan die het nationale
kampioenschap in zowel de auto- als motorfietssport heeft gewonnen. In
1974 liep Joe tijdens een crash in de "Indy 500" een
voetblessure op, die hem besloot te doen stoppen met zijn imposante
loopbaan in de snelheidssporten.
 
2 foto's uit Leonard's autosportcarrière. Rechts met
v.l.n.r. Mario Andretti, Al Unser, Parnelli Jones & Joe Leonard in
het 1972-73 Vel's Parnelli Jones Super-Team.
|

 |
| Ed
Kretz
Jr. en Ed Kretz
Sr. Daytona 1955 |
|
©
Motorcycle
Hall of Fame Museum
|
1955: In 1949 wist Dick Klamfoth, als "rookie"
de race te winnen en in 1955 gebeurde het wederom dat een "rookie"
de hoog aangeschreven race op het strand van Daytona wist te winnen.
Zijn naam: Brad Andres*, een
negentienjarige rijder uit San
Diego op een Harley geprepareerd door zijn vader. Hij deed dit in
wederom een nieuw record, het tweede in de laatste drie jaar, door een
Harley-Davidson rijder. Zijn tijd, op 13 maart 1955, voor de 49
ronden: 2 uur, 5 minuten en 46.54 seconden. Brad
reed een regelmatige race en vorderde gestaag naar voren in het
klassement op zijn Harley-Davidson type K. Aan het einde van de 20ste ronde, lag hij vijfde achter '53
winnaar Paul Goldsmith (de oude recordhouder), Jimmy Phillips, Al Gunter en Johnny Gibson. Bij
het ingaan van de dertigste ronde, was hij tweede achter Goldsmith, die
een 12 seconden voorsprong op dat moment had opgebouwd.
 |
|
Everett Brashear,
winnaar van 14 'Grand Nationals' tussen 1952 en 1960.
|
In ronde 31,
toen Goldsmith het strand opgedraaid kwam, spoot er plots olie uit zijn
motor. Dit was een ernstig probleem, omdat het op zijn motorbril spoot.
Tijdelijk verblind, ging Goldsmith te wijd door de bocht en reed met hoge snelheid in
het water. Hij werd door een golf van zijn motor gesleurd, raakte
daarbij niet gewond, maar de race was wel over voor hem. Het zal wel een
zeer spectaculair gezicht zijn geweest voor de toeschouwers!
Brad
Andres nam nu de leiding over in de race en zou die tot aan de finish
behouden. Een menigte van ongeveer 12.000 toeschouwers zag hoe
Harley-Davidson, voor het eerst in de geschiedenis, de eerste drie
posities in de Daytona 200 voor zich opeiste. De tweede plaats ging naar
Jimmy Phillips, die door Johnny Gibson uit Duarte, Californië werd
gevolgd. De
rijders van het Harley-fabrieksteam, Joe Leonard, Everett Brashear en
Goldsmith slaagden er geen van drieën in om de race te finishen. 1955
was ook het jaar dat de dirt track racen aan het programma werden
toegevoegd. Deze werden verreden in het Daytona Beach's Memorial
Stadium. In 1989 werd dit stadion afgebroken i.v.m. de noodzaak voor
meer parkeergelegenheid. Het dirt track racen werd verplaatst naar het Daytona
Beach's Municipal Stadium, waar 10.000 toeschouwers de diverse en vele
races tijdens de Daytona Speedweek konden volgen.
|
 |

|
|
1955
podium: Brad Andres,
Jimmy Phillips en Johnny Gibson
|
Brief
van de burgemeester, van San Diego, voor Brad.
|
Er
waren 28 Staten van Amerika vertegenwoordigt in deze 200 mijls race.
Een week voor het begin van de Speedweek zag de bevolking van
Daytona al motoren met kentekenplaten vanuit het hele land, het
stadje in komen rijden. Deze mensen namen de mogelijkheid te baat,
om voor de races h.e.e.a. in de omgeving van Daytona te
bezoeken.
 |
|
1955
podium: Brad Andres,
Jimmy Phillips en Johnny Gibson
|
 De
100 mijls race voor amateurs, een dag voor de 200 verreden, had ook
een nieuw record aan de boeken van Daytona toegevoegd. Dan Richards
uit Little Rock, Arkansas, nam direct na de start de leiding in de
race en werd nooit meer teruggezien door de rest van het veld eer ze
op een ronde gezet werden of in "Victory Lane".
|

|
|
1955,
Brad Andres, Harley-Davidson Directeur William H. Davidson en
Joe Leonard
©
Motorcycle
Hall of Fame Museum
|
|
|
| Brad
Andres |
|
* Brad
Andres werd geboren op 20 april 1936 in Stockton, Californië.
Zijn wieg stond in het huis van een echte racefamilie. Brad's
vader, Leonard, en zijn ooms (Gene & Roy) waren allen
bekende motorfietsracers. Zijn vader bezat een motorfietshandel
in Modesto, Californië en hij liet Brad beginnen met “motorrijden”
op de leeftijd van vijf jaar op een Powell scooter. Vader
Leonard Andres (1912-1996) was geboren in Eureka, Californië,
op 19 maart 1912 en was in zijn tijd een goede coureur en een
nog betere monteur/tuner. Leonard stopte in 1938 met racen en
begon een Harley-Davidson dealerschap in Modesto, de zaken
liepen gesmeerd en hij kocht er later nog een dealerschap in
Sacramento en San Diego bij. De familie verhuisde ook naar San
Diego. Broers Gene en Roy werden ook in dienst genomen om de
zaken te runnen. De grote ster, Cal Rayborn, reed de door
Leonard Andres geprepareerde Harley’s naar vele overwinningen,
ook naar zijn laatste overwinning in Daytona 1968. Ook Ralph
White, won op een door Leonard geprepareerde machine o.a. de
Daytona 200 in 1963. Het grootste succes voor Leonard was echter
al jaren eerder, toen zijn zoon Brad, in 1955, op een door hem
geprepareerde motor, direct de Daytona 200 en het A.M.A.
kampioenschap op zijn naam schreef. Dit gebeurde op 19 jarige
leeftijd en dat staat nog steeds als record genoteerd. Zijn
Daytona winst in 1955 was slechts het begin van een droomseizoen
voor Andres. In juni, won hij in Laconia
(New Hampshire) wegracewedstrijd, in juli een andere
wegrace in Dodge City, Kansas.
In september, won hij de “Langhorne
(Pennsylvania) Mile” en hij poetste het seizoen, in
oktober, nog even extra op, met nog een overwinning, in een
wegrace, dit keer in Torrey Pines,
Californië. Over het hele seizoen, won Andres vijf van de
dertien Grand Nationals en
beëindigde nog vijf keer op het podium.
 |
 |
|
Leonard
|
Brad
|
Andres
werd de beste wegracer in het land, tijdens de midden jaren '50
werd. Van de totaal twaalf A.M.A.
overwinningen in zijn carrière, waren er tien in de wegrace. De
wegrace lag hem veel beter dan de andere racedisciplines. Aan het
eind van 1956, overkomt Andres een tragedie, hij is betrokken bij
een ongeval op de Speedway Gardena (Californië) waarbij zijn
goede vriend, Chuck Basney om het leven komt. Brad raakt
“slechts” gewond, maar komt het seizoen van 1957 niet
in actie, vanwege vele operaties aan zijn been. Zijn artsen
vertelden hem dat hij nooit meer zou kunnen racen, maar Andres
wilde perse terugkeren in de racerij en hij deed het in 1958. Hij
bleek nog net zo snel te zijn als voor zijn ongeluk en won weer
diverse races tot hij in 1960 besluit te stoppen. Dat jaar, vroeg
zijn vader hem, om het beheer van het familiebedrijf, de
motorsportzaak, over te nemen. Andres was inmiddels gehuwd met
Betty, en ze kregen later één dochter. Brad neemt nog een keer
deel aan de Daytona 200 in 1960 en wint deze, waarna hij zijn
besluit, om te stoppen, kenbaar maakt. Harley-Davidson haalt hem
in het seizoen over om nog één race te rijden, de 150-mijls
wegrace in Watkins Glen, New York, die ook door Andres gewonnen
wordt en dan is het definitief over. Een vrij korte, maar
briljante carrière komt tot een einde. Het was het moeilijkste
besluit dat Andres ooit zou moeten nemen, stoppen op het
hoogtepunt van zijn carrière, maar het was uiteindelijk een
juiste.
 |
 |
| President
Willam H. Davidson van Harley-Davidson feliciteerd Brad
Andres met zijn behaalde A.M.A. kampioenschap en zijn
daarbij horende "Number One" titel eind 1955 |
Brad
Andres bij zijn
prijzenkast, eind 1955 |
 |
 |
| 1959
Daytona winst, met links Tony Murguia (3e) en rechts Dick
Mann (2e) |
Brad
wint zijn 3e Daytona titel in 1960 |
Hij
zou de motorfietszaak tot 1976 beheren, om hem daarna, samen met
zijn vader, zeer winstgevend te verkopen. Zijn vader, Leonard,
waarmee Brad bijna elke dag van zijn leven doorbracht, overleed op
kerstdag 1996. Brad Andres is de enige coureur in de historie van
de A.M.A., die zowel zijn eerste en zijn laatste race wist te
winnen. Hij is verder ook de enige die direct in zijn
rookieseizoen het “AMA Grand National
Championship” op zijn naam schreef. Brad zou uiteindelijk drie
keer zegevieren in de Daytona 200 (1955, 1959 & 1960) en ook
vier keer in de Laconia 200.
|
 |
|
Het
Daytonabeach circuit van 3.2 mijl, zoals het was van 1937 t/m
1947. ©
Don Emde Productions |
|
|

©
Motorcycle
Hall of Fame |
|

 |
 |
 |
 |
|
1951
Tweede plaats voor Bobby Hill en winnaar Dick Klamfoth (#2).
Samen wonnen ze 4 titels in de Daytona 200. |
Hoofdkwartier
van de A.M.A. op Daytona Beach jaren '50 |
1953
winnaar Paul Goldsmith |
1955
winnaar Brad Andres |
|

|
 |
 |
|
Floyd
Emde winnaar 1948 |
Babe
Tancrede winnaar
1940 |
Sam
Arena (31e in '39 & 27e in '40) |
|

|
 |
 |
|
1955
teammaten: Milton Lassiter (48e) en Hugh McAfee (5e). MacAfee was
2e en Lassiter 3e in 1953. |
Fred
Ludlow (1895-1984) Harley-Davidson fabriekscoureur begin jaren
1900 (schitterende
"motor"!)
Is niet in Daytona, maar wilde hem toch plaatsen. |
Hugh
McAfee (2e in '53, 70e in '54 & 5e in '55) |
|
|
©
Motorcycle
Hall of Fame
|
|
1920, beroemde H-D globe
 |
|
|
Bovenste
foto : The Daytona Beach in de jaren '50
2e
foto: winnaar 1937, Ed Kretz
3e
foto: winnaar 1941 & 1950, Billy Matthews
4e
foto: winnaar 1948, Floyd Emde

|

|