Home Jack Middelburg Guestbook GP-races Daytona Toon Kannekens Diverse

 

  Geschiedenis van de '200 miles races' van Daytona 

Daytonabeach 1920

De stad van Daytonabeach 1937 met rechts bovenaan de pier aan het einde van de hoofdstraat.

© Don Emde Productions

Daytona was een rustige zeebadplaats van Florida (The Sunshine State), met een mooi strand van wit zand van 37 kilometer lang, die een tempel van de motorsport werd. Geschiedenis Florida: Florida werd in 1513 door Juan Ponce de Leon ontdekt. Daarna reisden andere ontdekkingsreizigers naar het gebied. Dat waren in 1528 Narvaéz daarna de Soto tussen 1539 en 1542 en daarna nog vele anderen. Toen werd er in 1565 door Pedro Mendendéz St-Augustine gesticht. Hij moordde daarvoor eerst een Franse stam uit. In 1586 ging Francis Drake naar Florida en verwoeste St-Augustine. In 1607 vestigde de Engelsen zich in Virginia. Daardoor werden de Spanjaarden naar het zuid-oosten “geduwd” Daarna trokken de Engelsen verder naar het zuiden en moesten de Spanjaarden het opgeven in 1763. De Engelsen verdeelden Florida in oost- en west Florida. In 1783 kregen de Spanjaarden het weer in handen. Maar in 1819 werden de Spanjaarden door het Adams-Onis-verdrag gedwongen Florida aan de V.S. te geven. Dat kwam omdat Andrew Jackson in 1818 Florida was binnen gevallen. Toen kwamen er veel blanken in Florida wonen en die kregen ruzie met de Indianen. Daardoor begon de Seminolenoorlog die van 1835 tot 1842 duurde. In 1845 werd Florida de 27ste staat van de V.S. Tijdens de burgeroorlog hoorde Florida bij het zuiden. Daarna werd Florida een welvarend land/staat. In de tweede helft van de 19e eeuw kwamen er zeer veel rijke Amerikanen uit het Noorden naar het zuiden, omdat zij in Florida veel toekomst voor investeringen zagen. Een van deze investeerders was Matthias Day, de oprichter van wat toen Daytona werd genoemd. Hij bouwde het eerste hotel, in 1874, het Huis Palmetto. Deze tendens zette zich voort met andere ondernemers, die een stad van vooral handel poogden te bouwen, wat ook lukte. Daytona Beach, is vandaag de dag een vakantieplaats, met het "Beroemdste Strand van de Wereld", die erom bekend staat populair te zijn voor de (seksuele) uitspattingen van jongeren tijdens hun voorjaarsvakantie (spring break) en natuurlijk de Daytona 200 (motorraces) en Daytona 500 (autoraces). De Daytona International Speedway, één van 's-werelds beroemdste racebanen, ligt zuidelijk van Daytona Beach, ongeveer acht kilometer vanaf de Atlantische Oceaan. Vanaf de buitenkant lijkt de kombaan een uit grijs beton opgetrokken bolwerk, een bolwerk van de snelheid. Daytona is echter ook een trekpleister voor ouderen, studenten, toeristen, scholieren, die elk jaar, vanuit heel Amerika naar "The world's most famous beach" trekken. Het strand is breed, vlak en spierwit. Tweemaal per etmaal wordt het overspoeld door de vloed, welke het strand effent tot een perfecte gladde zandbaan, waarop auto's en motoren zonder problemen kunnen rijden, zij het met een gelimiteerde snelheid van 10 mijl per uur, waar zeer streng op wordt gecontroleerd.. 

 

   

De grondslag van de Daytona Speedweek lag eigenlijk in Savannah, Georgia (The Peach State). In 1932, was er een groep genaamd 'Southeastern Dealers Association', die hier de 200 mijls race oprichtte. Het moest een A.M.A. 'klasse c' race worden, dit hield in dat men met standaardmotoren diende te rijden, waarvan de uitlaat en koplampen waren verwijderd. Men reed eerst in Savannah om de Vanderbilt Cup (bekend om de autoraces), maar in 1933 werd de race al verplaatst, omdat de organisatie veel geld verloor doordat de race van 1932, i.v.m. een erge storm bijna geen bezoekers trok. De race ging in 1933 naar een circuit in Camp Foster nabij Jacksonville (Florida), hier kwamen 35 rijders aan de start en dit werd wel een succes. In 1935 was het aantal deelnemers al uitgegroeid tot 68 stuks en trok men een aanzienlijk aantal motorsportliefhebbers naar Jacksonville. De 200 bekwam een nationale status. De vijfde editie van de 200, gewonnen door Ed Kretz Sr., was weer terug verhuisd naar Savannah. De race was een groeiend succes en de race trok dat jaar al deelnemers uit 35 van de 50 Staten van Amerika en er deden 120 coureurs mee aan de race. Ze moesten per twintig coureurs starten en dan na tien seconden de volgende groep. Bij de derde groep aangekomen, besloot iedereen van start te gaan, anders werden degene die in de laatste groep moesten starten al op een ronde gezet door de eerste groep! De latere winnaar Ed Kretz had startnummer 120 getrokken (kwalificatie ging in die tijd via loting), dus moest vanaf de laatste startrij vertrekken. Het circuit bestond voor het grootste deel uit zand en vooral de bochten werden door de 120 coureurs flink omgeploegd en er ontstond een flinke geul in het rulle zand en de enige manier om daar na een paar ronden door heen te komen, was snelheid en Kretz kon dit als de beste. In 1937 verhuisde de 200 mijl terug naar Florida en wel naar Daytona Beach, waar het zou uitgroeien tot het grootste motorevenement ter wereld. De historie van Daytona is eigenlijk net zo oud als de motorsport zelf. 

In 1903 werden al de eerste (klein opgezette) autoraces gehouden op het strand van Daytona. Ook motoren kwamen dat jaar voor het eerst in actie. De Zweed Carl Oscar Hedström, een van de oprichters van het merk 'Indian', reed een snelheidsrecord op het strand. In 1904, hetzelfde jaar dat de F.I.M. (Federation Internationale de Motocyclisme) werd opgericht, werd een poging gedaan door een 26 jarige durfal, de ex-wielrenner en motorfiets- en motorenontwerper Glenn Hammond Curtiss, die op een van alle overbodige onderdelen ontdane motorfiets een snelheidsrecord vestigde over de mijl van 60 mijl (96 km.) per uur. Deze snelheid betekende een record, maar Curtiss was er niet tevreden over en hij beloofde om terug te komen om een echt record neer te zetten. Zijn voorbereidingen duurden twee jaar en toen kwam hij terug naar Daytona met een motorfiets, waarin hij een vliegtuigmotor, een achtcilinder V-motor van 4300 cc, geknutseld had. Het "ding" haalde een ongehoorde snelheid van 137 mijl (221 km.) per uur. Hij reed met deze machine nog verschillende officieuze wereldrecords. Deze waren niet officieel omdat hij er nooit in slaagde binnen de gestelde tijd een tweede run in tegenovergestelde richting te doen. Deze machine was noodgedwongen uitgerust met een cardan omdat er nog geen kettingen of riemen bestonden die het vermogen van 40 pk aankonden. De motor was ontstaan doordat Curtiss voor een vriend een "voortbewegingmotor" voor een zeppelin maakte. Hij bouwde het blok in een motorfiets omdat hij het op die manier kon testen. Curtiss was behalve een gepassioneerd recordrijder ook de uitvinder van het draaibare gashendel. Hij werd ook wereldberoemd als uitvinder en constructeur van vliegtuigen en vliegtuigmotoren. Destijds versleten de toeschouwers hem echter voor stapelgek. Wie meer dan 220 kilometer per uur durfde te rijden, moest wel knettergek zijn! Meer dan 20 jaar brulden de motoren van recordjagers over Daytona Beach. Dit was uiteraard niet van gevaar ontbloot, de rijders moesten altijd op hun hoede zijn voor de ribbels, die soms door het terugtrekkende water op het strand achterbleven. Daarnaast kon de verraderlijke zeewind voor vreemde effecten zorgen. In 1937 maakten de mensen in Daytona dus weer kennis met iets onbekends. Snelheidsrecords was één ding, maar een race van 200 mijl over het strand was helemaal van de gekke!

 

Jaar

Circuit

Winnaar    

1932

Savannah

Ralph Edwards

USA

Harley-Davidson

1933

Jacksonville

Bert Baisden

USA

Harley-Davidson

1934

Jacksonville

Brennan Sykes

USA

Harley-Davidson

1935

Jacksonville

Arthur Bradley

USA

Indian

1936

Savannah

Ed Kretz

USA

Indian

 

In Florida, de zuidelijkste staat op het vasteland van de VS, wonen ongeveer 14 miljoen mensen. Het schiereiland scheidt de Atlantische Oceaan van de Golf van Mexico en strekt zich uit in de richting van het Caribische gebied. Van de noordgrens tot de zuidpunt is Florida zo'n 690 km lang. De staat heeft een oppervlak van 151.714 km2 en is daarmee vrijwel even groot als Engeland. De hoofdstad van Florida is Tallahassee, een relatief kleine stad in de Panhandle, de smalle reep land die langs de kust van de Golf van Mexico naar het westen loopt. Florida's belangrijkste steden zijn echter Miami en Orlando. Orlando is bekend om zijn pretparken (o.a. Walt Disney World Resort). De historie van de motorsport in Florida begint in 1937... "Daytona week", de week van Daytona, is wanneer ontstaan? Waar? En waarom? Wat is er gebeurt dat een kleine wedloop op het strand later de krankzinnigste motorweek van de wereld werd? Ormond Beach, Daytona Beach... in dit prachtige deel van Florida, alle namen lopen met "beach" af: het strand, enorm, dat van het zuiden van Florida doorloopt. Florida heeft een subtropisch klimaat en de naam is afgeleid van La Florida (Spaans voor De Bloemrijke). Florida werd veelal bevolkt door gepensioneerden en wat vakantiegangers. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, bevond/bevindt zich het uitgebreidere equivalent van de Côte d'Azur. Besloten werd, i.v.m. de rustige toestand en daarmee samenhangende lage inkomsten, door de plaatselijke autoriteiten, nu (2007) zeventig jaar geleden om er enige nieuw vertier te creëren. Een week per jaar, voor het begin van de  lente in Florida, wordt Daytona Beach voor enkele dagen een heksenketel... Er werd op een ovaal circuit van 4,8 kilometers gereden en de races zullen de kleine stad bekend maken. Voor de race gebruikt de wedloop van Daytona één van de wezenlijke kenmerken van deze zeebadplaats: het strand. Door een klein traject van minder dan vijf kilometers, gebruiken de organisatoren de plaatselijke mogelijkheden: het strand, met een lang "recht einde", twee kilometers hard zand die de motoren vol gas nemen alvorens te draaien op een plek waar het zand was opgehoogd om het in omgekeerde richting nogmaals te doen, maar dan via de smalle verharde weg, de boulevard, die deze naam in die tijd nog niet verdiende. Ook hier was aan het einde een verhoging van zand gemaakt waar de coureurs weer het strand opgingen. Het traject voerde de coureurs dwars door de duinen. De machines uit die tijd waren speciaal uitgerust voor dit zandbaanparcours en hadden i.p.v. de grote voetplanken, kleinere steuntjes, brede sturen en verende zadels. Ook de vering, motor en het remsysteem waren aangepast. Voor deze eerste race, vroeg in 1937, hadden zich 98 deelnemers ingeschreven, onder wie Bill Cummings, de regerend kampioen van de wereldbefaamde autorace, de Indianapolis 500. Hij werd uiteindelijk 27e in de 200 mijls race, later zou Cummings de eerste stock-car race op het strand van Daytona winnen. Het prijzengeld, 870 dollar, is nog niet fantastisch te noemen maar dat maakt niets uit, het gaat om het idee. Een deel van het parcours verandert in een echte modderpoel. Uitputtend voor de deelnemers evenals voor de machines. De machines bestonden dat jaar uit: Harley-Davidson's, Indians, Nortons, een Rudge, een Vincent, een BMW en een Ariel. Duizenden toeschouwers stroomden van heinde en ver naar het strand voor de grote race, ze nestelden zich rijen dicht aan de binnen- en buitenzijde van het parcours en gaven niets om het stuivende zand, dat door de spinnende wielen werd opgeworpen. Er waren slechts 20 rijders die deze eerste zeer zware 200 mijlsrace uit zouden rijden. De meeste waren wel zo slim geweest om een soort provisorisch luchtfilter te maken, maar het opgeworpen zand was als fijn poeder en vele moesten uitvallen door zand in hun motorblok. Ook veel rijders smoorden in het zand, in de vele kraters die ontstonden in de zanderige bochten en als men vanaf het asfalt het zand inreed en niet goed uitkwam, stond de motor vaak wel erg snel stil, terwijl de berijder nog met een gangetje doorging... Ook de strandweg c.q. "boulevard" veroorzaakte vele problemen en ongelukken. Het asfalt was gewoon over het zand gestort, dus dan heb je wel een idee hoe "strak" dit parcours erbij lag. Op sommige hobbels vlogen de motoren meters door de lucht. De meeste coureurs vonden het "asfaltstuk" beangstigender dan het strand. De snelle jongens waren bang voor de achterblijvers en de achterblijvers waren bang voor de snelle jongens, om niet van de sokken gereden te worden. Het was uiteraard heel erg moeilijk om een strakke lijn aan te houden op deze baan. Ook een overstekende toeschouwer was een grote angst voor de racers. Het stuk asfalt kreeg al snel de naam het meest schrikwekkende stukje asfalt in de racerij te zijn. Toch uitte men weinig kritiek op het circuit, iedereen vond het een fascinerende uitdaging en alleen het uitrijden van deze race was al een prestatie op zich. En voor de fabrikanten gold dat, mocht een motor de race uitrijden, zonder motor- of versnellingsbakproblemen, dit automatisch wel een goed merk moest zijn, dus goed voor de verkoopcijfers. 

De winnende 737cc Indian van Ed Kretz met het nummer van 1938
Ed Kretz 1937

Ed "Iron Man" Kretz Sr.(1911-1996)*, wordt de eerste overwinnaar, op 24 januari 1937, en maakte goede reclame voor de motorfabriek die het hem mogelijk maakte om te winnen: Indian**. Hij nam in de 2e ronde de leiding over van de Canadees, Miller, op een Norton, om die niet meer uit handen te geven in de rest van de race. Sterker nog, hij zou het hele veld van 86 rijders, uit 28 staten en Canada, (meer mochten er niet starten) op minimaal één ronde zetten. Hij had tijdens de race nog wel een hachelijk moment, toen hij met veel moeite een hond moest ontwijken, die de weg overstak! De tweede plaats ging naar Clark Trumbull op een Norton, met Ellis Pearce derde op een Harley-Davidson. Een menigte van ongeveer 15.000 toeschouwers was er getuige van om Kretz de eerste Daytona 200 te zien winnen. De overwinning leverde Kretz $300 op, de eerste acht plaatsen wonnen een geldbedrag. Elk jaar werden er weer weddenschappen op Kretz afgesloten, maar hij zou de race nooit meer winnen, ondanks het feit dat hij diverse keren aan de leiding van het veld zou liggen. Mechanische problemen maakten altijd weer een einde aan zijn illusie. Het enige probleem van het nieuwe circuit waren de continu veranderende getijden. De race van '37 begon met laagwater, maar naarmate de wedstrijd vorderde werd het hoogwater, zodat de coureurs, of ver van de zee, in het diepe zand moesten gaan rijden of net door de branding. Eb en vloed speelden dus een grote rol tijdens deze eerste Daytona 200. In 1938 werd dit probleem opgelost door de race met de kentering van vloed naar eb te beginnen. Op deze manier had de race zes uren de tijd om verreden te worden, zonder een getijdenprobleem. Dit was slechts drie uur in 1937. De organisatoren van deze eerste 200 mijler hadden er geen notie van dat ze de basis hadden gelegd voor het grootste motorfietsenfestijn ter wereld en waarschijnlijk aller tijden. Het zijn veelal de Amerikaanse motoren waarop in het eerste jaar wordt deelgenomen: vijf Indian's en twee Harley-Davidson's bij de acht eersten van Daytona, tijdens zijn eerste versie. Harley-Davidson, de beroemdste van de Amerikaanse merken, schrijft de volgende jaren drie overwinningen op zijn naam. Ben Campanale (1914-2003) won in 1938 en 1939 en de winnaar in 1940 was, Babe Tancrede (1906-1995). Daarna krijgen ook de Europeaanse motormerken zin in het spektakel en komen direct succesvol voor de dag op de kusten van Florida: de Canadees Billy Matthews († 1980) , in 1941, behaalt de eerste niet- Amerikaanse overwinning door aan het stuur van een Britse Norton als eerste te eindigen. In 1942 werd de Daytona-race niet gehouden, dit alles in verband met de Tweede Wereldoorlog. Door de oorlog kwamen ook de rantsoeneringen op banden, motoronderdelen en vooral benzine. 

Ed Kretz Sr.

* Ed “Iron Man” Kretz, Sr., geboren op 24 september 1911 in San Diego, won dus de eerste 200 mijls race in Savannah, in 1936, maar zal voor altijd herinnerd worden als de man die de allereerste race op Daytona Beach won, in 1937. De bijnaam de "Iron Man" (man van ijzer) kreeg hij, omdat hoe langer, zwaarder en ruwer de race was, hoe sneller hij ging! In tegenstelling tot de meeste coureurs, begon Kretz pas met motorracen toen hij twintig was, op vrij hoge leeftijd dus. Na enige tijd met veel succes in de regionale wedstrijden uit te zijn gekomen, kreeg hij van de fabriek Indian, in 1936, een contract, dat hem $200 opleverde in de maand, buiten zijn reis- en verblijfskosten. Dit was in die tijd, van de grote recessie, erg veel geld. Hij werd in 1937 ook kampioen bij de A.M.A. op zijn Indian. Ed weigerde echter de #1 plaat dat jaar, omdat hij het niet zijn geluksgetal vond. Hij overheerste een tiental jaren in de wegrace, rijdende onder nummer 38, hij won vele wedstrijden, o.a. A.M.A. national wedstrijden in Langhorn, 1937, 1938, 1940 en 1948; Laconia in 1938 en 1945; Daytona in 1937 en Savannah in 1936, Kretz werd verkozen als  de populairste coureur in Amerika in 1938 en 1948. Dit alles op zijn Indian met meestal #38. 

Ed Kretz Sr. en Jr. met hun team op het strand van Daytona in 1950.

© Motorcycle Hall of Fame Museum

ton9168.jpg (77433 bytes)Ed Kretz Jr.In de jaren vijftig kwam zijn zoon, Ed Kretz Jr., hem gezelschap houden tijdens de races, toen deze in de voetsporen van zijn vader trad. Hij was ook wel succesvol, maar nooit zo als zijn vader. In 1950, reed Junior de 250cc race voor amateurs, in Daytona, op de Indian waarmee zijn vader in 1937 de 200 won. Tot een halve mijl voor de finish leidde Kretz de race, helaas kreeg hij toen mechanische problemen, waardoor hij slechts twaalfde werd. Junior reed, ter ere van zijn vader, in zijn amateurtijd, ook altijd met nummer 38. Senior trok zich in 1952 gedeeltelijk terug uit de actieve wegracerij, maar toen hij, in 1954 in Duitsland hoorde over een 100 mijls race in Ascot, kon hij daar niet aan weerstaan. Hij won in Ascot alles wat er te winnen viel en hield $1.100 over aan die dag en dat was veel meer dan hij ooit voorheen had gewonnen, zelfs niet in een Nationale race. Joe Leonard was op dat moment de “Number One” en Kretz gaf zelfs hem een ronde achterstand aan zijn broek. Op de leeftijd van 44, kwam Kretz nogmaals terug voor een race, de ’Pacific Coast TT Championship’ een race over 100 ronden, in 1954, en ook deze won hij vrij gemakkelijk, hierbij vele jonge, snelle rijders verslaand. Hij zou ook tot 1959 elk jaar in de Daytona 200 uit blijven komen, maar hem in zijn 15 optredens, nooit meer winnen, ondanks dat hij heel vaak aan de leiding zou gaan. Vele mechanische problemen deden hem nooit meer dat prachtige gevoel van 1937 herbeleven. 

 

motorsportzaak Kretz in de jaren '50.

Na de tweede wereldoorlog, waarin hij jonge soldaten rijles gaf op Indian's en Harley-Davidson's, opende Kretz een motorsportzaak, die hij, samen met zijn zoon, tot 1986 zou behouden. Tien jaar later overleed Ed op 85-jarige leeftijd.

Bovenste foto Ed Kretz Sr. in 1937 op de winnende Indian.

Onderste foto Ed Kretz Jr.

Ed Kretz Sr. krijgt de zwart-wit geblokte vlag in 1937

Ed Kretz Sr. rijdt een ereronde tijdens de Daytona 200 van 1990 op de winnende Indian van 1937, op 79 jarige leeftijd.

Indian

** Indian is het eerste motormerk van Amerika, opgericht in 1900 door George W. Hendee en Carl Oscar Hedström (The Great Medicine Man genoemd) onder de naam Hendee Manufacturing Company in Springfield, Massachusetts. Tot 1913 zou Indian de grootste motorenfabriek van Amerika zijn, Harley was in die dagen een "ukkie" vergeleken met Indian. Het meest populaire model van de fabriek zou de 'Indian Scout' worden, veelvuldig gebruikt in de Daytona 200, met als goed tweede de 'Indian Chief'. In de twee wereldoorlogen, was het de Indian die duizenden Amerikaanse soldaten naar het slagveld voerde, de Indian was door zijn grote betrouwbaarheid gekozen als legervervoermiddel (evenals overigens de Harley-Davidson). Hedström (1913, pensionering) en Hendee (1916, verstoorde werkomstandigheden) trokken zich terug, waarna vele wisselingen van de leiding het merk aan de rand van de afgrond brachten. In 1930 kocht verfmagnaat Paul Du Pont, die ook het automerk DuPont had opgericht, het merk, waarna de Indians in 24 kleuren leverbaar werden. In die tijd verscheen ook de getooide indianenkop op de tank. 

De enorme fabriek, in Springfield, van Indian werd ‘de Wigwam’ genoemd, en de inheemse (Indiaanse) Amerikaanse beeldspraak werd veel gebruikt in en voor reclamedoeleinden. In 1940 verkocht Indian bijna net zo veel motoren als zijn grootste rivaal, Harley-Davidson. In die tijd, vervaardigde het bedrijf ook andere producten zoals vliegtuigmotoren, fietsen, bootmotoren en airconditioners. Aan het einde van de tweede wereldoorlog werd het merk verkocht aan Ralph Burden Rogers, deze nam in 1949 ontslag en het bedrijf werd in tweeën gesplitst: de productie kwam in handen van Atlas-Titeflex en de verkoop kwam bij de Indian Sales Corporation. Indian importeerde na de Tweede Wereldoorlog veel Engelse merken, en werd in 1953 opgenomen in het Engelse AMC-concern. Er werden nu ook Engelse Royal Enfield-machines van het Indian-merk voorzien, maar de laatste echte Indian werd in 1953 gebouwd. Daarna importeerde Indian nog enkele jaren het merk Matchless in de USA. Heden ten dage worden er nog wel wat motoren onder de merknaam gemaakt en verkocht, dit na jarenlange doorverkoop en getouwtrek van en om de merknaam. 

                     Indian Scout 1932

Indian Scout 1932

© Motorcycle Hall of Fame Museum

 

Ed Kretz met zijn team 1937
© Motorcycle Hall of Fame Museum

Het was Bennie Campanale uit Providence, Rhode Island, die de 200 mijls ‘National Championship Road Racing’ kroon in 1938 zou dragen, 30 januari was de grote dag voor Bennie toen hij zijn Harley-Davidson WLDR over de finishlijn in Daytona Beach stuurde, een ‘cheers’ van 15.000 enthousiaste toeschouwers begeleiden hem erbij. Zijn winnende tijd was 2 uren, 42 minuten, en 10 seconden, één minuut en 27 seconden sneller dan de race van 1937 en de snelste tijd ooit, in de zeven jaar oude gebeurtenis van de 200 mijl race in de Verenigde Staten. De consistentie en het uithoudingsvermogen van de paardekrachten van de Harley-Davidson werden steeds meer benadrukt in deze grote winterklassieker van het Zuiden, aangezien zes van de eerste acht finishers op een H-D WLDR model reden. Vanaf meer dan een week vóór de grote race, waren de motorfietsen en hun berijders, 117 in totaal, in Daytona aangekomen. Deze “gelukszoekers” kwamen om hun kansen in de 200-mijl te pakken, wat hun bekendheid, goud, en kampioenschapseer zou kunnen brengen. Terwijl de dag van de race naderde, trokken duizenden toeschouwers, met inbegrip van honderden motorrijders vanuit alle hoeken van de Verenigde Staten, naar Daytona Beach. Opwinding liep op naar koortshoogte. De inschrijflijst betrof een recordaantal deelnemers en beloofde een prachtig gevecht voor de belangrijkste plaatsen te worden. De nacht voor de race, belegde secretaris E.C. Smith een A.M.A. (American Motorcycle Association) vergadering voor alle deelnemers en hun pitbemanningen. De officiële “scheidsrechter”, Jim Davis (1896-2000), veteraan in vele snelheidswedstrijden, lag zorgvuldig al de regels uit aan alle aanwezigen. De officiële starter "Smokey" Joe Petrali beschreef daarna het gebruik van het gekleurde vlaggensysteem, waarna de pitsmanager "Fats" McCullough de regels die in de pits van kracht zouden zijn besprak. 

Een deel van het startveld, vol verwachting wat zo komen gaat.

Zondagmorgen vroeg begonnen de toeschouwers bijeen te komen rond het circuit, enthousiast zoekend, om de beste posities langs het parcours te vinden. De hele morgen lang kwamen er vele motorgeluiden vanuit de lange rij in de pitstraat, op het zuideinde van het circuit. De meest in smetteloos wit geklede monteurs en andere teamleden krioelden door elkaar om eventuele “last minute” aanpassingen te maken. Diverse leden van de organisatie liepen er ook tussendoor om te kijken of alles goed en volgens de regels verliep, en de 117 coureurs, zenuwachtig aan de gashandels draaiend, wachtend op hetgeen er komen ging. De start was gepland om 12 uur, en ver voor dat uur, werd het strand ontruimd door de efficiënte strandpatrouille van de motorfietspolitie. Op een gegeven ogenblik werd er dan omgeroepen dat de rijders zich klaar moesten maken en zich moesten melden in de volgorde van de startnummers die ze hadden getrokken. De rijders met nummers 1 t/m 20 bezetten zo de eerste rij enz, enz. Elke rij werd onderverdeeld in groepen van vijf en elke groep mocht starten als het zijn beurt was. Precies om 12 uur, liet starter Joe Petrali, houder van het sprintrecord van de A.M.A., op ditzelfde strand, de vlag vallen voor de eerste groep en weg brulden de coureurs. Elke rij wuifde Petrali zo weg, met een vijf seconden interval, tot 117 brullende motoren de lucht, met een machtig gezoem vulden. DE STRIJD WAS LOS! Spoedig vlamde de parade van zoevende motoren voorbij de tribune van de jury. Zelfs in de eerste ronden, betekenden kettingproblemen, sputterende motoren en valpartijen voor velen al een gedwongen opgave. De menigte koos snel hun eigen favorieten en schreeuwden luid als zij voorbij kwamen. Onder de leiders waren Tancrede, Campanale, Kretz, Anthony, Hillbish, Miller, Hays, Kathcart, Johnston, Reiber, en nog verscheidene anderen. Halverwege de race, werd de aandacht van de menigte gevestigd op de vlotte, gemakkelijke en snelle rijstijl van Campanale, toen men aankondigde dat hij nog steeds met de leiders mee zat en meer deed dan alleen bijbenen.

 Ook *, Tommy Hayes en Indian rijder Lester Hillbish. Op een zeker moment, dwong Hillbish Campanale van het circuit. Dit maakte Ben, op de in groene en witte kleuren gespoten Harley, razend en hij reed als een gek achter Hillbish aan. Hij haalde hem weer in, ging naast hem rijden en schopte tegen het voorwiel van Hillbish. Deze schrok daar heel erg van, en Campanale reed bij hem weg om met één minuut voorsprong op Hillbish, te winnen, Hayes werd op afstand derde. Na de race, kwamen Hillbish en een groep van zijn vrienden langs, om tegen het ruwe rijden van ‘Campy’ te protesteren. Gelukkig voor Campanale, had A.M.A. official, starter en vroegere racegrootheid, Jim Davis*, zien gebeuren dat Hillbish, Campanale van de baan af reed en het protest werd niet aangenomen. Om te winnen, had Campanale met 116 concurrenten af moeten rekenen. Om dit mogelijk te maken, voltooide hij de 200 mijlen in een nieuwe recordtijd van 2 uur, 42 minuten en 10 seconden. In deze tijd werd de Daytona 200 ook wel, door lokale schrijvers, de “Handlebar Derby” genoemd. Dit betekende vrij vertaald zoveel als 'derby van het stuur'. 

 

 

1938: de coureurs die geld opstreken met de Daytona 200 race, oftewel zoals ze dat noem(d)en, 'The Money Finishers'. 

  *

Jim Davis (1896-2000), reed zowel voor de Indian als voor de Harley-Davidson fabriek van voor de jaren '20 en tot in de jaren '30. Hij wist 21 'A.M.A. Grand Nationals' te winnen. Hij was na zijn racecarrière jarenlang de officiele A.M.A. starter voor de "Grand Nationals' en dus ook van Daytona. (zie ook de Daytona 2000)

Plaats Naam

Tijd

1. Ben Campanale 2.42.10
2. Lester Hillbish 2.43.10
3. Tom Hayes 2.44.00
4. Griffin Kathcart 2.46.45
5. Billie Armstrong 2.48.45
6. Jack Johnson 2.49.30
7. Earl Robinson 2.49.30
8. Herb Reiber 2.49.50
9. Burrell Copeland 2.52.15
10. Kenny Ingle 2.53.20
11. Ed Davis 2.53.35
12. Bud Manzione 2.54.00
13. Duck Groce 2.54.20
14. Frenchy Castonguay 2.57.35
15. Mel Rhoads 2.57.35
16. Roy Egeberg 2.58.18
1938 boven: Campanale wordt gefeliciteerd door H-D directeur en oprichter S. Harley, daaronder Earl Robinson (6e in de 200) en Grif Kathcart (4e). 17. W.F. Parham 2.58.20
18. Raoul Mikes 2.58.33
19. R.M. Buckley 2.58.57
20. Fred Metz 3.01.45

 

Herb Reiber, 8e in 1938  Jack Johnson, 7e in 1938  Vol verwachting zijnde toeschouwers in 1938  1938, de achterkant van het circuit, zie de controleurs boven de weg!

Ben Campanale passeert Sam Arena binnendoor in de Noord bocht op Daytona Beach in 1939.

In tegenstelling tot het grote startveld, 117 coureurs, van 1938 kwamen er in 1939 slechts 47 aan de start. De verwachte krachtmeting was die tussen de winnaars van de eerste twee Daytona 200 mijlsraces. Kretz, de winnaar van '37 was terug om revanche te nemen voor zijn rampzalige verlies in 1938, Campanale, wilde de titel behouden die hij een jaar daarvoor had gewonnen. De strijd was extra pikant, omdat Kretz een Indian bereed, terwijl Campanale een Harley coureur was. In het begin, schoot Kretz direct naar de leiding en probeerde om in de eerste vier/vijf rondes een flink gat te slaan. Buiten de eerste tien plaatsen in het begin van de race, bewoog Campanale zich langzaam naar voren naar de tweede plaats in de zevende ronde. Op dit punt, lag Kretz 10,3 seconden voor hem, maar Campanale vloog over het parcours en begon hard op Kretz in te lopen. Aan het eind van de negende ronde, had Campanale zijn achterstand teruggebracht tot 5,8 seconden. Het leek of het gevecht zou gaan beginnen, maar helaas, voor het tweede jaar op rij sloeg het noodlot toe voor Ed Kretz, zijn Indian vloog in brand en hij verloor vier ronden alvorens hij terug in het strijdperk kwam. Met Kretz uit de race, Campanale leek de race op zijn gemak te gaan winnen, maar hij had nog met één rijder af te rekenen om de  overwinning op te kunnen eisen. Sam Arena (1912-2002), de 'A.M.A. National Hillclimb Champion 1947-1950', een Harleyrijder uit San Jose, Californië nam de leiding over van Campanale. Hij reed tien ronden op kop tot hij in één van de zachte zandige draaiingen crashte en een lading zand in zijn motor kreeg. Vanaf dat moment, kwam de de overwinning van Campanale niet meer in gevaar. Hij werd zo de eerste 2-voudige (2 op een rij) overwinnaar van Daytona 200. Er werd in 1939, buiten de 200 mijls race, voor de eerste keer, ook een race voor "nieuwelingen" georganiseerd. Deze eerste race werd gewonnen door Woody Simmons (USA, Harley-Davidson).

1938: Ben Campanale wordt gefeliciteert met zijn overwinning door William S. Harley (links) en Walter Davidson (met witte broek) de oprichters van Harley-Davidson.

1939: Ben Campanale op de schouders na zijn tweede overwinning op rij. Teammaat Babe Tancrede (rechts) deelt mee in de vreugde. Hij werd dit jaar vijfde, om in 1940 zelf de wedstrijd te winnen en in '41 tweede te worden.

© Don Emde 

 

Ben Campanale

Ben Campanale

Ben met zijn "ijsboot" in 1934
© Don Emde

* Ben Campanale, geboren in Worcester, Massachusetts, op  19 September 1914, was een van de eerste A.M.A. sterren, hij was een van beste racers in New England tijdens de midden jaren '30. Hij maakte naam door als eerste twee keer achter elkaar, winnaar te worden, van de Daytona 200, de klassieker die hij in 1938 en 1939 won, oftewel de tweede en derde editie. Campanale kwam in aanraking met de snelheidssporten, als tiener, omdat hij altijd op zoek was naar een nieuwe uitdaging. Campanale wilde een “ijsboot” bouwen om over de bevroren meren dichtbij zijn huis te "varen". Hij kwam in contact met een boer, die een oude Harley-Davidson, in losse onderdelen, achter zijn schuur had liggen. Campanale betaalde vijf dollar voor de oude motorfiets en begon deze opnieuw op te bouwen. Hij kreeg de motor weer aan het lopen, en met de toevoeging van een oude propeller van een nabijgelegen luchthaven, had hij de belangrijkste ingrediënten om zijn “ijsboot” te bouwen. Na diverse aanpassingen, lukte het Campanale om over het ijs te racen, waarmee hij één van de populairste tieners op het meer werd. Degenen die geen angst hadden, hingen, op hun schaatsen, aan touwen achter de boot en “vlogen” over het ijs, met snelheden van tegen de 130 km/u. In de lente knapte Campanale het frame, van de oude 1924er Harley, op, installeerde de motor, en leerde achter zijn huis de motor te berijden. In 1934, reed Campanale zijn eerste race, het nationale TT kampioenschap in Keene, New Hampshire. De negentienjarige, betaalde één dollar aan de A.M.A. voor een lidmaatschap en was klaar om te racen. Die dingen waren vrij eenvoudige in die dagen. De controleur van de A.M.A. bekeek de oude “motor” en zal zeker een grijns niet hebben kunnen onderdrukken, nadat hij het apparaat goed had bekeken. De tegenstanders van Ben zullen niet anders gekeken hebben, maar na de race piepten de meesten wel anders, want Campanale verraste iedereen door als vijfde te eindigen. Campanale werd daarna al snel een lokale beroemdheid, na zijn uitstekende prestatie in Keene en zijn reputatie steeg alleen maar, door het winnen van regionale TT kampioenschappen en trialwedstrijden bergop in New England. Hij deed, om aan geld te komen tijdens de opbouw van zijn raceloopbaan, ook stuntwerk, zoals door een afzetting met planken heen rijden. Toen hij echter een keer te sterke planken had gebruikt, en geblesseerd raakte, stopte hij ermee. In 1938, ging Campanale naar Daytona Beach, Florida, om aan de 200 deel te nemen. Campanale was nationaal nog vrij onbekend, en moest het dit keer opnemen tegen meer dan 100 van de beste motorfietsracers in het land. Zijn motorfiets was een Harley-Davidson WLDR straatfiets, met de koplampen eraf gehaald. Zoals beschreven bracht Campanale de 200 op zijn naam. In 1939 kwam Campanale uiteraard terug in Daytona, maar was nu niet meer de underdog. Dit keer bereed hij een fabrieks Harley-Davidson en Campanale won wederom de race. Campanale overleefde, in Oakland, Californië, in 1941 een verschrikkelijk ongeluk tijdens de race. De rijder, Juni McCall, ging onderuit met een zeer hoge snelheid, tijdens de Oakland 200. Campanale en verscheidene andere coureurs kwamen eveneens hard ten val, tijdens het proberen om McCall te ontwijken. Campanale werd gedwongen om tegen de buitenomheining van de baan aan te rijden, in een poging het incident te ontwijken. Tommy Hays en Juni McCall kwamen tragisch om het leven. Volgens getuigen leek het alsof er een bom was ontploft op het circuit, met allemaal uitgestrooide rijders en fietsen. Ben en Jim Kelly werden beiden voor maanden in het ziekenhuis opgenomen. De artsen hadden Ben minder dan 50% kans gegeven op overleven. Hij overleefde het ongeval echter wel, en na WO-II hervatte hij zijn racecarrière en won verscheidene titels. Hij verhuisde naar Californië en opende een Harley-Davidson dealerschap, zoals velen van zijn con-collega’s, in Pomona. In 2003 overleed hij op 89-jarige leeftijd.

Ben Campanale (l) en Babe Tancrede poseren in Daytona in 1938 op hun Harley-Davidson WLDR's, "straatmotoren" met de koplampen eraf gehaald. Zij wonnen dus, op hun Amerikaanse trots, de edities van 1938 t/m 1940.

© Don Emde Productions

 

 

Winnaar 1938 en 1939 Ben Campanale

© Don Emde Productions

 

 

Ben Campanale na zijn overwinning in 1938, hij herhaalde zijn overwinning dus een jaar later en werd daarmee de 1e winnaar die de race 2x achter elkaar won. In 1941 werd hij nog 4e en in 1950, 5e.

© Don Emde Productions

 

Babe Tancredi
Ben Campanale
© Motorcycle Hall of Fame Museum

De race van 1940 zou een strijd tussen de coureurs van Rhode Island en van Californië worden. Voor de verdedigende kampioen Ben Campanale van Providence, Rhode Island stond er een hoop op het spel bij deze gebeurtenis. Een derde Daytona 200 overwinning zou Ben permanent in het bezit brengen van de "City of Daytona trophy". Hij had het geluk om van de eerste rij te vertrekken (er werd geloot voor de startposities) en greep de leiding direct in de openingsronde. In de tweede draai van de tweede ronde gleed Campanale onderuit, stond snel weer op en kon de race vervolgen met slechts een paar posities verlies. Op dit moment kwam Californiër Ed Kretz Sr. aan de leiding, die deze tot ronde 32, van de totaal 63, in handen zou houden. Door mechanische problemen kwam er aan zijn race een eind. Campanale had inmiddels zijn achterstand, opgelopen na zijn valpartij, weer goedgemaakt en nam nu wederom de kop van de wedstrijd over. Echter het geluk was ook niet aan de kant van Campanale die dag, zijn Harley begaf het in de 38ste doorkomst, daarmee vervloog ook zijn hoop op het mogen behouden van de Daytona trofee. Sam Arena, die in 1939 in winnende positie onderuit ging erfde de leiding met het uitvallen van Kretz en Campanale. Jammer genoeg voor de rijder uit Californië, in de 43ste ronde moest ook hij naar de kant met een motorprobleem. Op dit punt pakte Babe Tancrede uit Woonsocket, Rhode Island, de eerste plaats op zijn Harley-Davidson WLDR. Tancrede reed erg goed, maar hij moest met nog een andere rijder uit Californië, Jimmy Kelly afrekenen, op een Indian Scout. Deze passeerde Tancrede in de 57ste raceronde. Het duel was kortstondig, omdat twee rondes later Kelly's Indian het af liet weten. Tancrede had nu de race onder controle en hij eiste de overwinning voor zich op. Zijn winnende tijd  bedroeg 2 uren, 39 minuten en 45 seconden, een gemiddelde van 120.88 km/u. De race van 1940 werd slechts met 15 van de 77 gestarte coureurs beëindigd! Het was een race geweest die heel veel van mensen en machines had gevergd.

Jimmy Kelly aan de start van de race van 1941. Kelly was een grote pechvogel, zowel in 1940 (4 ronden voor het einde), als in 1941 (130 mijl op kop) viel hij uit met motorische problemen. 

© Don Emde Productions

In 1941 introduceerde de Harley-Davidson Motor Company het nieuwe model, de WR TT, waarmee ze hoopten om de winst van de afgelopen jaren te prolongeren. Het stormachtige weer dit jaar bracht de gehele week vele vertragingen met zich mee. Tijdens de start op de racedag deed zich ook een flink probleem voor. De normale startprocedure was als volgt: om de 5 seconden ging er een rij van start, deze tijdverschillen werden bij de finish weer verwerkt. Dit jaar echter ging de tweede rij om de een of andere reden vlak na de eerste rij van start. Dit bracht zoveel commotie dat de rest van het startveld er ook direct maar achteraan ging. De zorg van de organisatie was, wat er zou gebeuren als het veld van 67 rijders aan de andere kant de eerste draai met z'n allen bereikten. Gelukkig, ging iedereen veilig door de draai en de race ging zonder problemen verder. Bij het begin, ging Billy Mathews uit Canada er als een raket vandoor op zijn Britse Norton. In ronde drie echter, kwam Mathews ten val door zijn agressieve manier van rijden en hij hapte in het zand. De nieuwe leider, Ted Edwards bouwde een flinke voorsprong op tot in ronde 17 zijn motor het liet afweten. Aan de leiding ging nu Jimmy Kelly, met Billy Mathews knap terug in de tweede positie na zijn valpartij in de derde ronde. De twee leiders handhaafden hun voorsprong ronde na ronde. Op kop, reed Jimmy Kelly, op een Indian Sport Scout een vlotte race en leek op zeker te gaan winnen. Maar zoals in de afgelopen jaren bleek ook nu dat je pas zeker was van de overwinning, als de zwart/wit geblokte vlag was gevallen. Dat ontdekte ook Kelly, die in ronde 58 van de 62, zijn machine met motorische problemen aan de kant moest zetten. Mathews reed nu onbedreigd naar de overwinning. Hiermee was hij de eerst buitenlandse winnaar (Canada) en ook de eerste overwinning van een niet Amerikaans motormerk (het Britse Norton).

1942 - 1945 de oorlogsjaren: minder dan tien maanden na de Daytona 200 van 1941 raakten de Verenigde Staten betrokken bij de Tweede Wereldoorlog, na de aanval van Japan op Pearl Harbor op 7 december 1941. Terwijl men hoopte en dacht dat de onderbreking kort zou zijn, zouden de races niet eerder dan in 1947 weer plaatsvinden. De motorfietsliefhebbers hadden zich uiteindelijk, na de oorlog, verheugt op het hervatten van de Daytona 200 race in 1946. Zij waren teleurgesteld toen ze ontdekten dat er geen race zou zijn. De motorfietsfabrikanten waren van mening dat de nieuwe machines nog niet in voldoende aantallen beschikbaar waren om een nationale gebeurtenis van het niveau van Daytona te houden.

 

                                                                       

winnaar 1937 Ed Krezt sr. winnaar 1954 Bobby Hill Jimmy Chann winnaar 1941 en 1950 Billy Mathews Bill Tuman Sam Arena Tommy McDermott
© Motorcycle Hall of Fame Museum

 

De eerste jaren van de 200 mijl van Daytona voerden de coureurs dus over het strand en door de duinen. Op de 3e foto zie je al de vorm van de kombaan.

 

Een Anglo-American match volgt in 1947, na de lange onderbreking van de tweede wereldoorlog, tekent zowel de opleving van Daytona als de liefde die zij bij de Amerikanen veroorzaakt. Het aantal deelnemers bedraagt maar liefst 142! Maar liefst 27.500 toeschouwers waren op het evenement afgekomen om te zien hoe het gevecht zou verlopen om de $1.000 prijzengeld voor de eerste plaats. Grote promotor van de race is ondernemer Bill France, die het totale prijzengeld dit jaar verhoogde naar $10.000. Hij was een groot voorstander van de race. Hij verplaatste, in 1948, het "strandwegracehuis" naar het zuiden, zodat de rijders meer "elleboogruimte" kregen. Vroeg in deze race van 1947, brak er brand uit in het kreupelhout naast de baan. Windvlagen voedden de brand en op één punt van het circuit reden de coureurs eigenlijk door de vlammen. De uiteindelijk vierde finisher, Bob Stuth, liep een verbrande en verschroeide hand op toen hij door de brand reed. Toen de brand uit was, concentreerde men de aandacht weer op de actie op de baan. In het begin van de wedstrijd ontwikkelde zich een gevecht tussen Ed Kretz (dit jaar op een Norton) en Floyd Emde (1919-1994)*. In ronde 6, stopte de Harley van Emde ermee en hij was uit de race. Kretz leidde nu voor Johnny Spiegelhoff, een Indian coureur van Millwaukee, Wisconsin. De pech voor Kretz herhaalde zich en zijn ketting brak in de twaalfde doorkomst. Met Kretz eruit, nam Spiegelhoff de leiding en de geschiedenis herhaalde zich ook hier en het is opnieuw een Indian die overwint: Johnny Spiegelhoff (1915-1975) won met een gemiddelde van 123,9 kilometers per uur. Ted Edwards uit Atlanta bracht een andere Indian Scout binnen op de tweede plaats op ruim een minuut. Alli Quattrochi op een Harley-Davidson werd derde. Het is eveneens de laatste race op het originele circuit. Het daaropvolgende jaar, besluiten de organisatoren om het traject te wijzigen: enkele kilometers verder, in een kalmere en minder populaire omtrek, wordt een nieuw parcours uitgezet van 6,4 kilometers. Dit was mede gezien het feit dat men bij het oude circuit nieuwe huizen ging bouwen. De bochten op dit nieuwe parcours laten een veel hogere topsnelheid toe. De race van 1948 bracht wederom een nieuw recordaantal deelnemers, 153 coureurs zouden op het nieuwe circuit elkaar gaan bestrijden. De vroegere winnaars Ed Kretz sr., Ben Campanale, Babe Tancrede, Billy Mathews en Johnny Spiegelhoff waren allen aanwezig om te proberen de race te winnen, maar aan het eind van de racedag is het geen van hen die de lauwerkrans in ontvangst neemt. Het is wederom een overwinning voor de Indianfabriek: Floyd Emde, wint de versie van 1948 met meer dan 129 km/h gemiddeld. Op de rechte einden betekende dat, dat hij meer dan 180 km/h gereden moest hebben en dat voor een bijna standaardmachine! Het is de eerste winnaar die de race van start tot finish zal leiden. Alleen de winnaar van 1941, Billy Mathews uit Canada maakte het Emde tot het halverwege de race erg moeilijk. Deze heeft echter problemen tijdens zijn pitsstop en als hij terug op de baan komt, ligt hij ruim een minuut achter Floyd Emde en gaat de overwinning aan zijn neus voorbij, wel wordt hij nog tweede. Emde ontving $2.000 uit de totale prijzenpot van $5.500 voor ongeveer 24.000 toeschouwers.

1948, Billy Mathews (2e) feliciteert winnaar Floyd Emde, na zijn winst in de Daytona 200.

© Motorcycle Hall of Fame Museum

 

Floyd Emde

1948, Floyd Emde na zijn overwinning op de Indian Big Base Scout. Het was de laatste Daytona overwinning ooit voor Indian. Floyd heeft hier de trofee van de winnaar in zijn linkerhand. De “City of Daytona”  beker in zijn rechterkant, was een wisseltrofee waarin de namen van de winnaar werd gegraveerd en elk jaar moest worden ingeleverd, totdat een coureur de race drie keer won. Die eer ging naar Dick Klamfoth, die permanent in het bezit kwam van deze beker in 1952.  

 

* Floyd Emde was de zoon van een motorfietspolitieagent, Joe Emde, in Californië die ook racete in begin 1900. Floyd Emde was één van de beste coureurs van de jaren '40. Hij won vele motorfietsraces tijdens zijn tien jaar durende carrière, maar zijn beste resultaat was zijn overwinning in de 1948-er Daytona 200 race. Twee decennia later volgden zijn drie zonen in zijn voetstappen om de derde generatie motorcoureurs te worden. Als zijn zoon, Don, de Daytona 200 wint, in 1972, zijn zij de enige vader en zoon combinatie, die de meest prestigieuze race van Amerika gewonnen hebben. Zonder enige twijfel, is de naam Emde één van meest bijzondere in de geschiedenis van de motorsport in Amerika. Floyd Emde werd geboren in Seeley, Californië, op 7 Maart 1919. Emde blonk uit in alle vormen van de motorsport en hij wordt in de beginjaren ‘40 al prof, maar de Tweede Wereldoorlog, maakt een, voorlopig, einde aan zijn ambities. Na de oorlog, was Emde terug op de circuits en reeg zijn overwinningen aan elkaar, met dus als hoogtepunt de Daytonawinst. In de beginjaren ’50 trok Floyd zich terug uit de actieve motorsport, om zich, met zijn vrouw Florence, toe te gaan leggen op zijn motorsportzaak. Hij bleef wel actief in de motorsport, als monteur en tuner voor zijn drie racende zoons (Don, Bob & David), als wel als bestuurslid van de A.M.A. in het San Diego district. Bob was Ascot kampioen in de vroege jaren '60 en over Don en David hebben we het later nog. Floyd had ook nog twee dochters, JoAnn en Nancy, waarvan Nancy ook racete, ze was diverse malen kampioen bij de vrouwen, in Zuid-California, in de dirttrack racerij. Ze organiseert nu, met haar man, trialtochten door Amerika. Floyd Emde overleed op 31 december 1994.

                                                                                                                                          

   Nancy Emde-Steward

 

1948, Jack Horn (7-voudig deelnemer) op de foto met vier Daytona 200 winnaars, v.l.n.r. Ben Campanale, Jack Horn, Babe Tancrede, Ed Kretz sr. en Johnny Spiegelhoff. 

© Don Emde Productions

 1948, Winnaar Floyd Emde (vader van Don Emde) neemt even wat te drinken na zijn overwinning, terwijl zijn vrouw Florence (l) en winnaar van 1937, Ed Kretz sr. (r) wachten om hem te feliciteren.

© Don Emde Productions

Floyd Emde met zijn vrouw Florence met naast haar de tuner van de Indian 648 Big Base Scout, waarmee Floyd de 200 won. Links op de foto staat de 'president' van de Indian Company, Ralph Rodgers.

1949, Jack Horn aan de leiding van de Daytona 200, aan het stuur van zijn Triumph, op het rechte stuk op het strand. Hij zou uiteindelijk, na een halve race aan de leiding, uitvallen met motorpech en 44e worden. Hij zou 7x deelnemen aan de race, maar door pech nooit finishen.

© Don Emde Productions

 1948, Winnaar Dick Klamfoth, bezig met zijn 1e bezoek aan Daytona Beach, en dan direct de winst mee naar Ohio nemen op zijn Norton.

© Don Emde Productions

 

1949:  no 98: winnaar Dick Klamforth (tevens winnaar '51 & '52) en 2e in 1949 Billy Mathews (winnaar in '41 & '50). 

1949 programma

1949 markeert de terugkeer van de stal Norton met drie officiële motoren, bereden door Dick Klamforth, Billy Mathews en Tex Luse. Bij Norton wilden ze proberen om hun vooroorlogse overwinning te evenaren en doet daar alles aan. Klamforth, Mathews en Luse rijden alle 3 een perfecte race en beëindigen de wedstrijd ook in deze volgorde. Het evenement van 1949 betekende “het wisselen van de wacht” in Daytona. De 16.500 fans zagen vele nieuwe namen en nieuwe motorfietsmerken die serieuze kanshebbers bleken te zijn onder de 152 deelnemers. In het begin neemt Jack Horn uit Californië met een Engelse Triumph de leiding. Ontstekingsproblemen zijn echter de oorzaak van zijn uitvallen in de 35e doorkomst. Dick Klamfoth, een twintig jaar oude boerenzoon, "rookie" in 1949, uit Ohio, kwam nu aan de leiding. Hij had het in 1948 erg goed gedaan, door tweede te eindigen in de 100-mijls amateursrace. Hij won dus uiteindelijk de race voor zijn stalgenoten Mathews en Luse. Het was voor het eerst dat er geen Amerikaanse motoren bij de top 3 eindigden. De verhoogde concurrentie van de Britten kwam ook uit het kamp van Triumph met de indrukwekkende race van Jack Horn. De ooit dominante Indian Scouts en Harley-Davidson WR’s moesten het afleggen tegen de Britse machines. De Harley’s en Indian's gebruikten nog een ouderwetse voetkoppeling, en beiden hadden een slecht remsysteem in vergelijking met hun Britse concurrenten. De jaren '50 begonnen zoals de jaren '40 waren geëindigd, met Britse machines die Daytona domineerden. 

1949, het BSA 'Gold Star' team op het strand van Daytona Beach, met v.l.n.r. Hubert Simon (29e in de race van 1949), Tommy McDermott (6e), in '50 en '54 op het podium (3e), '56 (4e) en '57 (5e), eveneens op BSA. Bert Perregio (BSA's racemanager), Gene Thiessen (78e en 3e in '57) en Al Rich (BSA-distributeur).  

 

1950, het 4.1  mijl lange parcours, gezien vanaf de noordkant

© Don Emde Productions

 

1950, een vrolijk Norton gezelschap na de race. V.l.n.r. Fritzie Baer van Indian, winnaar Billy Mathews, Jimmy Hill van Indian, Bill Tuman (4e plaats), met bril: Francis Baert (teamchef Norton), Dick Klamfoth (2e) en zijn moeder.

© Don Emde Productions

Een vrij kleine menigte, voor Daytona, van 8.000 toeschouwers bezochten de editie van 1950. Het werd een strijd tussen de Nortons van eerdere winnaars Dick Klamfoth en Billy Mathews en de winnaar van 1937, Ed Kretz op een Triumph Twin. Zoals gebruikelijke pakte Kretz de koppositie. Hij bouwde spoedig een voorsprong op van ongeveer een minuut en het zag er goed voor hem uit halverwege de wedstrijd. Toen kreeg Kretz, zoals zo vaak in Daytona, problemen. Een trage pisstop die meer dan een minuut duurde, en een defecte koppeling, die hem wederom voor reparatie naar de pits noopte te gaan, brachten hem uiteindelijk een teleurstellende 20ste positie aan de finish. Nu was het een duel tussen twee identieke fabrieks Nortons. Klamfoth, die vanaf de voorste rij was begonnen, lag voor op Mathews op de baan. Billy Mathews, leidde eigenlijk de race omdat hij vanaf rij zes was gestart. Hij zou dus aan de finish 30 seconden extra tijd krijgen ten opzichte van Klamfoth. Zoals vermeld, kregen de rijders aan het eind van de race de seconden gecrediteerd die bij het begin werden verloren door een andere startrij te loten. Billy Mathews won in een nieuw baanrecord van meer dan honderdeenenveertig kilometers gemiddeld. Klamfoth werd tweede en Tommy McDermott derde op een BSA. De hoogst eindigende Amerikaanse machine was een Harley-Davidson bereden door Ben Campanale die als vijfde binnenkwam. 

 

 

1951, Bobby Hill (2e) en Dick Klamfoth (1e) 

© Don Emde Productions

In 1951, haalt Norton's racechef Francis Beart in Engeland een serie 500cc Norton Manx machines. Na twee overwinningen op rij wilde Beart ook drie op een rij. De verdedigende kampioen Billy Mathews kon in 1951 niet meedoen wegens immigratieproblemen, zodoende kreeg Dick Klamfoth teamversterking van Bobby Hill, Bill Tuman en Dick Curtner. Er waren in 1951 weer wat meer toeschouwers op de races afgekomen, nl. 15.000. Zij zagen de Ohio jongens, Klamfoth en Hill vanaf de start ver van de rest van het veld wegrijden. Uiteindelijk, versloeg Klamfoth Hill op de finishlijn en pakte zijn tweede overwinning in de Daytona 200 en gaf Beart zijn derde victorie op een rij. De uitslag was zeer slecht dat jaar voor de Amerikaanse machines. Slechts 44 Harleys deden mee aan de race tegen 78 in 1948. De beste uitslag voor een Harley-Davidson in de wedstrijd van 1951 was een achtste plaats. De Indian Scout rijders waren bijna helemaal uit het beeld. In 1951 kocht de 'Birmingham Small Arms Company’ (BSA) het eveneens Britse Triumph, en maakte van dit merk de grootste producent van motorfietsen ter wereld in de jaren 50. Oorspronkelijk begon BSA als fabriek voor wapentuig ten tijde van de Krimoorlog, in 1861. Na deze oorlog bleef het bedrijf bestaan, men verlegde echter de productie naar fietsen (1880) en later dus naar motorfietsen (1903). In de jaren vijftig was BSA de grootste motorfietsenproducent ter wereld, met een productie van 75.000 stuks per jaar. In 1960 werd Daimler (in 1909 aangekocht voor de motoren van auto's) verkocht aan Jaguar, en begon BSA de pijn te voelen van Duitse en Japanse concurrentie. Ruim tien jaar later had BSA het zo moeilijk dat het bedrijf werd overgenomen door Manganese Bronze Ltd., in het kader van een reddingsplan. De meeste in het verleden aangekochte bedrijfsonderdelen werden in het kader van dit plan weer afgestoten. De motorfietsbranche kreeg het erg moeilijk, en men trachtte de merken Norton, Triumph en BSA gezamenlijk van de ondergang te redden. Door arbeidspolitieke redenen kreeg men dit niet voor elkaar, en BSA en Norton gingen failliet. In 1971 sloot BSA de poorten, maar het concern zou nog tot 1975 drijven op de productie van Triumph. Het enige bedrijf uit de samenwerking dat deze strijd overleefde was NVT Motorcycles Ltd., zij verkregen het BSA merkrecht, en hernoemden het bedrijf naar BSA Company. Na nog enkele naamswijzigingen en fusies ontstond in 1994 de BSA Regal Group, een bedrijf dat voornamelijk reserveonderdelen produceert, en soms een kleine oplage motorfietsen in retro-stijl. Retro staat voor het teruggrijpen op producten en ontwerpen uit het verleden. Deze ontwerpen en producten worden vervolgens opnieuw gehanteerd en geproduceerd. De fabriek van het Engelse motormerk Norton, was in 1898 opgericht door James Lansdowne Norton. Oorspronkelijk maakte hij kettingen en onderdelen voor fietsen en een enkel motorfietsframe. Na 1902 en een verhuizing naar in Birmingham volgden lichte motorfietsen. In 1907 won Norton (coureur Rem Fowler) de TT van Man met een Norton-Peugeot. Een jaar later bouwde Norton zijn eerste eigen motorblokken, zowel één- als tweecilinders. Nadat het bedrijf in 1913 bijna failliet ging, werd Bob Shelley mededirecteur en veranderde de naam in Norton Motors Ltd. James Norton overleed in 1925. Bob Shelley's zwager Dan "Wizard" O'Donovan ontwikkelde op Brooklands de 490 cc Brooklands Special (of BS), de eerste productieracer ter wereld. In 1953 trad Norton toe tot een groep, genaamd de AMC, deze ging in 1966 failliet en werd overgenomen door de miljonair Dennis Poore (Manganeze Bronze Holdings). Deze was al eigenaar van Villiers en begin jaren zeventig kocht hij op aandringen van de Britse regering de BSA-groep (met o.a. Triumph), waardoor NVT (Norton-Villiers-Triumph) ontstond. Het ging echter slecht met de Britse motorindustrie en de laatste Norton Commando 850 rolde in 1977 van de band.

Een bijzonder tintje aan de race van 1951 was, dat de winnaar van de eerste editie, Ed Kretz Sr. (6e) en zijn zoon Ed Kretz Jr. (57e) beiden in deze race uitkwamen. Dit zouden ze tot 1959 doen, het laatste jaar dat senior en junior meededen. 

1950, Tom Byars, 36e in zijn enige deelname, zijn zoon Tommy Jr. nam vier keer deel van 1975-1979, beste resultaat, 11e in 1975. 

1951, Bobby Hill (2e) en Dick Klamfoth (1e)

1951 Dick Klamfoth (1e)

© Don Emde 

 

1952, de "Indian Wrecking Crew" (v.l.n.r.) Bill Tuman, Bobby Hill en Ernie Beckman
© Motorcycle Hall of Fame Museum
Ernie Beckman

In 1952 speelde het weer een grote rol van betekenis in Daytona speedweek. De zware regen, de harde winden en de lage temperaturen, de ochtend van het race, zorgden ervoor dat de 200-miler werd uitgesteld. Door de weersomstandigheden bleven ook de toeschouwers ver achter, slechts 6.000 zouden deze editie bezoeken. De race werd verplaatst naar de volgende dag, maar ook toen lag het circuit er zeer slecht bij. Beide keerpunten stonden volledig onder water. De organisatie was 24 uur in de weer om de baan in bruikbare conditie te krijgen. De eerste helft van de race hield de baan het redelijk, de laatste 100 mijl echter werden de keerpunten zeer diep en ruw en vele rijders vielen hier letterlijk en figuurlijk uit de race. Na bijna het begin van de race te hebben gemist reed Dick Klamfoth een vlotte race en reed onbedreigd naar de overwinning. 

Een communicatiestoornis kostte Dick Klamforth bijna zijn 3e overwinning. Hij had begrepen dat de race niet één maar twee dagen was uitgesteld. Het parcours zou twee dagen nodig hebben om genoeg te kunnen drogen. Aangezien hij dus dacht een dag vrij te hebben besloot hij op maandag te gaan vissen. Hij stond vroeg op en toog naar de kust ten westen van het circuit. Hij had zijn vissersboot klaargemaakt en besloot in een restaurant nog wat broodjes te gaan halen. Een klant van het restaurant herkende hem en wenste hem succes met de race vandaag. Nee zei Dick die is morgen. De klant liet hem de ochtendkrant zien en Klamforth schrok zich "te barsten". Hij stapte in zijn auto en reed zo snel als hij kon naar de Norton garage in de stad. Teanchef Francis Beart en de andere rijders van het team waren echter al naar het circuit vertrokken en rekenden niet meer op de heersende kampioen. Het team had de truck meegenomen, dus kleedde Dick zich om en reed op zijn racemotor naar het circuit, waar hij nog net op tijd aankwam om aan de race te kunnen deelnemen!

Dick was nu de enige die drie keer winnaar van de Daytona 200 was geworden en kwam permanent in bezit van de prestigieuze "City of Daytona trophy". De mensen van Norton hadden ook goede reden om hun vierde winst op rij te vieren. Ook de andere twee belangrijke Britse merken, Triumph en BSA, kwamen goed voor de dag. Californiërs Al Gunter (BSA) werd vijfde en Jimmy Phillips (Trumph) derde. Norton pakte met Clifford Farwell (2e) en Bobby Michale (4e) de rest van de top 5 plaatsen. De BSA van Gunter werd geklokt op 212.40 km/u op het rechte eind. Maar liefst de eerste 14 plaatsen werden door Britse motoren ingenomen. Harley-Davidson WR, eens een onverslaanbare machine in Amerika, was nu zwaar verouderd. Klamforth, de winnaar van ook de race van 1949, gaf dus twee keer een vervolg voor Norton aan deze overwinning door ook te winnen in '51 en '52. 

 

 

1953,  Trevor Deeley (#23) uit Canada.
© Motorcycle Hall of Fame Museum

Door de vier superieure overwinningen op rij, besluit de organisatie, met het doel om het Amerikaanse product te bevorderen, het volgende jaar om bepaalde kenmerken te verbieden: De A.M.A. (Amerikaanse motorbond) verbood bovenliggende nokkenassen. Voor de Engelsen, betekende deze maatregel "einde oefening". Hun motoren waren allemaal voorzien van deze bovenliggende nokkenassen. De Nortonfabriek, overwinnaar van de afgelopen vier jaren, verlaat woedend Florida. Niemand zal nu nog de ambities van Harley tegenwerken die, gedurende vele jaren, de overwinningen voor zich opeist. De enige spelbreker, zal in deze lange reeks van successen in 1954 de overwinning van Bobby Hill, aan het stuur van een Britse BSA zijn. De winnaar van 1953, Paul Goldsmith zou ook in 1958 op Daytona Beach een autorace (stockcar) winnen. Hij is de enige die dit in de lange historie van Daytona races gepresteerd heeft.   

 

Waar het allemaal begon...

 

 

 Harley-Davidson 1904

 

 

 

 

H-D 50 jaar logo

Arthur Davidson (1881-1950) kwam om het leven tijdens een auto-ongeluk, samen met zijn vrouw. Zijn zoon James overkwam, ook samen met zijn vrouw, hetzelfde in 1966.

 

William A. Davidson (1870-1937) was de oudste en meest menselijke van de Davidson broers. Hij had een zeer goed contact met zijn personeel en was erg bedroefd toen ze in '37 de bond binnen het bedrijf haalden. Twee dagen na het tekenen van een contract met de bond, overleed William....

Walter Davidson (1876-1942) was de eerste president van de Harley-Davidson fabriek

 

 

William S. Harley (1880-1943) bouwde samen met zijn jeugdvriend, Arthur Davidson, in 1901 de eerste motorfiets. Harley was de technicus van het viertal en ook de enige die zelf ooit meedeed aan wegraces. Hij ging heel graag naar de Daytona 200, maar heeft er helaas niet veel mee mogen maken.

 Harley-Davidson 1907

© Motorcycle Hall of Fame Museum

 

 

 

 

 

 

 

 

    

  Na 13 jaar, sinds 1940 zonder winst, was het op 15 maart 1953 dus dan eindelijk weer de Harley-Davidson Motor Company die aan het langste eind trok. Dit was zeer prettig voor Harley, die juist in 1953 hun vijftig jarig bestaan vierde, officieel opgericht in 1903 door William S. Harley, Walter; William & Arthur Davidson. Met een gloednieuw type Harley werd het op het strand een indrukwekkende overwinning voor Paul Goldsmith* uit Michigan, die in de 23e ronde de kop had overgenomen van "good old" Ed Kretz Sr. en die niet meer afstond. Hij reed de 48 ronden in een nieuw record van 2 uur, 7 minuten en 0.33 seconden, een verbetering van het oude record, van 1951, met 2 minuten en 15.38 seconden. Tweede finisher was, op een Triumph, Hugh McAfee. Goldsmith had een perfecte, constante race gereden, er ging al aan het begin van de race, een trilling door de 13.000 chauvinistische toeschouwers, toen twee roodkleurige vaderlandse Harley's, van Paul Goldsmith en Everett Brashear, het veld van maar liefst 113 coureurs aanvoerden. Het was maar goed voor Harley dat Goldsmith de race won, want de 2e Harley die over de streep kwam deed dat pas in achtste positie met in het zadel Buck Brigance. De nieuwe Harley deed het prima, maar had nog wel enige tijd nodig om ook daadwerkelijk een echte winnaar te zijn. Na de overheersing sinds 1949, verloor het machtige Nortonteam definitief zijn onverslaanbaar geachte status. De 1952 winst zou achteraf de laatste zijn voor het Britse merk. Dick Klamfoth en Bobby Hill maakten beide de eerste 10 ronden niet vol en Milton Lassiter's derde plaats was het hoogst haalbare. Slechts 39 van de gestarte 113 rijders, haalden de finish. Een droevige gebeurtenis tijdens de 1953 race was het betreuren van het eerste dodelijke slachtoffer, van de race, sinds het begin van 1937. De Veteraan Cliff "Red" Farwell (2e plaats in 1952) uit Puyallup, Washington, raakte een toeschouwer die de baan overstak tijdens de race. Farwell overleed later aan zijn verwondingen, evenals de toeschouwer. In dezelfde race raakte ook veteraan Jimmy Chann (1915-1984) zwaar gewond tijdens een ongeval met eveneens een toeschouwer, daarbij betrokken. Deze ongelukken en het feit dat de toeschouwers moeilijk onder controle waren te houden, deden "Big Bill" France besluiten zich terug te trekken als promotor van de 200 mijl. De organisatie werd overgenomen door een groep van mensen uit alle lagen van de bevolking, 'The Central Labor Union' en ook zij verrichtten een prima job. 

   

1953, rennerskwartier op het strand       

        

1953:  winnaar Paul Goldsmith op een Harley-Davidson, die jarenlang de meest succesvolle motor was. In 1997 zou Yamaha zijn 17e overwinning pakken en daardoor Harley voorbijgaan.

Start van de 200 mijls race van 1955

Niet zo'n fijne manier van finishen voor coureur en vooral starter....

 

Paul Goldsmith

* Paul Goldsmith (geboren 2 oktober 1925 in Parkersburg, West-Virginia) was één van top racers tijdens de jaren '40 en tot midden jaren '50. Paul verhuisde, als tiener, met zijn familie naar Detroit waar hij later bij de Chrysler fabriek zou gaan werken. Hij begon zijn motorrace carrière vlak na de Tweede Wereldoorlog. Paul reed diverse jaren met veel succes, maar zijn eerste grote nationale A.M.A. winst, was in 1952, tijdens de Mijl van Millwaukee. In 1953 werd hij uitgeroepen tot de meest populaire rijder in Amerika. Goldsmith zijn mooiste, van zijn vijf nationale overwinningen bij de AMA, kwam in 1953, nl. de winst in de Daytona 200, aan het stuur van een Harley-Davidson. Na het terugtrekken uit de wegrace (1955), begon Goldsmith een zeer succesvolle autoracecarrière bij de USAC en NASCAR. Paul zou nog wel twee keer op een motor stappen om de Daytona 200 te rijden. Hij won de laatste autorace bij de NASCAR die op het strand van Daytona Beach werd gehouden, in 1958, voor men naar de huidige speedway verhuisde. Hij reed ook verscheidene keren in de Indianapolis 500, die hij in 1960 als derde beëindigde.

 

Goldsmith werd onmiddellijk één van de sterren van de NASCAR series, hij reed voor Pontiac en Chrysler. Hij was één van de weinig mensen die in de Daytona 200, Daytona 500 en Indy 500 te bewonderen was, en de enige racer die zowel de Daytona 200 als de Daytona 500 zou winnen. Hij werd nationaal kampioen bij de USAC in 1961 & 1962. Tijdens zijn autosportloopbaan werd Goldsmith een van de eerste die naar alle races zou vliegen. Zijn vlieghobby werd uiteindelijk een bloeiende zaak. Nadat hij zich geheel terugtrok uit de racerij, in 1969, concentreerde hij zich op een loopbaan in de luchtvaart. Hij bezit heden ten dage een luchtvaartmaatschappij in Noordelijk Indiana, een aantal Burger King restaurants en twee raspaardenranches in Ocala, Florida. Terwijl Goldsmith zeker de middelen heeft om zich terug te trekken, wil/kan hij dit nog steeds niet. Toen hij 74 jaar oud was, vloog hij nog meer dan 600 uren per jaar. Hij heeft één zoon en dochter. Zijn zoon is een commerciële piloot.

Jaar

Nummer

Startplaats

Finish

Ronden

1958

31

16

30

0

1959

99

16

5

200

1960

99

26

3

200

1961

10

17

14

160

1962

53

26

26

26

1963

99

9

18

149

Indy 500 resultaten Ray Nichels (teameigenaar en tuner) & Paul Goldsmith ontvangen de trofee na winst in de 150-mile USAC race in Milwaukee in augustus 1962

                                                                            

1954, Al Gunter (4e) en Norm Smith (66e)

1954: BSA had de afgelopen jaren aangetoond een flink potentieel in huis te hebben en in '54 viel dat allemaal op zijn plaats. Dick Klamfoth (3 voudig winnaar) en Bobby Hill waren beide overgestapt van Norton op BSA. De "Indian Sales Company", was door financiële problemen, gestopt met de racerij, zodoende had BSA direct de twee toppers overgenomen. Dit zou gaan resulteren in de eerste Daytona overwinning van BSA. Direct na de start ontstond er een gevecht tussen de winnaar van 1953, Paul Goldsmith, Joe Leonard* en de altijd aanwezige Ed Kretz sr. Tussen de 5e en 7e ronde echter, kreeg het trio mechanische problemen en vielen alle drie terug in de race. Bobby Hill nam nu de honneurs waar tot in de 24e ronde, wanneer teamgenoot Dick Klamfoth hem aflost aan de leiding. Hill liet dit echter niet op zich zitten en pakte de kop van het veld weer over in ronde 37 van de in totaal 48. Hij won uiteindelijk met 25 seconden voorsprong, op zijn teammaat, de race. Zij werden op plaats 3 t/m 5 gevolgd, door eveneens BSA rijders, Tommy McDermott, Al Gunter en Kenny Eggers. Het was dus een fenomenale overwinning voor BSA. Uitgezonderd McDermott, die een ééncilinder 500cc BSA Gold Star bereed, reden de andere vier allen, een speciaal uit de fabriek in Engeland over laten komen, tweecilinder BSA model. 

 

wpe5.jpg (72994 bytes)    wpe7.gif (76044 bytes)                                   BSA 1954

Meestal kwamen de coureurs, een paar dagen voor de race begon, al naar Daytona toe om hun motoren aan het klimaat te laten wennen. Dagen voor het evenement hoorde je dan al de hele dag de motoren met een bloedgang over het strand heen en weer rijden. Het was niet verrassend dat hier wel eens een ongeluk gebeurde en in 1954 zelfs een coureur om het leven bij kwam. Hij kwam in botsing met een auto, die ook gewoon op het strand mochten komen. In de midden 50er jaren verbood de A.M.A. dan ook dit "pre-racen". Er werd indertijd op Daytona nog geen kwalificaties gehouden, maar geloot voor de startplaatsen. Ook al konden de coureurs de bochten niet oefenen, ze wilden toch hun motoren "laten wennen" en afstellen. Zodoende ging men op zoek naar een andere plek om hun machines in te rijden. Dit gebeurde op een weg waarlangs heel veel bomen en planten stonden. De weg werd in die tijd omgedoopt tot "The Jungle Road" (de weg door de jungle). De slechts vijf meter brede weg, zat vol met kuilen en bulten en was links en rechts dus omgeven door zeer dicht struikgewas, waar door de jaren heen vele coureurs in verdwenen en zwaar gehavend weer uit te voorschijn kwamen. Op een keer reed er zelfs een coureur de "rimboe" in, zijn motor in brand vloog en er vervolgens een flinke vuurzee in het bos ontstond.

2004: Bobby Hill, de winnaar van de 200 in 1954, 50 jaar later in Daytona.

 

Joe Leonard

* Joe Leonard (geboren 4 Augustus 1932 in San Diego, Californië), was een Amerikaanse motorfiets- en autocoureur. Als tiener, werkte Leonard bij de lokale motorfietswinkel in San Diego als klusjesman. Één van zijn klusjes was om zeelieden van de nabijgelegen zeebasis, voor de allereerste keer in hun leven, motorrijles te geven, terwijl Joe achterop zat bij zijn leerlingen!  

 

Het was ook in San Diego dat Leonard begon te racen als “novice” (nieuweling). Op zijn 19e, ging Leonard naar San Francisco om zijn racecarrière na te streven. Hij reed Triumph en kreeg de reputatie van een moeilijk te kloppen, en enigszins wilde rijder. De legendarische motorenbouwer Tom Sifton herkende het ruwe talent van Leonard en huurde hem spoedig in om voor zijn Harley-Davidsonzaak in San Jose te komen rijden.

 Leonard won de eerste “Grand National” serie van het A.M.A. kampioenschap (The Number One titel) in 1954 en won hem nogmaals in 1956 en 1957. De jaren vóór 1954 werd het nationale kampioenschap beslist op basis van één enkele race, de Mijl van Springfield (Illinois). Vanaf 1954, moesten de rijders in een grote verscheidenheid van racedisciplines op circuits door het hele land elkaar bestrijden. Leonard, tweede jaars prof, won acht van de (toen) 18 Grote Nationale races, op zijn Harley-Davidson. Zijn totaal aan overwinningen bedraagt 27 maal winst, met inbegrip van de Daytona 200 in 1957 en 1958. Hij trok zich terug uit de motorfiets racerij aan het einde van het seizoen 1961 en begon aan zijn autosportcarrière. Leonard racete in de “USAC championship Car Serie”, in de seizoenen 1964-1974, waarin hij 98 maal aan de start verscheen, inclusief 8 maal voor de befaamde : “Indy 500”, oftewel de Indianapolis 500. In 1968 vertrok hij in de “Indy 500”, vanaf pole-position, in een Lotus, hij zou deze race als twaalfde beëindigen, nadat hij aan de leiding liggend, carburatieproblemen kreeg. Zijn beste resultaat in de Indianapolis 500, was twee keer een podiumplaats (3e), in 1967 en in 1972. Hij eindigde in zijn carrière 60 keer bij de eerste tien. Waaronder zes keer winst, drie keer in Millwaukee (1965, 1970 & 1972), een keer in Ontario (1971), Brooklyn (1972) en Pocono (1972). Zijn overwinningen in 1971 en 1972 maakten hem mede  “USAC Championship Car Season Champion”. Hij versloeg in de jaren grote namen, zoals Mario Andretti, A.J. Foyt en de befaamde familie Unser (Al en Bobby). Hij is de enige Amerikaan die het nationale kampioenschap in zowel de auto- als motorfietssport heeft gewonnen. In 1974 liep Joe tijdens een crash in de "Indy 500" een voetblessure op, die hem besloot te doen stoppen met zijn imposante loopbaan in de snelheidssporten.

 

2 foto's uit Leonard's autosportcarrière. Rechts met v.l.n.r. Mario Andretti, Al Unser, Parnelli Jones & Joe Leonard in het 1972-73 Vel's Parnelli Jones Super-Team.

 

                                                                            

                                                           

                                                                                                                                                                                                                

Ed Kretz Jr. en Ed Kretz Sr. Daytona 1955
© Motorcycle Hall of Fame Museum

1955: In 1949 wist Dick Klamfoth, als "rookie" de race te winnen en in 1955 gebeurde het wederom dat een "rookie" de hoog aangeschreven race op het strand van Daytona wist te winnen. Zijn naam: Brad Andres*, een negentienjarige rijder uit San Diego op een Harley geprepareerd door zijn vader. Hij deed dit in wederom een nieuw record, het tweede in de laatste drie jaar, door een Harley-Davidson rijder. Zijn tijd, op 13 maart 1955, voor de 49 ronden: 2 uur, 5 minuten en 46.54 seconden. Brad reed een regelmatige race en vorderde gestaag naar voren in het klassement op zijn Harley-Davidson type K. Aan het einde van de 20ste ronde, lag hij vijfde achter '53 winnaar Paul Goldsmith (de oude recordhouder), Jimmy Phillips, Al Gunter en Johnny Gibson. Bij het ingaan van de dertigste ronde, was hij tweede achter Goldsmith, die een 12 seconden voorsprong op dat moment had opgebouwd. 

Everett Brashear, winnaar van 14 'Grand Nationals' tussen 1952 en 1960.

In ronde 31, toen Goldsmith het strand opgedraaid kwam, spoot er plots olie uit zijn motor. Dit was een ernstig probleem, omdat het op zijn motorbril spoot. Tijdelijk verblind, ging Goldsmith te wijd door de bocht en reed met hoge snelheid in het water. Hij werd door een golf van zijn motor gesleurd, raakte daarbij niet gewond, maar de race was wel over voor hem. Het zal wel een zeer spectaculair gezicht zijn geweest voor de toeschouwers! Brad Andres nam nu de leiding over in de race en zou die tot aan de finish behouden. Een menigte van ongeveer 12.000 toeschouwers zag hoe Harley-Davidson, voor het eerst in de geschiedenis, de eerste drie posities in de Daytona 200 voor zich opeiste. De tweede plaats ging naar Jimmy Phillips, die door Johnny Gibson uit Duarte, Californië werd gevolgd. De rijders van het Harley-fabrieksteam, Joe Leonard, Everett Brashear en Goldsmith slaagden er geen van drieën in om de race te finishen. 1955 was ook het jaar dat de dirt track racen aan het programma werden toegevoegd. Deze werden verreden in het Daytona Beach's Memorial Stadium. In 1989 werd dit stadion afgebroken i.v.m. de noodzaak voor meer parkeergelegenheid. Het dirt track racen werd verplaatst naar het Daytona Beach's Municipal Stadium, waar 10.000 toeschouwers de diverse en vele races tijdens de Daytona Speedweek konden volgen. 

 

Dayton15.jpg (27537 bytes)

1955 podium: Brad Andres, Jimmy Phillips en Johnny Gibson

Brief van de burgemeester, van San Diego, voor Brad.

Er waren 28 Staten van Amerika vertegenwoordigt in deze 200 mijls race. Een week voor het begin van de Speedweek zag de bevolking van Daytona al motoren met kentekenplaten vanuit het hele land, het stadje in komen rijden. Deze mensen namen de mogelijkheid te baat, om voor de races h.e.e.a. in de omgeving van Daytona te bezoeken. 

1955 podium: Brad Andres, Jimmy Phillips en Johnny Gibson

 

De 100 mijls race voor amateurs, een dag voor de 200 verreden, had ook een nieuw record aan de boeken van Daytona toegevoegd. Dan Richards uit Little Rock, Arkansas, nam direct na de start de leiding in de race en werd nooit meer teruggezien door de rest van het veld eer ze op een ronde gezet werden of in "Victory Lane". 

 

1955,  Brad Andres, Harley-Davidson Directeur William H. Davidson en Joe Leonard

© Motorcycle Hall of Fame Museum

 

Brad Andres

* Brad Andres werd geboren op 20 april 1936 in Stockton, Californië. Zijn wieg stond in het huis van een echte racefamilie. Brad's vader, Leonard, en zijn ooms (Gene & Roy) waren allen bekende motorfietsracers. Zijn vader bezat een motorfietshandel in Modesto, Californië en hij liet Brad beginnen met “motorrijden” op de leeftijd van vijf jaar op een Powell scooter. Vader Leonard Andres (1912-1996) was geboren in Eureka, Californië, op 19 maart 1912 en was in zijn tijd een goede coureur en een nog betere monteur/tuner. Leonard stopte in 1938 met racen en begon een Harley-Davidson dealerschap in Modesto, de zaken liepen gesmeerd en hij kocht er later nog een dealerschap in Sacramento en San Diego bij. De familie verhuisde ook naar San Diego. Broers Gene en Roy werden ook in dienst genomen om de zaken te runnen. De grote ster, Cal Rayborn, reed de door Leonard Andres geprepareerde Harley’s naar vele overwinningen, ook naar zijn laatste overwinning in Daytona 1968. Ook Ralph White, won op een door Leonard geprepareerde machine o.a. de Daytona 200 in 1963. Het grootste succes voor Leonard was echter al jaren eerder, toen zijn zoon Brad, in 1955, op een door hem geprepareerde motor, direct de Daytona 200 en het A.M.A. kampioenschap op zijn naam schreef. Dit gebeurde op 19 jarige leeftijd en dat staat nog steeds als record genoteerd. Zijn Daytona winst in 1955 was slechts het begin van een droomseizoen voor Andres. In juni, won hij in Laconia (New Hampshire) wegracewedstrijd, in juli een andere wegrace in Dodge City, Kansas. In september, won hij de “Langhorne (Pennsylvania) Mile” en hij poetste het seizoen, in oktober, nog even extra op, met nog een overwinning, in een wegrace, dit keer in Torrey Pines, Californië. Over het hele seizoen, won Andres vijf van de dertien Grand Nationals en beëindigde nog vijf keer op het podium.

 Leonard Brad

Andres werd de beste wegracer in het land, tijdens de midden jaren '50 werd. Van de totaal twaalf A.M.A. overwinningen in zijn carrière, waren er tien in de wegrace. De wegrace lag hem veel beter dan de andere racedisciplines. Aan het eind van 1956, overkomt Andres een tragedie, hij is betrokken bij een ongeval op de Speedway Gardena (Californië) waarbij zijn goede vriend, Chuck Basney om het leven komt. Brad raakt “slechts” gewond, maar komt het seizoen van 1957 niet in actie, vanwege vele operaties aan zijn been. Zijn artsen vertelden hem dat hij nooit meer zou kunnen racen, maar Andres wilde perse terugkeren in de racerij en hij deed het in 1958. Hij bleek nog net zo snel te zijn als voor zijn ongeluk en won weer diverse races tot hij in 1960 besluit te stoppen. Dat jaar, vroeg zijn vader hem, om het beheer van het familiebedrijf, de motorsportzaak, over te nemen. Andres was inmiddels gehuwd met Betty, en ze kregen later één dochter. Brad neemt nog een keer deel aan de Daytona 200 in 1960 en wint deze, waarna hij zijn besluit, om te stoppen, kenbaar maakt. Harley-Davidson haalt hem in het seizoen over om nog één race te rijden, de 150-mijls wegrace in Watkins Glen, New York, die ook door Andres gewonnen wordt en dan is het definitief over. Een vrij korte, maar briljante carrière komt tot een einde. Het was het moeilijkste besluit dat Andres ooit zou moeten nemen, stoppen op het hoogtepunt van zijn carrière, maar het was uiteindelijk een juiste.

President Willam H. Davidson van Harley-Davidson feliciteerd Brad Andres met zijn behaalde A.M.A. kampioenschap en zijn daarbij horende "Number One" titel eind 1955 Brad Andres bij zijn prijzenkast, eind 1955
1959 Daytona winst, met links Tony Murguia (3e) en rechts Dick Mann (2e) Brad wint zijn 3e Daytona titel in 1960

Hij zou de motorfietszaak tot 1976 beheren, om hem daarna, samen met zijn vader, zeer winstgevend te verkopen. Zijn vader, Leonard, waarmee Brad bijna elke dag van zijn leven doorbracht, overleed op kerstdag 1996. Brad Andres is de enige coureur in de historie van de A.M.A., die zowel zijn eerste en zijn laatste race wist te winnen. Hij is verder ook de enige die direct in zijn rookieseizoen het “AMA Grand National Championship” op zijn naam schreef. Brad zou uiteindelijk drie keer zegevieren in de Daytona 200 (1955, 1959 & 1960) en ook vier keer in de Laconia 200. 

                                                         

 

Het Daytonabeach circuit van 3.2 mijl, zoals het was van 1937 t/m 1947.

© Don Emde Productions

 

© Motorcycle Hall of Fame 

 

1951 Tweede plaats voor Bobby Hill  en winnaar Dick Klamfoth (#2). Samen wonnen ze 4 titels in de Daytona 200.

Hoofdkwartier van de A.M.A. op Daytona Beach jaren '50

1953 winnaar Paul Goldsmith

1955 winnaar Brad Andres

 

Floyd Emde winnaar 1948

Babe Tancrede winnaar 1940

Sam Arena (31e in '39 & 27e in '40)

1955 teammaten: Milton Lassiter (48e) en Hugh McAfee (5e). MacAfee was 2e en  Lassiter 3e in 1953.

Fred Ludlow (1895-1984) Harley-Davidson fabriekscoureur begin jaren 1900 (schitterende "motor"!) Is niet in Daytona, maar wilde hem toch plaatsen.

Hugh McAfee (2e in '53, 70e in '54 & 5e in '55)

© Motorcycle Hall of Fame 

1920, beroemde H-D globe

Bovenste foto : The Daytona Beach in de jaren '50

2e foto: winnaar 1937, Ed Kretz

3e foto: winnaar 1941 & 1950, Billy Matthews

4e foto: winnaar 1948, Floyd Emde

 

                        

(bronnen: Motor, Moto 73, Moto Journal, Moto Revue, "Daytona 1973" door Wim Ramkema & Jan Heese en véél  véél meer)

(Special thanks to Don Emde, winner of the 1972 Daytona 200, for using photographs from his book, The Daytona 200 1st edition untill 1991. He also made a 2nd edition up to 2003 and is currently working on the 3rd edition, which should be out in mid-2008)

(Special thanks to Manfred Mothes Motorcycle Racing Heroes of the Past, for using photographs from the years 1983 untill 1996)

(also many thanks to "Motorcycle Hall of Fame Museum" for using some of there pics) 

Deel 2, Daytona 1956-1963

HOME

©opyright 2006 Gerard van der Pot.